Bijbelverzen: Lukas 12 vers 22-31
Leestijd: 3 min.
Laatst ging ik naar de kamer van mijn jonge zoon en vond een doos cornflakes onder zijn bed. Omdat ik het niet kon verklaren, vroeg ik hem ernaar. Hij zei simpelweg: “Ach, je weet maar nooit. Ik ben gewoon voorzichtig. Dat lijkt me verstandig.” Ik was eerst sprakeloos. “Maar heb ik niet altijd voor je gezorgd? Heb je ooit honger geleden? Heb ik je niet beloofd dat ik je altijd genoeg te eten zou geven?” “Ja, maar … .”
Natuurlijk is dit verhaal nooit echt gebeurd. En toch gebeurt het – op een andere manier – elke dag. We maken ons zorgen terwijl, dat niet nodig is. Iedereen begrijpt hoe teleurgesteld en verdrietig een vader zou zijn als hij ontdekt, dat zijn kind hem niet vertrouwt. Zo wordt onze God en Vader ook oneer aangedaan als we Zijn beloften niet geloven en Hem niet vertrouwen, en in plaats daarvan het heft in eigen handen nemen.
Laten we eens kijken naar Zijn belofte aan ons in Lukas 12. Daar zegt de Heer tegen Zijn discipelen: “Weest niet bezorgd voor uw leven, wat u zult eten, ook niet voor uw lichaam, waarmee u zich zult kleden. Want het leven is meer dan het voedsel en het lichaam dan de kleding” (Luk. 12:22). Dit verwijst naar de essentiële basisbehoeften van de mens: voedsel en kleding. Van alle behoeften die een mens heeft, zijn dit de belangrijkste. Dat is begrijpelijk, want als we geen voedsel hebben, verhongeren we; als we geen kleren hebben, worden we vroeg of laat ernstig ziek of vriezen we zelfs dood.
En toch hoeven we ons geen zorgen te maken dat we ooit iets tekort zullen komen. Waarom niet? Omdat we een hemelse Vader hebben die weet dat we ze allemaal nodig hebben (Luk. 12:30; Matth. 6:32). Hij weet het, en Hij zal voorzien.
In Zijn toespraak tot de discipelen gebruikt de Heer twee voorbeelden uit de natuur om te illustreren dat we ons geen zorgen hoeven te maken:
- De raven. Ze zaaien niet, ze oogsten niet en ze slaan geen voorraad op in schuren of voorraadkamers. Toch voedt God hen dag in dag uit – of ze het nu weten of niet (Luk. 12:24).
- De lelies. Ze werken niet en spinnen niet. Toch was zelfs Salomo, een van de grootste en meest glorieuze koningen uit de geschiedenis, niet zo bekleed als een lelie (Luk. 12:27).
Moeten wij de terechtwijzing van de Heer dan ook niet aanvaarden? Zijn wij niet ook maar een klein gelovige (Luk. 12:28)? Noch raaf, noch lelie weet iets van hun Schepper die hen onderhoudt en voor hen zorgt. Maar wij, die hen ver te boven gaan (Luk. 12:24,28), mogen Hem kennen als onze hemelse Vader, met wie wij door onze Heer Jezus een relatie hebben zoals kinderen met hun vader. Hij is de God en Vader die voor ons het hoogste en kostbaarste heeft gegeven dat Zijn hart kende (vgl. Joh. 3:16). Hij is “de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten]” (Ef. 1:3). “Hoe zal Hij die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?” (Rom. 8:32). In de Geliefde, in de Heer Jezus, zijn wij aangenaam gemaakt voor God, en nu is er niets wat de Vader ons zou onthouden. En als dit in de eerste plaats betrekking heeft op geestelijke zegeningen, mogen we het zeker ook toepassen op onze dagelijkse behoeften. Laten we God op Zijn woord geloven!
(Wordt vervolgd)
Friedemann Werkshage; © www.bibelstudium.de
Online in het Duits sinds 26 september 2014
Geplaatst in: Christendom, Geloof
© Frisse Wateren, FW