10 jaar geleden

Enkele bijbelse gedachten over: bekering

Bekering is vooral de erkenning van het oordeel van God, dat de mens door zijn ongehoorzaamheid verloren is en gered moet worden. Bekering betekent: omkeren van de tot dan toe gegane weg van de zonde, de eigen wil en de onverschilligheid tegenover God. Het is een zich wenden tot God met de belijdenis: “Ik ben een zondaar en heb het oordeel verdiend”. Zij sluit berouw en droefheid over onze verderfelijke toestand mee in.

Bekering brengt de ziel in overeenstemming met God, en zonder ware bekering is een echt, reddend geloof niet denkbaar. In Lukas 18 vers 9-14 toont de Heer, wat hoogmoed respectievelijk bekering is. Hij spreekt van de farizeeër die in de tempel gaat om te aanbidden en zegt: “O God, ik dank U, dat ik niet ben zoals de andere mensen …”; maar dan spreekt hij van de tollenaar, die aanbidden wilde en het niet eens waagde om zijn ogen tot de hemel op te heffen, maar zich op de borst sloeg en sprak: “O God, wees mij, zondaar, genadig”. Dat was ware bekering. En dan zegt de Heer, en dat is verbazingwekkend: “Ik zeg u: Deze ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, meer dan die”.

Wanneer een mens op deze wijze tot God komt en om genade vraagt, dan schenkt God hem het kostbaar geloof in de Heer Jezus en Zijn wonderbaar werk op Golgotha.

De eerste stoot tot bekering gaat altijd van God uit. Hij werkt in de harten van de mensen op velerlei wijze, maar Hij dwingt niemand tot bekering. De mens moet bereid zijn om te komen. Een aansporing tot bekering vinden wij in het Oude Testament in ongeveer 1.050 gevallen en in het Nieuwe Testament ongeveer 120 maal. In Romeinen 2 vers 4 vinden we, dat de goedertierenheid van God tot bekering leidt. In Handelingen 11 vers 18 lezen we, dat God ook de volkeren de bekering ten leven gegeven heeft. Jeremia zegt al: “Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn” (31:18). God wil niet dat iemand verloren gaat, maar allen tot bekering komen (2 Petr. 3:9).

Op de weg van bekering wordt de mens in de geest van zijn gemoed vernieuwd: hij trekt in zekere zin de nieuwe mens aan, die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid (Ef. 4:23-24).

In Markus 1 vers 15 staat: “Bekeert u en gelooft in het evangelie”. Na het aannemen van het evangelie verzegelt God de gelovigen met de Heilige Geest van de belofte (Ef. 1:13-14).

In positie is de gelovige daardoor met God verzoend. Christus is voor hem wijsheid van God en gerechtigheid en heiligheid en verlossing geworden. Hij is nu een kind van God, een lid van het lichaam van Christus en bezit in Hem eeuwig leven.

In de praktijk echter is een voortschrijdende kennis van de waarheden door de werkzaamheid van de Heilige Geest onontbeerlijk. Erkent de gelovige dan, dat het werk van Christus niet alleen zijn zonden, maar ook de zonde, dat betekent dat wat hij van nature is, weggedaan heeft, dan geniet hij volkomen vrede met God.

In de toewijding aan Christus vindt de gebondenheid aan het zondige handelen van de wereld haar dood (Gal. 6:14). De echtheid van de bekering en het geloof moet door de vruchten van het nieuwe leven bewezen worden. Een geloof zonder werken is dood. Men lette erop, dat het geloof twee zijden heeft. Toen Abraham in Genesis 15 God geloofde, rechtvaardigde God hem, want God zag zijn geloof: Dat is het innerlijk geloof. Maar het geloof, dat de echte bekering moet bewijzen, is het naar buiten toe zichtbare geloof, zoals Jakobus het ons voorstelt. Een levend geloof brengt altijd vruchten voort die de bekering waardig zijn. Dit zijn geen voorwaarden voor de redding, maar de gevolgen van de waarachtige bekering.

De gelovige bezit eeuwig leven, en hij is door het offer van de Heer Jezus voor altijd volkomen gemaakt; dat is zijn positie voor God, die alleen op het werk van onze Heer gegrond is (Hebr. 10:14). Maar het nieuwe leven moet onderhouden worden, anders verkommert het. Als wij naar het vlees leven, zullen wij sterven (Rom. 8:13), dat betekent de toestand van de dood (de geestelijke dood) neemt weer plaats. Er moet op gelet worden, dat de positie, die God ons in Christus op grond van Zijn werk gegeven heeft, daardoor niet beroerd wordt. God grijpt in zo’n geval met tucht in, om ons weer terecht te brengen; maar hoe smartelijk zijn zulke oefeningen!

Er moet op gelet worden, dat men ook alleen “aangespoord” zijn kan! (verg. Matth. 13:20). Men neemt het Woord met vreugde aan, zoals de vijf dwaze meisjes; zij hebben een belijdenis (een lamp), maar er ontbreekt olie in het vat. Olie is in de Schrift altijd een beeld van de Heilige Geest. Er ontbreekt het leven uit God, en dat is een gevaarlijke toestand (zie ook Hebr. 4:2,6).

Ook voor gelovigen is bekering van betekenis. De permanente zelfbeproeving in 1 Korinthe 11 is mijns inziens een voortdurende “bekering”. Ook de Heer Zelf roept in de zendbrieven de vijf gemeenten in Openbaring 2 en 3 op zich te bekeren en daardoor de praktijk en de gezindheid weer de juiste richting te geven (zie Openb. 2:5,16,21; 3:3,19).

Ezau vond geen ruimte voor bekering, omdat hij weliswaar de zegen zocht, maar niet de bekering, hij was een verachter van de gaven van God (Hebr. 12:16-17).

God gebiedt dat allen zich overal moeten bekeren (Hand. 17:30).

Wordt er bekering bewerkt, is het echter toch uiteindelijk Gods werk (zie ook Tit. 3:5; 1 Petr. 1:23; Jak. 1:18; 1 Kor. 4:15).

Artur Sieper.

© Ernst-Paulus-Verlag, Postfach 100856, D-67408 Neustadt
(www.ernstpaulusverlag.de)
Achtung: Geänderte Postleitzahl von 67434 auf 67408!!!

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW