4 jaar geleden

Ceremonie als vervanging van Gods aanwijzingen

2 Samuel 6:1-23

De eerste gedachte van David voor de inhuldiging van zijn koninkrijk was de ark van God. Hij verzamelde 30.000 mannen, allen gekozen mannen uit Israël, maar deze keer niet voor een strijd, maar om de ark van God op een waardige manier naar Jeruzalem te leiden. Wij kunnen de persoon van de Heer Jezus nooit genoeg eer bewijzen. Alleen moet dit eerbetoon, deze aanbidding Hem met inzicht en gehoorzaamheid aangeboden worden. Volgens de goddelijke instructie moet de ark op de schouders (Num. 7:9) gedragen worden. Maar David en zijn volk hebben daar geen waarde aan gehecht. Volgens hun mening was een nieuwe wagen, zoals de onwetende Filistijnen er een gebruikt hadden, voor de overbrenging veel beter geschikt. Was dat niet veel praktischer dan het vervoer te voet? En dan wordt Uzza achterhaald door de dood*. Grote ontsteltenis ! We zouden hem niet als zo schuldig hebben gezien. Maar toch! God wil ons, zowel David, te verstaan geven, hoe ernstig het is om zijn instructies te vervangen door onze goede bedoelingen en onze eigen bepalingen, vooral als het om aanbidding gaat.

Wat een schrijnende verstoring van deze prachtige ceremonie! David is tegelijkertijd vol van woede en vol angst, en laat de ark van de HEER wegbrengen en verliest daarmee een zegen, die daarvoor het huis van Obed-Edom toekomt.

De ark van God is drie maanden bij Obed-Edom gebleven, en heeft hem en zijn familie zegen aangebracht, die niet onopgemerkt bleef (vs. 12). Dit is een aangrijpend beeld van de Heer Jezus, die in het huis van de gelovigen aanwezig is. Als we gewoon zijn om dicht bij de Heer te leven, zullen degenen, die ons kennen, dat waarnemen. En dan zullen ook zij deze zegen genieten willen, die Hij ons heeft gegeven.

Nu handelt David, die de les heeft geleerd, naar de gedachten van God: de ark wordt door de Levieten gedragen, die zich hebben geheiligd, en hij zelf legt zijn koninklijke majesteit af, en geeft aan zijn vreugde uitdrukking door te dansen voor de ark. In de evangeliën wordt ons niet meer de ark, maar de Heer Jezus als persoon ons getoond, zoals Hij in dezelfde stad Jeruzalem in het midden van de vreugde van degenen die juichen voor Hem, Zijn intocht doet (Matth. 21:9).

Na zes stappen werd een offer gebracht. Dit doet ons aan de wandel en aan de verering van de Christenen denken.

Nu waren er geen obstakels meer. Het gehele volk kon ongestoord genieten. In de brandoffers brachten zij hun waardering tegenover de Goddelijke Majesteit en in de vredeoffers hun dankbaarheid jegens God tot uitdrukking. David verheugde zich in grote mate in Gods genade jegens Israël en tegenover Hemzelf. Hij bracht dit bewustzijn tot uitdrukking door de royale verdeling van koeken en wijn aan het gehele volk.

Maar iemand verheugde zich niet mee: Michal, de dochter van Saul. Zij wordt twee keer zo aangehaald maar niet als vrouw van David genoemd. In haar hart was ze een dochter van Saul gebleven, die de vreugde van David jegens zijn God belachelijk vond en zich daaraan ergerde. In haar ongelovige hart was er geen gevoel voor de aanwezigheid van God, want ze had geen relatie met Hem. Maar David liet zich door de beschuldiging niet afschrikken. Voor hem is en blijft de nabijheid van zijn God waardevoller dan de troon zelf.

Noot vertaler:

*  Vergelijk Numeri 4:15.

Uit: “Dag na dag de Bijbel” (Jean Koechlin)

© www.bibelkurs.com

Geplaatst in: , ,
© Frisse Wateren, R. Mol