9 jaar geleden

Gij doorgrondt en kent mij (I)

 Psalm 139 vers 1-6

1. Een psalm van David, voor de opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.

2. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.

3. Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.

4. Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Heere! Gij weet het alles.

5. Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.

6. De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.

Gij doorgrondt en kent mij

Psalm 139 is een parel van de Hebreeuwse poëzie. In zijn wijze van uitdrukken is hij juist eenvoudig te begrijpen, maar de inhoud van de afzonderlijke verzen gaan enorm diep. We willen proberen deze psalm in het licht van het Nieuwe Testament te begrijpen – en zullen bemerken, hoe interessant en actueel deze psalm voor de Christen van de 21e eeuw is.

De inhoud van de psalm

De leidende gedachte van deze psalm is een soort variatie over het thema: “God ziet mij en kent mij” of anders gezegd: “God doorgrondt mij en kent mij”. Bij het lezen merken we, dat de psalmist dit thema onder verschillende gezichtspunten en met verscheidene hoofdzaken verklaart. Bovendien komt men onder de indruk, omdat ieder heel persoonlijk aangesproken wordt. Bij wie dat niet het geval is, die heeft een heel wezenlijk punt van begin af aan niet meegekregen. Want precies daaruit bestaat Gods doel met deze psalm: Hij wil ons in gemeenschap en in overeenstemming met Zichzelf brengen. Juist het bewustzijn van Gods alomtegenwoordigheid, alwetendheid en almacht houdt de dichter bezig. Hij zegt in zekere zin: “Ik ben onontkoombaar in de greep van God. Of ik mij naar links of naar rechts wend, naar achteren of naar voren – ik kom alleen weer direkt terug in Zijn hand. En deze Hand ligt tegelijk op mij. En het is dezelfde die mij geformeerd heeft in het lichaam van mijn moeder”. Zo ontwikkelt de ene gedachte zich uit de andere. Het gaat verder: De God die mijn verleden kent, kent mijn tegenwoordigheid en ook mijn toekomst. Zo besluit de psalm met twee beden, die men het morele hoogtepunt van de hele psalm noemen kan. Met andere woorden samengevat:

  • “God, verlicht mijn tegenwoordige tijd” (vs. 23).
  • “God, leidt mij in de toekomst” (vs. 24).

Bemerken we, hoe de Heer op deze wijze beoogt, ons dieper in betrekking met Hem in te voeren?

De natuurlijke mens zonder zo’n betrekking tot Hem zal bij het lezen van deze psalm schrikken, als hij eerlijk is. De tekst bericht over de alwetende, alomtegenwoordige en almachtige God. Hij kent mij in elke betrekking. Men heeft absoluut geen kans ergens uit te wijken, om maar te zwijgen van ontwijken. En deze God laat niet met zich sollen. “Is dat niet een verschrikkelijke God, die jullie Christenen hebben?”, zal de ongelovige uitroepen. Ja, inderdaad, wie voor God vlucht, voor hem zal het eens verschrikkelijk zijn, “in de handen van de levende God te vallen” (Hebr. 10:31).

Maar wie Hem ziet, zoals de Christenen Hem zien mogen, is dankbaar, dat Hij tegelijk de God van de liefde, de God van alle vertroosting, de Vader van de barmhartigheid is. En wanneer we de grote God in de Persoon van de Heer Jezus zien, dan is het ook de Alomtegenwoordige, die gezegd heeft: “En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw” (Matth. 28:20). Onze Heer – de Almachtige. Hij is Degene, die alles geschapen heeft, en tegelijk is Hij die Jezus van Nazareth, de baby van Bethlehem. Onder dit gezichtspunt behelst deze psalm een bijzondere betekenis voor de gelovigen van de genadetijd.

In Psalm 139 verwachten we geen theologische, filosofische, diepgaande verklaring. Hij is juist eenvoudig gehouden. Het gaat eenvoudigweg om een mens, die tot zijn God spreekt: Hij denkt grondig over God na, legt Hem zijn overleggingen voor en eindigt dan helemaal aan het eind met twee concrete vragen (vs. 23,24). Dat is zeer interessant, in het bijzonder wel omdat David, de psalmschrijver of psalmzanger (een psalm werd immers gezongen), meestal heel anders spreekt. Hoe vaak gaat het bij hem om verdrukking, bevrijding, nood en lofzang! Zo kennen we zijn leven en zijn psalmen. Maar hier vindt men niets van dat alles.

Er is overigens nog een thema, die David in enkele psalmen verwerkt heeft, omdat het hem beziggehouden heeft: het thema zonde. Als we hierover onze psalm onderzoeken, stellen we vast dat deze gedachte wel voorhanden is, echter meer “bij de andere”. David noemt in de verzen 19-22 ‘moordenaars’ en ‘mannen des bloeds’. Van hen wil hij zich duidelijk distantiëren en hen haten. En plotseling spreekt hij in de beide volgende verzen weer over zichzelf en uit de al genoemde vragen “doorgrond mij – beproef mij”. Hoe is dat te verklaren? Wil hij er niet op wijzen, dat het in ons leven minder op de zonden bij anderen aankomt en veelmeer op de zonden bij mij? Dat is het opvallende punt in deze psalm: De Heer wil mij in het zelfoordeel leiden, opdat ik dan weer geheel in overeenstemming en in gemeenschap met Hem ben.

De structuur van de psalm

Om bij de verklaring van de afzonderlijke verzen de rode draad niet te verliezen, is het behulpzaam om de structuur van de psalm voor ogen te houden:

  • God is alwetend (vs. 1-6).
  • God is alomtegenwoordig (vs. 7-12).
  • God is de almachtige Schepper (vs. 13-16).
  • De geweldige gedachten van God (vs. 17,18).
  • De wettelozen (vs. 19-22).
  • Het zelfoordeel (vs. 23,24).

Een psalm dus, die in zijn afbakening duidelijk is, maar een psalm die het “in zich heeft”. Een psalm waarover men nadenken moet.

“HEERE! Gij doorgrondt en kent mij” (vs. 1)

Bestaat hier misschien een verband met het laatste vers uit de voorgaande psalm 138? Deze psalm is eveneens van David. Hij eindigt met de vraag: “en laat niet varen de werken van Uw handen” (vs. 8). Eén van de werken van de handen van God was David zelf. In zoverre kan men zich voorstellen, dat David de gedachten in Psalm 139 voortzet, in het bijzonder als hij zich over de scheppingsdaad in het derde deel van deze psalm verwondert.

“Gij doorgrondt en kent mij”. Natuurlijk hoeft God geen onderzoek uit te voeren, en God hoeft ook geen kennis te vergaren. Toch zijn er ook andere plaatsen in de bijbel, die soortgelijke formuleringen hanteren. Een bekende daarvan is Jeremia 17 vers 9-10: “Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? Ik, de HEERE, doorgrond het hart, [en] proef de nieren; en dat, om een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn handelingen”. Ook hier gaat het om het doorgronden en beproeven door God, die alles kent. Een paar hoofdstukken daarvoor drukt Jeremia zich op geheel gelijke wijze uit: “Maar Gij, o HEERE! kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, [dat] [het] met U is” (hfdst. 12:3). De Heer Jezus Zelf gebruikt – profetisch gesproken – ook precies zulke uitdrukkingen: “Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; [hetgeen] ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet” (Ps. 17:3).

Op alle plaatsen komt de gedachte naar voren: “U kent mij, U ziet mij, ik kan niets voor U verbergen”. God heeft mij dus onontkoombaar in de greep, wanneer men dat zo zeggen mag.

Het eerste vers kan ook onder een ander aspect gelezen worden: God houdt Zich met mij bezig –  en dat is verbazingwekkend. Hij is voor ons allen, voor u en voor mij, geen God van verre. Hij is niet een God, Die zich na de schepping in de hemel teruggetrokken heeft en de wereld met de mensen aan haar lot overlaat. Neen, God houdt zich met mij bezig. Ik ben verlost, heb vergeving van mijn zonden1 – niet zondenvergeving in het algemeen, verpakt met anderen samen, maar ik bezit het heel persoonlijk. God bekommert zich om de afzonderlijke persoon. Hij had het ook anders kunnen maken, doordat Hij met de mensheid in het algemeen had kunnen spreken. Maar neen, Hij bekommert zich om mij persoonlijk. En dat is de boodschap van Psalm 139.

“Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten” (vs. 2).

Van elke beweging neemt God notitie. We kunnen Hem niet het minste wijsmaken – ook niet in gedachten! De gedachtenwereld is een onoverzienbaar groot gebied, Wat denken we niet allemaal! We hebben geheime gedachten, we hebben verkeerde en goede gedachten. We hebben ook gedachten die onwezenlijk zijn, waarover men verder niet spreekt. Soms hebben we ook overleggingen met trucs, hebben strategieën. God kent dat alles.

Er zijn ook gedachten die geuit worden, die door anderen helemaal niet begrepen of helemaal verkeerd uitgelegd worden. We worden herhaaldelijk verkeerd begrepen. Maar er is er Eén, namelijk onze Heer, die weet wat wij werkelijk bedoeld hebben. Ook in deze zin verstaat Hij onze gedachten van verre. Een ongemeen troostrijke uitspraak. Zo vreesaanjagend het voor een ongelovige is, dat God mijn gedachten van verre kent, zo indrukwekkend en schoon is het voor mij als kind van God, als ik dat lees.

“Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend” (vs. 3).

Dit “omringen” kan ook met zeven, beproeven, meten weergegeven worden. En precies dat wordt hier bedoeld. God zeeft mijn gaan en mijn liggen, Hij beproeft en weegt het.

Laten we er op letten, dat het zitten in vers 2 zich tot een liggen in vers 3 ontwikkelt en het opstaan in vers 2 tot een wandel in vers 3. Hier is een van de vele voorbeelden, dat ons de interessante structuur van het Woord van God toont. Niet alleen wat God meedeelt is indrukwekkend, maar ook hoe God iets zegt.

Dan gaat het verder: “Gij zijt al mijn wegen gewend”. Zijn wij helemaal open en eerlijk bij deze uitspraak. Zijn wij graag kritisch op onszelf voor onze God? Onze menselijke natuur houdt daar niet van. We zijn allen meer geneigd, erkenning van anderen te zoeken en te hebben, dan ons in zelfkritiek voor God te laten beproeven. Hoeveel dubbelhartigheid is er in mijn leven, hoeveel trots en afgunst! Graag wordt dat verdrongen. Maar als God zeeft, dan blijft vaak niet veel over van onze werken. Alleen dat blijft over, wat van God zelf is. Al het andere is eigenlijk waardeloos voor Hem – ook wanneer wij menen, het beste gegeven te hebben. Vaak houden wij zelfs van erkenning en lof voor dat, waarover wij ons eigenlijk voor God zouden moeten verootmoedigen, omdat het in Zijn ogen bevlekt is.

Dat is ook van toepassing op de dienst voor de Heer. Moeten wij ook niet vaak de waardeloosheid en armoede inzien, als we voor de Heer staan en ons in zelfkritiek voor Hem beproeven? We mogen grote woorden zeggen, ook vaak grote woorden in gebeden vinden. Houdt alles stand wanneer Hij zeeft?

Hoe zelfkritiek in de dienst voor de Heer er kan uitzien, demonstreert Markus 6. De discipelen waren met prachtige bekwaamheden uitgerust: Zij predikten, hadden macht over onreine geesten en konden genezen (verg. vs. 7-13). Dan komen ze terug en zijn vervuld van zichzelf respectievelijk van hun werken. Dat kan men goed natrekken. “En de apostelen kwamen samen tot Jezus en berichtten Hem alles wat zij gedaan en geleerd hadden” (vs. 30). De les is duidelijk: Als de Heer ons schenkt iets voor Hem te doen, dan moeten wij ook aansluitend met Hem daarover spreken. Vaak blijft misschien minder over, dan wij meenden. Hoe dan ook – belangrijk is, dat Hij ons in de stilte voeren kan, opdat wij Hem en onszelf beter leren kennen.

Wordt D.V. vervolgd

NOOT:
1. Ik probeer steeds weer het verband met het Nieuwe Testament vast te stellen. Veel heeft David – die het thema van de zondenvergeving kende (Ps. 32:1) – zeker niet zo ondervonden als wij, die vandaag in de tijd van de genade het hele raadsbesluit van God kennen mogen. Maar het is immers juist het bijzondere, dat wij de Schrift op onze tijd en situatie toepassen mogen.

Uit: © Folge mir nach. Naar een lezing van Klaus Sander.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW