4 jaar geleden

Ezra 3 vers 3 (1)

“En zij plaatsten het altaar op zijn fundament, hoewel er verschrikking over hen was vanwege de volken van de landen rondom. Zij brachten daarop brandoffers voor de HEERE, brandoffers  voor de ochtend en voor de avond”.

Toen de joden uit hun ballingschap in Babel terugkeerden naar Jeruzalem in hun vaderland, vonden zij een troosteloze aanblik van puin voor zich uitgespreid. Hoe ellendig moeten zij zich hebben gevoeld bij dit panorama. De soldaten van Nebukadnezar hadden de stad indertijd grondig verwoest. Het is ook mogelijk dat pas nu zij zich ervan bewust werden van het feit dat de inwoners van het land hen beschouwden als indringers en vijanden. Het was een verschrikkelijke situatie om in te zijn!

Wat moeten gelovigen in zo’n situatie doen? Wat zouden wij doen? Zouden we kennis nemen van de externe gevaren die ons bedreigen? Of zouden we concessies doen aan de vijanden van God? Het volk van God in die tijd reageerden anders: zij zochten het aangezicht en tegenwoordigheid van God. Het was belangrijk voor hen dat zij de goedkeuring van God vonden en Zijn aanwijzingen op te volgen. Zij gaven de voorkeur aan het offeren en offerden brandoffers. Dachten zij niet aan een goede relatie met hun vijanden, of gingen op zoek naar hen die gelijkgezind waren? Helemaal niet!

Toegepast op onze bedeling zouden we kunnen zeggen dat zij spraken tot God over Christus op de plaats die Hij aangewezen had. God zelf en Zijn belangen waren het allergrootste belang. Wat betekent dit voor ons? In aanbidding gemeenschap hebben met de Vader en de Zoon, hetgeen een uitermate grote en voortdurende blijdschap brengt. Het is iets om te ervaren en de Heilige Geest wil dat in ons teweegbrengen. Oppositie, de wereld, onze problemen – al het andere verdwijnt op de achtergrond.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol