4 jaar geleden

Gemeente van God – ook in de eindtijd te praktiseren?

Het is zeker belangrijk dat we onszelf juist uitdrukken, wanneer we over de gemeente van God en de afzonderlijke aspecten van deze gemeente spreken. Dat was het onderwerp van het vorige artikel. Maar als basis voor de juiste wijze van uitdrukken, is het natuurlijk allereerst belangrijk, dat we goed begrijpen wat de gemeente van God is, wie ertoe behoort en wat dat dan betekent in de praktijk. Zo zien we aan de ene kant de genade van God die alle verlosten tot dit organisme heeft samengevoegd. Aan de andere kant erkennen we ook dat we verantwoordelijk zijn de goddelijke gedachten in de praktijk te brengen.

1. Wat de gemeente van God is

Alle mensen zijn van nature verloren zondaars. Maar ieder die door het geloof in de Heiland en Heer Jezus gered is, is nu in Hem met alle andere gelovigen verenigd. Ze zijn allen leden van één lichaam, de gemeente (kerk, Grieks ecclesia) van de levende God, kinderen van één Vader, en daardoor broeders en zusters. Alle opnieuw geborenen en met de Heilige Geest verzegelde Christenen behoren tot dit gebouw of huis van God, waarvan het fundament de Rots Jezus Christus is (Ef. 2:20,21). Hij bouwt Zelf doordat Hij levende stenen aan dit huis toevoegt (Matth. 16:18; 1 Petr. 2:5). Wat Hij bouwt is “goed samengevoegd” (Ef. 2:21) en bestaat alleen uit levende stenen. Zij allen zullen eenmaal in de heerlijkheid van de hemel zijn.

God wilde niet een verborgen lichaam, een onzichtbaar huis, maar een zichtbaar getuigenis van Zijn aanwezigheid op aarde. Daarop wijzen al in het Oude Testament de tent van de samenkomst in de woestijn en de tempel in Jeruzalem. In Zijn gemeente zal God verheerlijkt en betuigd worden op drie wijzen:

1. in Zijn liefde en zorg in Christus (als de bruid, de vrouw van het Lam; Ef. 5:25 e.v.);

2. in de eenheid en afhankelijkheid (als lichaam van Christus, 1 Kor. 12:12 e.v.) en

3. in Zijn gezag en aanbiddingswaardige grootheid en heiligheid (als huis of als tempel van God, Ef. 2:20).

Voor dit doel heeft Hij Zijn verlosten Zijn Heilige Geest, Zijn Woord, en in eerste instantie de apostelen en profeten gegeven, die in de verkondiging het fundament van de gemeente gelegd hebben, maar ook de meest verschillende genadegaven, met name de evangelisten, herders en leraars (Ef. 4:11–16).

2. Onze verantwoording

Hier moeten we een onderscheid maken. Aan de ene kant zien we dat de genade van God in Christus, “ons alles geschonken heeft wat tot het leven en de godsvrucht behoort” (zie: 2 Petr. 1:3). Aan de andere kant is er onze verantwoordelijkheid, om dat, wat Hij gegeven heeft, tot Zijn eer en tot onze zegen rein te bewaren. Paulus schrijft in zijn eerste brief aan Timotheüs: “… weet u nu hoe men [niet alleen Timotheüs, maar iedere christen] zich moet gedragen in het huis van God” (1 Tim. 3:15). De arbeiders aan deze bouw wordt toegeroepen: “Ieder dient er echter op toe te zien hoe hij daarop bouwt” (1 Kor. 3:10). Aan ons allemaal samen zegt de apostel: “Zo roep ik, de gevangene in de Heere, u op tot een wandel die de roeping waarmee u geroepen bent, waardig is” (Ef. 4:1). Deze roeping heeft betrekking op persoonlijke en gemeenschappelijke afzondering van de wereld en van alle valse “religie” en de scheiding van het openbare kwaad door het wegdoen uit het midden van de gelovigen (dat echter volgens Gods genadige bedoelingen alleen moet dienen tot het terechtbrengen; 2 Kor. 6:14 v.v. ; 1 Kor. 10:20-22 ; 1 Kor. 5; 2 Joh. :10).

3. Een blik in de kerkgeschiedenis

Als we terugkijken naar de negentien eeuwen geschiedenis van de vergadering (kerk) op aarde, dan beseffen we dat zij niet gebleven is bij dat, wat het vanaf het begin was. Deze ontwikkeling is profetisch al in Openbaring 2 en 3 in de zeven brieven aan de gemeenten voorzien. In plaats van een tot de hemel behorende vreemdeling, is de gemeente praktisch een gevestigde macht op aarde geworden. In plaats van liefde, zien we geschillen en haat, in plaats van eenheid menselijke groeperingen die men voor een deel nog als door God gewild kan zien, en in plaats van heiligheid onheilige verbinding van licht en duisternis, bijvoorbeeld bij het avondmaal, etc.

Maar we willen en mogen niet alleen het menselijk falen over de hele linie zien. We erkennen ook dankbaar dat er zelfs in de donkerste tijden van de middeleeuwen trouwe overwinnaars zijn geweest. Ik denk daarbij aan de Waldenzen, de Hussieten, en uiteindelijk ook aan Luther, Zinzendorf en vele anderen. Bij al deze hervormingsbewegingen was een ding gemeen: Ze herkenden de treurige toestand van de gemeente, die in haar praktische toestand ver van de gedachten van God verwijderd was. Zij treurden erover en scheidden zich meer of minder ervan af. Maar ze bleven toch stevig aan sommige menselijke instellingen, die tegen de Heilige Schrift waren (ambten, kerkenordeningen, belijdenissen, etc.), vasthouden. Zij keerden niet volledig naar Gods Woord terug. Er vormden zich zelfs nieuwe “kerken”, die in hun tijd ten opzichte van de oude positiever stonden.

4. God werkt nog

Al bijna 200 jaar bewerkte en bewerkt God op een bijzondere wijze in de zielen van vele verontruste ernstige christenen het verlangen om zich eenvoudig te vergaderen, zoals ze het lezen in Gods Woord. Ze wilden zich dus niet alleen van de menselijke en de eigenzinnige kerkelijke gemeenschappen scheiden, dat wil zeggen van de religieuze systemen waarin God niet meer vrij werken kon, zoals Hij het wil. Hij voedde in hen ook het verlangen geen “betere” vormen op te bouwen, die immers ook weer menselijk zouden zijn, maar zich van elke menselijke organisatie te onthouden en alleen volgens het woord van God te handelen. Hij ziet het hart aan en ziet werkelijke oprechtheid.

De Heer heeft deze christenen door Zijn woord duidelijk gemaakt, dat zij toen en wij ons vandaag volledig van de onbijbelse organisaties en verderfelijke leerstellingen, die voortdurend in het Christendom toenemen, af moeten scheiden. Dat er in de verschillende christelijke gemeenschappen gelovigen zijn, die tot het éne lichaam van Christus behoren, de zegen verspreiden en gezegend worden, blijft onbetwist en is een feit, dat ons dankbaar maakt. God houdt in zijn goddelijke wijsheid altijd rekening met de mate van persoonlijke kennis en oprechtheid. De Heer Jezus had echter ook duidelijk gemaakt, dat persoonlijke trouw en het verlaten van onbijbelse gemeenschappen alleen niet genoeg is. Dit is slechts de eerste stap naar een Hem welgevallig gemeenschappelijk handelen (2 Tim. 2:19-22). God wilde in zijn gemeente op aarde een zichtbaar getuigenis van Zijn Wezen voor de hele schepping creëren, en Hij heeft het ook gedaan (1 Petr. 2:9).

Om dit in de praktijk te verwerkelijken, is het nodig om terug te gaan naar wat van het begin aan was. Dat wil zeggen, we moeten ons afvragen hoe dit getuigenis van Zijn Wezen naar Zijn Woord moet worden vertegenwoordigd. Daarbij is het niet een kwestie van herstel van “de oorspronkelijke toestand” van de gemeente van God. De tijd waarin God door tekenen, wonderen, enz., meewerkte is voorbij (Hebr. 2:4). Ook de zichtbare, openlijke eenheid van het gehele volk van God is niet langer zichtbaar. Zij kan ook niet hersteld worden.

Het antwoord op dit schijnbare dilemma is eenvoudig: Gods Woord blijft Gods Woord. Ook vandaag de dag kan ieder uit liefde tot de Heer Jezus, “die de gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar heeft overgegeven” (Ef. 5:25), terugkeren naar de blijvende beginselen van het onveranderlijke Woord van God. Wanneer gelovigen dit met oprechte liefde voor hun Redder en Heer doen, mogen ze ook op Zijn belofte rekenen: “Waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden” (Matth. 18:20). Want ook in een tijd waarin christenen in vele verschillende christelijke groeperingen verspreid zijn, kan men “als gemeente” samenkomen (1 Kor. 11:18), indien men zich op het woord van God richt en de eenheid van de Geest in de band van de vrede bewaart (Ef. 4:3). Het kan zijn dat er slechts enkele verlosten samenkomen in zo’n plaats. Echter, als ze het doen in gehoorzaamheid aan God en in hun hart alle kinderen van God in het ene lichaam van Christus zien en dienovereenkomstig handelen, stellen zij deze gemeente van God in hun plaats zichtbaar voor.

Als ze zich echter niet gelijktijdig duidelijk en eenvoudig afzonderen van de door mensen opgerichte christelijke kerken en groepen mensen, kunnen ze geen werkelijk echt getuigenis van de “gemeente van God” zijn, maar zijn hoogstens een sekte met misschien een betere kennis van de Bijbel dan de rest.

5. Iets uit het Oude Testament

De boeken Ezra en Nehemia beschrijven de terugkeer van een klein overblijfsel van het eens zo grote volk Israël. De periode na de Babylonische ballingschap was zoals de huidige dagen in zeker opzicht een “Eindtijd”. Wat de tijd betreft behoren beide boeken met de profeten Haggaï, Zacharia en Maleachi bij elkaar aan het einde van de bijbels geschreven geschiedenis van het volk Israël. Daarna kwam “400 jaar van zwijgen”, waarna God “in Zijn Zoon” tot ons gesproken heeft (Hebr. 1:1).

Slechts een relatief klein aantal van 42.360 Joden keerde uit de grote massa van de in Babylon gevangen gehouden leden van het Joodse zuidelijk koninkrijk naar het land van hun voorvaderen terug. Daar begonnen zij onmiddellijk op de plaats, die de Heer gekozen had, het altaar van aanbidding en de gemeenschap met God “op Zijn plaats” weer op te bouwen. Vervolgens werden de voorgeschreven offers op dit altaar gebracht. Daarna gingen de teruggekeerde Joden de tempel, het huis van God, op  zijn plaats weer opbouwen, hoewel de oude glorie nooit weer bereikt werd. Ondanks menige weerstand van buiten en traagheid uit het innerlijk van het volk, deden zij dit alles in een voortdurend besef van de eenheid van het hele volk van Israël. Ze waren slechts een klein overblijfsel! Maar belangrijker is niet de numeriek veel sterkere etnische groep van naar Assyrië of Babylon gedeporteerde Israëlieten, maar de kleine groep teruggekeerden die door God als “geheel Israël” wordt erkend (Ezra 2:70)! Iedere Israëliet, ongeacht waar hij zijn mocht, behoorde tot het volk van God. Maar de weinigen die zich in het land Kanaän bevonden, dat wil zeggen, op de plaats waar Hij Zijn volk wilde hebben, erkende God openlijk als Zijn volk. Zij vertegenwoordigden het gehele volk. De Joden die later terugkeerden onder Ezra en Nehemia, voegden zich bij dit door God erkend overblijfsel en hielpen eensgezind bij de wederopbouw, en later ook de stad Jeruzalem.

Wat zou men ervan kunnen zeggen, als deze latere “teruggekeerden” naar Palestina in andere plaatsen altaren of tempels naar Jeruzalem’s patroon gebouwd hadden? Zoals er slechts één volk van Israël was, waartoe allen behoorden, zo was er slechts ook één stad van God en maar één plaats die de Heer had verkoren om Zijn naam daar te te laten wonen (Deut. 12:5). – De overdracht van dit beeld uit het Oude Testament op onze tijd en omstandigheden is niet moeilijk.

Ook de gemeente van God vormde vanaf het begin naar Zijn wil niet een naast elkaar bestaan van verscheidene gemeenten. Hoewel in het Nieuwe Testament afzonderlijke lokale groepen van gelovigen ook “gemeenten” worden genoemd: de gemeente in Korinthe, de gemeente in Thessalonika, enz. Maar ze zijn een deel van één geheel, de gemeente van de levende God. Dit “ene lichaam wordt weliswaar niet in haar geheel zichtbaar, maar met name door de samenkomsten in die plaats en door het bovenlokale bewaren van de eenheid van de Geest. Zo vertegenwoordigen de lokale gemeenten de wereldwijde gemeente in hun plaats. En dat is het eigenlijke doel van God voor Zijn volk op aarde: Zijn gedachten over het ene lichaam praktisch te verwerkelijken.

6. De ware eenheid

Volgens Gods plan is de gemeente in haar getuigenis, in het handelen en als ontvanger van het onderwijs één! “Er is één lichaam” (Ef. 4:4). Gemeenschappelijke problemen werden samen besproken en tot algemene kennis gebracht. De dienst van genade-gaven gold voor de leden van de ene gemeente in alle plaatsen en in alle landen en werd ook zo erkend. Ook het besturende handelen van de gemeente, dus het opnemen (of bij een zondige toestand: uitsluiten) van een kind van God in praktische gemeenschap plaatselijk, is niet uitsluitend een lokale aangelegenheid, maar geldt voor de gehele gemeente. Anders zou Paulus zich niet in de zaken van de gemeente in Korinthe “mengen” mogen (1 Kor. 5:3). Daarom spreekt de Here Jezus ook ervan dat het handelen van de plaatselijke gemeente “op aarde” gebeurt (het binden of ontbinden; Matth. 18:18). Deze dingen waren en blijven het kenmerk van de gemeente van God, en dus ook van al diegenen die vandaag in overeenstemming met hun verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor God leven willen.

De eenheid van de gemeente van God op aarde berust niet daarop, dat verschillende gemeenten zich verenigen of elkaar erkennen, maar daarop, dat alle gelovigen leden van het ene lichaam zijn. De gemeente op een plaats is in elk geval de uitdrukking en representatie van het ene lichaam (1 Kor. 12:27). De praktische realisatie of de vertegenwoordiging van de eenheid van het lichaam in de juiste innerlijke houding wordt de eenheid van de Geest genoemd. Dit moeten we in de band van de vrede bewaren. Dat wil zeggen, we willen van harte gemeenschap aan de tafel van de Heer beoefenen en dus het brood breken met al diegenen, die als kinderen van God de Heer uit een rein hart aanroepen (2 Tim. 2:22) – en we handelen volgens die plicht, diegenen van deze praktische gemeenschap uit te sluiten, die zich bewust met kwaad verbinden.

Moet het ook niet onze wens zijn, tot aan de spoedig komende Heer Jezus de voorgeschreven weg volgens Zijn woord te betreden? De Heer Jezus kan van ons gehoorzaamheid aan zijn Woord verwachten. Geloof is immers gehoorzaamheid en vertrouwen. Dit is in overeenstemming met Gods Woord voor de erkenning en het verstaan. God zal zo’n geloof belonen.

© Folge mir nach, Arend Remmers

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol