11 jaar geleden

Evolutie – Kool, Neandertaler en haaien (I)

Is er een evolutietheorie? De schoonheid en veelvoud van het leven spreken heel duidelijk van een Schepper. Jammer dat de meeste wetenschappers Hem bij voorbaat uit hun overwegingen verbannen! Wetenschappelijke theorieën over het leven hebben veel meer zin en geven veel meer vreugde, wanneer men de levensbron niet verloochent … Alleen een Schepper, die niet aan de voorhanden zijnde materialen en structuren gebonden is, kan iets nieuws tevoorschijn laten komen … En daarbij hoeft Hij niet te goochelen met miljoenen jaren zoals vandaag vele wetenschappers doen. Bent u nu niet nieuwsgierig? ..

– Overwegingen over het ontstaan van het levende wezen

1. Wat uit kool worden kan

Laten we met een voorbeeld beginnen. Met kool. Velen houden ervan, velen wat minder. In ieder geval is hij veelzijdig. Er zijn onder andere bloemkool, spruitkool, Chinese kool, groene kool, witte kool, rode kool, om van savooiekool, koolzaad en koolrapen nog maar te zwijgen. Het fascinerende is, dat al deze kolen om zo te zeggen broers en zussen zijn. Zij zijn namelijk door kweek uit de “oer-kool” voortgekomen. Men kan het heden tendage nog gedeeltelijk natrekken; want vele kweekvormen zijn er pas sinds de Middeleeuwen of later. De oerkool (wetenschappelijk; Brassica oleracea var. oleracea L., wildkool) komt vandaag nog aan de kusten van de Middellandse Zee en aan de Atlantische Oceaan voor, maar ook op Helgoland, waar zijn gele bloesem een vaak gefotografeerd attraktief kleurcontrast tegen de rode rotsen bieden. Het is een werkelijk nietige plant, dat het “in zich” heeft. De ons welbekende koolsoorten zijn uit deze plantjes door kweek voortgebracht. Dat betekent: de wilde vorm behoudt de erfinformatie voor alle verschillende kenmerkde vormen, die ons vanaf het middagbord toelachen. En toeruiken; want zo helemaal hebben de kolen hun “stalreuk” niet kunnen afleggen …

De kool leert ons daarmee een paar evolutie-biologisch belangrijke feiten:

  • Er is evolutie. Alleen: zij kan niet alles. Door mensen bedwongen of door natuur bewerkte verandering van dier- en plantensoorten, dus kweek, kan namelijk het aanzien sterk veranderen. Maar iets principieel nieuws kan het niet brengen. Bij bloemkool bijvoorbeeld is de bloesem (“bloemen”) van de kool bijzonder fors opgekweekt, maar bloesem heeft de wildkool ook. Bij witte kool en savooiekool is de stengel heel kort en zijn de bladeren groot en zitten dicht op elkaar. Maar stengel en bladeren heeft de wildkool ook. En die zijn in wezen aan die van zijn groentezusters geheel gelijk.
  • Kweek en natuurlijke teeltkeus (= evolutie) kunnen alleen een uiterlijke verandering van het voorhanden zijnde doen ontstaan; zij kunnen geen nieuwe kenmerken, organen of iets dergelijks voortbrengen. Het zou moeilijk zijn, een kool te kweken die aardbeivruchten draagt. Vaak zijn door kruising verrassende dingen geteeld. Maar dan grijpt men ook weer alleen terug op wat voorhanden is, namelijk die de erin gekruiste soort meebrengt.
  • Het weelderige of gecompliceerd uitzien van een dier- of plantensoort kan geweldig misleiden. Zo maakt een uitgegroeide bloemkool in alle gevallen meer indruk dan zijn tengere voorvader. Ondanks dat is hij een arm kind, wat zijn erfgoed aangaat. Want bij het opkweken van de bijzondere kenmerkcombinatie, die zo een bloemkool tot een bloemkool maakt, is een hele reeks andere erfinformatie achter gebleven. Dat ziet men heel praktisch bijvoorbeeld daaraan, dat men uit de nietige wildkool al die anderen daaruit telen kan. Maar vanuit bloemkool kan men niet bijvoorbeeld tot een groene kool komen of omgekeerd. Wildvormen van dier- en plantensoorten zijn genetisch (dus wat het erfgoed aangaat) “rijker” dan daaruit geteelde soorten.

Dan maken wij nu gelijk maar een sprong naar onze gemeenschappelijke voorouders, naar Adam en Eva. Zagen zij eruit als zwart-Afrikanen, Aziaten, Europeanen …? Geen van allen; maar zij droegen de erfinformatie voor alle menselijke rassen in zich, die zich later vormden. Deze stelling kan men niet bewijzen, maar zij heeft zin. En zoals men van bloemkool niet tot een groene kool komt, zo komt uit een wit ras geen zwarte (het zij dan wanneer men die beiden “kruist”. Maar dat is iets anders).

Nog een voorbeeld: Hondenrassen. Een herdershond van zuiver ras en een herdershond van zuiver ras geven een hershond van zuiver ras. Een hond van gemengd ras en een of andere hond brengen een verrassing – respectievelijk meerdere verrassingen; want de welpen van zo’n worp kunnen er helemaal verschillend uitzien. JUNKER en SCHERER hebben daarover een mooie afbeelding (zie LITERATUUR aan het einde van het artikel). Deze beiden en andere wetenschappers hebben zich intensief met de vraag bezig gehouden, wat de Bijbel bedoelt, wanneer zij zegt, dat God alle dieren “naar hun aard” (Genesis 1:21,24,25) geschapen heeft. Wat kan “aard” biologisch betekenen? Ongeveer alle diersoorten, -rassen en -varianten, die er zo al zijn en waren? Dat niet. Maar onze overwegingen over kool, Adam, Eva en honden laten ons dit model, dat zich op de Bijbel grondt, gemakkelijk verstaan. God schiep om zo te zeggen “Ur-typen” of (zoals men zegt:) “grondtypen”. Een grondtype “hondachtigen”, een grondtype “eendachtigen” enzovoorts. Deze grondtypen behielden het gehele kenmerk-veelvoud, die wij vandaag – naar hun natuurlijke voorteling – in de natuur tegenkomen en genieten (zie JUNKER/SCHERER 1988 en SCHERER 1993).


 

Teelt respectievelijk evolutie kunnen geen nieuwe organen, kenmerken of iets dergelijks voortbrengen


 

Nemen we nog eens vast, wat wat we nu geleerd hebben: Teelt respectievelijk evolutie kunnen geen nieuwe organen, kenmerken of iets dergelijks voortbrengen, maar leiden veelmeer omgekeerd tot een verarming van het erfgoed ten gunste van geheel bepaalde kenmerken. Dat is een biologisch feit die absoluut vaststaat. En het is een onweerlegbaar argument tegen een geleidelijke “hogere ontwikkeling” in tot steeds gecompliceerder organismen. Later willen we verdere argumenten voor een scheppingsfeit en tegen een biologische evolutie kort samengevat leren kennen.

2. Is er een evolutietheorie?

Het antwoord op deze vraag luidt: Niet slechts één, maar vele! En dat is belangrijk.

Het moet ons immers om de verdere en hogere ontwikkeling van het schepsel gaan. Of leven eigenlijk uit dode materie, of de wereld uit het niets ontstaan kan, dat moet extra behandeld worden. Maar om de “weg” van ééncellig dier tot mens, daarom gaat het. Dan is het allereerst belangrijk als leek te weten, dat er in de wetenschap zo’n “weg” niet bestaat. De voorstellingen van de wetenschappers komen slechts op één punt samen: het moet alles op de een of andere manier “vanzelf” gegaan zijn. Hoe in details – daartoe zijn er de meest verschillende theorieën. Deze theoriën zijn inderdaad zo verschillend, dat men van “dé evolutietheorie” met een goed geweten helemaal niet spreken kan. Sommigen geloven in een heel langzame hogere ontwikkeling waarbij zich het levende wezen via mutatie1 (erfgoedverandering) en selectie2 (keus van bepaalde eigenschappen respectievelijk soorten) ontwikkeld zou hebben. Dat noemt men Neodarwinisme3. Anderen geloven in sprongsgewijze verandering en hogere ontwikking. Men spreekt ook van “hoopvolle monsters” (hopeful monsters4), dus tussenvormen die zelf niet levensvatbaar waren, echter die zich tot nieuwe soorten ontwikkeld zouden kunnen hebben. Weer anderen bestempelden (formuleerden) het begrip van de “cybernetische evolutie”, dus een evolutie dat een of andere programma volgt. Daarbij wordt echter absoluut betwist, dat dit programma door iemand geschreven is, of dat het een doel of zou kunnen dienen.

Een samenvatting uit een discussie over evolutietheorieën, is na te lezen in SCHMIDT 1988 (zie literatuur):

Prof. Bauer (verdediger van de neo-Darwinistische theorie): “Mij dunkt, u hebt het begrip van de lieve God door het begrip Cybernetisch vervangen”.

Prof. Schmidt (verdediger van de cybernetische evolutie): “Ik kon met wezenlijk groter recht kunnen beweren dat het neo-Darwinisme de lieve God door het begrip toeval zou verwisseld hebben, dat eveneens almachtig, alwetend en alomtegenwoordig is”.

Wij herhalen: “” evolutietheorie is er niet, maar een tegenspraak van de meest verschillende theorieën. In wezen is de wetenschap hier in een doodlopende straat, zoals ook de evolutiebiologen toegeven. Over één ding is het men alleen eens, dat de mogelijkheid van een schepping door een persoonlijke God onmogelijk is. Daarom hebben wij in het volgende slechts enkele principiële ideeën over het ontstaan van het schepsel beschouwd. Want tegen “dé” evolutietheorieën kan men immers geen stelling nemen. Bovendien willen wij ook niet een of andere theorie weerleggen. Maar het gaat ons erom aan te tonen, dat de schoonheid en veelvoud van het leven heel duidelijk van een Schepper spreken. Jammer dat de meeste wetenschappers Hem bij voorbaat uit hun overwegingen verbannen! Wetenschappelijke theorieën over het leven hebben veel meer zin en geven veel meer vreugde, wanneer men de levensbron niet verloochent …

Bloemenschaal 300

3. Mutaties1, Dinosauriërs en Neandertalers. Overwegingen, vragen, problemen van de biologische evolutie

Mutaties

In biologische laboratoriums worden sinds vele jaren pogingen tot mutaties aan planten en dieren gedaan. Alle aangebrachte mutaties, dus veranderingen aan erfgoed of uiterlijk van het schepsel, alsook alle in de natuur waargenomen mutaties leidden niet tot het ontstaan van nieuwe, maar alleen tot verandering of verlies van bestaande kenmerken. Men spreekt van micro-evolutie, die natuurlijk door nemand betwijfeld wordt en die wij bij de koolsoorten al tegengekomen zijn. Daartegen is er voor de macro-evolutie geen bewijs en geen voorbeeld. Macro-evolutie zou het optreden van kenmerken zijn bij een schepsel, die dit voorheen noch uiterlijk noch in zijn erfgoed bezat.

Talrijke pogingen hebben bewezen: Het erfgoed van het schepsel is zeer stabiel. Ieder grote verandering die aan het erfgoed voorgenomen wordt of plaatsvindt, voert of tot de dood van het organisme, of zij wordt in de volgende generatie of navolgende generatie weer verwijderd – verdwijnt eenvoudig. Bijvoorbeeld heeft men vleugelloze fruitvliegen gekweekt. Laat men de vliegen weer “met rust”, dan verdwijnt het voorheen over generaties stabiele kenmerk “geen vleugel” zeer snel, en navolgende generatis genieten zich weer van hun vleugels.

Een geleidelijke “aangroeiing” van vele kleine veranderingen tot een grote is biologisch volledig onbewezen. Integendeel: het schepsel is zo voortreffelijk uitgerust en aan hun omgeving aangepast, dat elke grote verandering zoals bewezen is, alleen maar schadelijk is. En deze vergaande aanpassing geldt naar de bevindingen van de paleontologie5 – de leer van het levenswezen – ook voor uitgestorven levenswezens.

Wij houden dus vast: Een verandering van de kenmerken in grote stijl is noch bewezen, noch heeft zij een bekend levenswezen nodig, want allen zijn, zoals zij zijn, wonderbaarlijk levensvatbaar. Alles spreekt ervan, dat zij door schepping in een daarvoor geschapen levensomgeving geplaatst werden, zodat wij ons alleen verwonderen kunnen over de schoonheid en veelvoud van het leven – en over de grootte en de vindingrijkheid van de Schepper.

Selectie2

Maar kan niet door selectie iets nieuws ontstaan? Wanneer men bijvoorbeeld een aantal organismen van één soort heeft, zo zullen die niet allemaal volledig gelijk zijn. Die om te overleven het meest bekwaam zijn, overleven; daardoor zetten zich hun verbeterde kenmerken door, en zo komt het tot een hogere ontwikkeling.

Juist. Maar: Selectie (keus) stelt bij voorbaat, dat iets om uit te kiezen voorhanden is. En dat moet in de eerste plaats tot stand gebracht worden. Wie brengt dit tot stand? Zoals wij juist gezien gezien hebben, kan door mutatie alleen binnen zeer, zeer nauwe grenzen een keus tot uitkiezen ter beschikking gesteld worden. Om het nog eens heel simpel te zeggen: Mutatie en selectie kunnen uit kleine appels dikke appels maken en omgekeerd, maar niet uit appels aardbeien. Ieder tevergaande mutatie leidt tot de dood. En dan helpt ook de selectie niets meer; want de keus-(selectie-) mogelijkheden zijn maar zeer beperkt.

Weismanns beperkingen

Aangenomen, een dier of mens verwerft in de loop van zijn leven een evolutionair voordeel – langere benen, stabieler hart, vaster opperhuid, gevoeliger gezichtsvermogen – wat dan ook. Hoe moet het of hij dat dan aan zijn nakomelingen vermaken? Want de erfinformatie in de voortplantingscellen (ei, zaad) van een levend wezen liggen op het moment van zijn eigen verwekking vast en veranderen zich in de loop van zijn leven niet meer. Ook wanneer ons levenswezen voor zichzelf de meest dwaze resultaten verwerft – zijn nakomelingen zullen niets daarvan merken. Want de informatie uit de verbeterde lichaamscellen komt niet in het bezit van de voortplantingscellen. Dat is een biologische wet en heet Weissman-beperking. Het sluit voor alle organismen die zich geslachtelijk voortplanten, een hogere ontwikkeling door geleidelijke kenmerkverbetering uit. Weliswaar kunnen voorhanden zijnde kenmerken door bewuste of onbewuste teelt versterkt worden, maar precies alleen al voorhanden zijnde. Weer de oude problematiek: Van niets komt niets. Ook niet door evolutie.

Vertegenwoordigers van een bepaalde richting van de evolutietheorie zouden nu aanvoeren, dat zich de evolutie toch niet aan individuelen (afzonderlijke schepsels) voltrekt, maar aan populaties (groepen van levenswezens). Maar wat verandert dat? Wanneer het individu zijn moeilijk verworven “voordelen” niet verder geven kan, hoe moet zijn groep daarvan profiteren? Welteverstaan, het moet om duidelijke veranderingen van het schepsel gaan. Wanneer bijvoorbeeld een menselijke volksstam (zoals in Kenia) de eigenschap, met een volhardend uithoudingsvermogen te kunnen lopen, verder ontwikkeld heeft, zo bewijst dat nog lang niet evolutie in grote stijl. Het bewijst opnieuw alleen, dat zich voorhanden zijnde kenmerken/eigenschappen binnen zekere grenzen veranderen kunnen. Een tot vliegen in staat zijnde volksstam kan de evolutie niet doen ontstaan …

Alleen een Schepper, die niet aan de voorhanden zijnde materialen en structuren gebonden is, kan iets nieuws tevoorschijn laten komen.

Over mutatie, selectie, recombinatie6, soortuitsplitsing, punctualisme7 enzovoorts bevinden zich in het uitblinkende leerboek van JUNKER en SCHERER 1988 uitvoerige overwegingen en voorbeelden, zodat wij daarop niet nader in moeten gaan.

Wordt D.V. vervolgd.

Peter Imming, © Folge mir nach

NOTEN VERTALER:
1. Mutatie: verandering in het erfelijk materiaal (Wikipedia).
2. Selectie is de in de biologie (genetica) gebruikte term voor het fenomeen dat niet alle individuen van een generatie zich succesvol voortplanten. Het is een belangrijk onderdeel van de evolutietheorie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen natuurlijke selectie en seksuele selectie (Wikipedia).
3. Neodarwinisme is de stroming binnen de biologie die de evolutietheorie van Darwin combineert met de erfelijkheidsleer van Gregor Mendel. De centrale opvatting binnen het neodarwinisme is dat de combinatie van mutatie en natuurlijke selectie leidt tot evolutie. De redenering is als volgt: organismen geven genen door aan hun nakomelingen, daarbij worden genen zo nauwkeurig mogelijk gekopieerd. Hierbij worden af en toe fouten gemaakt: mutaties. Door een mutatie ontstaat een allel van een nieuw gen. Deze genen kunnen ook worden doorgegeven aan de nakomelingen, waardoor een mutatie zich in een populatie kan verspreiden. Natuurlijke selectie zou dan de verspreiding van een mutatie in een populatie tegengaan of bevorderen. Wanneer binnen een populatie de relatieve frequentie van het gen toeneemt, is er per definitie sprake van evolutie (Wikipedia).
4. Het hoopvolle Monster is de informele termijn die in evolutieve biologie wordt gebruikt om een gebeurtenis van onmiddellijk-soortvorming, sprongvorming of systemische verandering te beschrijven, die positief tot de productie van nieuwe belangrijke evolutieve groepen bijdraagt. De gedenkwaardige uitdrukking werd gemunt door de Duitse geboren geneticus Richard Goldschmidt (1878-1958), die geloofde dat de kleine geleidelijke veranderingen geen hypothetische waterscheiding tussen micro-evolutie en macroevolution konden overbruggen (Wikipedia).
5. Paleontologie is de wetenschap die de ontwikkeling van het leven op onze planeet in het geologisch verleden, gebaseerd op alle fossiele resten of sporen van planten en dieren, (o.a: dinosauriërs) bestudeert. De paleontologie omvat tevens het bestuderen van de afstamming en verwantschap van uitgestorven soorten met nu levende organismen, hun leefomgeving (paleomilieu) en de chronologie van de geologische geschiedenis van de Aarde (Wikipedia).
6. Recombinatie: een herschikking van de genetische eigenschappen van een individu (Wikipedia).
7. Punctualisme: Punctuated Equilibrium is een ondertheorie van de evolutietheorie die een verklaring geeft voor plotselinge sprongetjes in evolutionaire lijnen van fossiele soorten, zoals we die kunnen volgen in de geologische kolom. Er bestaat niet echt een Nederlandse vertaling van dit begrip, maar de aanduiding ‘onderbroken evenwichten’, wordt wel eens gebruikt, en de term ‘punctualisme’ voor de wetenschappelijke stroming die het omvat (Wikipedia).

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM