2 jaar geleden

God vertrouwen in moeilijke tijden (3)

Psalm 120 tot 122

Het gelovig overblijfsel in ballingschap

Het grootste deel van het gelovig overblijfsel uit het volk Israël vlucht in het midden van de tijd van verdrukking naar de buurlanden, omdat het voor hen in Jeruzalem te gevaarlijk is. De psalmen 120 – 122 schilderen ons de ervaringen van de getrouwen in den vreemde*. Zij drukken uit wat zij daar in hun harten voor noden hebben, hoe zij hun vertrouwen in God tonen en welke hulp zij ervaren.

De toepassing op ons

Als gelovige christenen leven we niet in de tijd van verdrukking, maar in de tijd van de genade en hebben echter wel met dezelfde God te doen. Bovendien beleven wij ook moeilijkheden, hoewel deze niet zo groot zijn als die van het toekomstige overblijfsel. In noodsituaties hebben wij eveneens gevoelens. Daarom willen wij deze psalmen op ons geloofsleven toepassen, terwijl we er wel op letten dat deze verzen niet rechtstreeks over ons spreken.

 

* * *

Psalm 120:

  1. Een pelgrimslied.
    Ik riep tot de HEERE in mijn benauwdheid, en Hij verhoorde mij.
  2. HEERE, red mijn ziel van de valse lippen, van de tong vol bedrog.
  3. Wat zal de tong vol bedrog u geven? Wat zal die aan u toevoegen?
  4. Scherpe pijlen van een machtig man, en gloeiende houtskool van bremstruiken daarbij.
  5. Wee mij, dat ik als vreemdeling in Mesech verblijf, dat ik woon in de tenten van Kedar.
  6. Mijn ziel heeft lang gewoond bij hen die de vrede haten.
  7. Ik ben vreedzaam, maar als ik spreek, voeren zij oorlog.

Bewaring voor de gevaren van de wereld

Voor het verdreven overblijfsel is het heel duidelijk, dat het in den vreemde door de omgevende mensen aan grote gevaren blootgesteld is. Daarom staat er in vers 1: “Ik riep tot de HEERE in mijn benauwdheid”. Met het oog op het gevaar nemen deze gelovigen hun toevlucht in gebed tot God.

Ook wij bevinden ons ‘in den vreemde’. Wij leven in een wereld die gevaarlijk is, tot wie wij echter niet meer behoren. De Heer Jezus zei van Zijn discipelen tegen de Vader: “Zij zijn in de wereld” (Joh. 17:11). Zo hebben wij in sommige opzichten dezelfde ervaringen als dit gelovig overblijfsel in den vreemde.

Het is belangrijk dat wij de bedreiging van de wereld niet onderschatten. Wanneer we ons ervan bewust zijn hoe gevaarlijk zij voor ons gelovigen is, dan mogen we tot de Heer roepen. Hoe nodig is toch het dagelijks gebed om bewaring voor ons en ons gezin! Door ons roepen tot de Heer drukken wij uit, dat wij onszelf niet bewaren kunnen. Ook de ouders zijn niet in staat hun kinderen te beschermen.

Het laatste deel van vers 1 is prachtig: “en Hij verhoorde mij”. Hoewel het overblijfsel in den vreemde nog in verdrukking is, zegt het in de verledentijds-vorm”: “… Hij verhoorde mij”. Dat is de taal van het geloof: omgeven door gevaren van de wereld vertrouwen wij God, dat Hij ons beschermt. We geloven de woorden van de Heer Jezus aan Zijn Vader: “Ik vraag niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze” (Joh. 17:15).

De misleiding van de wereld

Vers 2 toont ons, dat de wereld met zijn aantrekkelijke kanten een verleiding en een misleiding voor de gelovigen is. De lippen spreken mooi, maar zij liegen. Schijn bedriegt. Daarmee waarschuwt het Woord van God ons, dat wij ons door de wereld – deze maatschappij zonder God – niet moeten laten misleiden. Soms denken we werkelijk dat de mensen die de Heer Jezus afwijzen helemaal niet zo slecht zijn. Het komt zelfs voor dat wij denken, dat bepaalde ongelovigen beter zijn dan de gelovigen. Misschien werken we met een ongelovige collega samen die buitengewoon vriendelijk en behulpzaam is. Tegelijkertijd hebben we in de plaatselijke gemeente met een broeder te maken die bijzonder lastig is. Dan komen we gemakkelijk tot de conclusie: De wereld is helemaal zo slecht niet. Maar we worden misleid. Want God beoordeelt de mensen hier op, hoe zij tegenover Zijn Zoon staan. Wanneer zij Jezus Christus verwerpen, wijzen zij God af. Dat mogen we niet vergeten.

Vers 4 beschrijft het einde van de ongelovige mensen. Op dezelfde manier drukt Asaf zich uit in Psalm 73. Hij zag de goddelozen vrolijk leven en benijdde hen tot hij in de tegenwoordigheid van God haar einde vaststelde. De scherpe pijlen in dit vers worden ook in Psalm 45 vers 6 vermeld: “Uw pijlen zijn scherp; zij treffen het hart van de vijanden van de Koning. Volken zullen onder U vallen”. Deze pijlen spreken van het komende oordeel over de wereld. We moeten de goddeloze maatschappij met de ogen van God zien en niet zoals zij zich soms met haar voortreffelijkheden voordoet. Dan begrijpen wij ook wat de Heer Jezus in Johannes 12 vers 31 zegt: “Nu is [het] oordeel van deze wereld”. Het oordeel over de wereld is dus al uitgesproken en zal spoedig uitgevoerd worden.

Haar einde wordt door gloeiende houtskolen aangeduid. Dat is een toespeling op de poel van vuur. Alle mensen die de redding in de Heer Jezus afwijzen, zullen eenmaal in de poel van vuur eeuwig pijn lijden1, hoe vriendelijk, aardig en lief ze ook kunnen zijn.

Mesech en Kedar

Het overblijfsel ervaart de ballingschap als een moeilijke tijd. “Wee mij, dat ik als vreemdeling in Mesech verblijf, dat ik woon in de tenten van Kedar” (vs. 5). Wij ervaren dat soms ook zo. We houden ons daadwerkelijk nog in de wereld op. We gaan naar school, verrichten arbeid en hebben met onze buren te maken. Maar als verlosten voelen we ons in de wereld niet thuis.

Mesech en Kedar tonen ons twee gevaarvolle kanten van de wereld. Het is niet helemaal duidelijk wat Mesech betekent. Vergelijken we alle bijbelplaatsen over Mesech met elkaar, dan komen we tot de slotsom, dat het wellicht het afwijken van de grondbeginselen van God, dat is de goddeloosheid, voorstelt. Dat beleven we vandaag vaak genoeg. De maatschappij waarin wij leven wijkt steeds meer van de goddelijke grondbeginselen af. Zo worden bijvoorbeeld Zijn verordeningen over het huwelijk en gezin veronachtzaamd, doordat men niet meer trouwt en toch samenwoont en kinderen heeft. Aangezien wij ons in deze wereld moeten ophouden, lopen wij gevaar door deze goddeloosheid beïnvloed te worden. Dat begint ermee dat we het kwaad om ons heen niet meer erg vinden. Dan lopen we gevaar de goddeloze overleggingen van de wereld over te nemen en aansluitend ook daarnaar te leven.

Waarvan spreekt Kedar? In Hooglied 1 vers 5 zegt de bruid: “Donker van huid ben ik, maar bekoorlijk, dochters van Jeruzalem, als de tenten van Kedar, als de tentkleden van Salomo”.2 Ze vergelijkt het donker met Kedar en het bekoorlijke met met de tentkleden van Salomo. We waren van nature zwart, we waren “in het vlees”3. Maar door het geloof in de Heer Jezus zijn we ‘aangenaam’ geworden. Daarbij onderkennen we dat het bij Kedar gaat om het vlees, zoals het zich openlijk in moreel verderf toont. Ook dat belaagt ons vandaag. Wat vroeger aan boosheid in het verborgen gebeurde, leeft men vandaag in alle openlijkheid uit.

Genoeg van de wereld

Vers 6 drukt een verzuchting uit, omdat hij van de wereld genoeg heeft: “Mijn ziel heeft lang (of volgens een Duitse voetnoot: genoeg) gewoond bij hen die de vrede haten”. Dat hebben we misschien op school, op het werk of in militaire dienst ook wel ondervonden, toen wij zo door de wereld omringd waren. Dan tellen we de dagen en vragen: “Hoe lang nog?” We hebben genoeg van de invloeden van de wereld.

Naar vrede streven

“Ik ben vreedzaam, maar als ik spreek, voeren zij oorlog” (vs. 7). Dit vers beschrijft een andere ervaring van het overblijfsel in den vreemde. Zij willen met alle mensen in vrede leven, maar ze kunnen over de komende Messias niet zwijgen. Dit getuigenis roept de tegenstand van de mensen daar op.

Evenzo proberen wij – zover het aan ons ligt – met alle mensen in vrede te leven. Petrus maakt dat duidelijk: “En wie zal u kwaad doen, als u ijveraars voor het goede4 bent geworden?” (1 Petr. 3:13). Maar wij willen eveneens over onze Heiland spreken. Wanneer we een duidelijk getuigenis voor de Heer Jezus afleggen, ervaren we de tegenstand van de ongelovige mensen. Ook daarvan spreekt Petrus, maar hij zegt verder hoe God ons getuigenis erkent: “Als u in [de] naam van Christus smaad lijdt, bent u gelukkig, omdat de geest van de heerlijkheid en <kracht > van God op u rust” (1 Petr. 4:14). De Geest van God vindt op mensen, die de vrede najagen en van de Heer Jezus getuigen, een rustplaats. Is dat niet een bijzondere bevestiging van God voor een gedrag dat zich aan God wijdt?

NOTEN VERTALER:
1. Zie Op. 20:14; 19:20.
2. De Duitse Elberfelder vertaling heeft: “zwart”.
3. Zie Rom. 7:5; 8:8,9. Ef. 2:3.
4. Of “de Goede’.
* In vreemde landen.

 

Max Billeter, © Beröa Verlag

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, R. Mol