11 jaar geleden

Eenheid onder de kinderen van God (1)

Voor we iets over de eenheid schrijven, bepaal ik u eerst bij een ernstig lied dat zich ootmoedig buigt onder de verdeeldheid van de kinderen van God. Wij kunnen natuurlijk die eenheid, waarvan zo bedroefd weinig te zien is, ook verdoezelen of eenvoudigweg negeren. Maar een ieder die zich ook maar enigszins bewust is van de gedachten van God op dit punt, zal ongetwijfeld kunnen instemmen met dit lied, dat ons oog ook richt op de toekomst. De wens van de schrijver is, dat het hier niet bij blijft maar het ons ook in gebed uitdrijft naar Hem die alles weet en ziet, maar ook helpen wil.

Heer Jezus, kom!

Hoe verdeeld zijn hier Uw leden!
Heer Jezus, kom!
De eenheid vinden wij vertreden,
Heer Jezus, kom!

Die zich broeders mogen heten,
Kind’ren van één Vader weten,
Hebben droef Uw wens vergeten!
Heer Jezus, kom!

Geen verdeeldheid in Uw woning,
Heer Jezus, kom!
Eén zijn wij bij Uwe kroning,
Heer Jezus, kom!

Als Gij komt om ons te ontmoeten,
Zullen we U vereend begroeten,
Saam ons buigen aan Uw voeten:
Heer Jezus, kom!

Wie

Het is ook goed om vooraf vast te stellen ‘wie’ bij de eenheid, waarover de bijbel spreekt, betrokken zijn. Dat vinden we in die bekende woorden in Johannes 17:20: “En Ik vraag niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, zoals U Vader, in Mij en ik in U, opdat zij in Ons één zijn”. Het gaat dus om de Heer Jezus, om de Vader en om hen die in de Heer Jezus geloven (zie ook vers 11). Dat helpt om te begrijpen dat alle wereldgodsdiensten hierbij absoluut niet betrokken zijn. Alleen zij dus die in de Heer Jezus geloven, die weten dat niemand tot de Vader komt dan door Hem. Er is één weg tot de Vader. Dat geeft al veel licht op de huidige tendens om ‘alles op één hoop te gooien’ als ik mij zo even mag uitdrukken. Dat is beslist niet naar de gedachten van God. We laten dit dus daarom ook voor wat het is en richten ons uitsluitend op hen die in de Heer Jezus Christus geloven of belijden in Hem te geloven.

De grondslag van de eenheid

De grondslag voor iets is altijd heel belangrijk, zo ook voor de eenheid. En juist daarover wordt zó verschillend gedacht, terwijl dit eigenlijk zo eenvoudig en helder beschreven wordt in de bijbel. De enige ware grondslag is de Heer Jezus Zelf! Hij is het fundament van de gemeente1 (zie 1 Korinthe 3:11), en dus ook voor de eenheid van de kinderen van God. Daarvoor herinneren we aan het woord uit Johannes 11:51-52: “Dit nu zei hij niet uit zichzelf, maar daar hij hogepriester in dat jaar was, profeteerde hij dat Jezus zou sterven voor het volk; en niet alleen voor het volk, maar opdat hij ook de verstrooide kinderen van God tot één zou vergaderen”. Dit is denk voldoende om aan te tonen dat het sterven van de Heer Jezus ook tot doel had, om de eenheid tot stand te brengen, waarover wij het steeds hebben. Als we dit meer zouden beseffen, zou dat dan ook niet helpen om meer ernst te maken met de verwerkelijking en het bewaren van de eenheid? Het geloof in het sterven van Jezus Christus is dus niet alleen om de verlossing en de verzoening tot stand te brengen. Dat op zichzelf is al zo iets groots, dat dit onder de ware kinderen van God ook vandaag nog altijd verwondering en bewondering, dank en aanbidding teweeg brengt. Maar Zijn sterven was ook noodzakelijk om de ‘verstrooide’ kinderen van God tot één te vergaderen. Welk een Heiland dat Hij ook dat wilde volbrengen!!!

Wat is eenheid

Als we het hier hebben over eenheid, bedoelen wij de eenheid van het lichaam. Welk lichaam? Het lichaam van Christus. Wie vormen dan het lichaam van Christus? Zij die in Hem geloven en tot de gemeente zijn toegevoegd. De gemeente wordt in de bijbel namelijk ook als ‘lichaam van Christus’ gezien en besproken. Iemand die gelooft in de Zoon van God behoort tot dat lichaam, hij of zij is dan lid van dat lichaam. De Heilige Geest drukt het bij monde van de apostel Paulus onder andere zo uit:

  • “Want zoals wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werking hebben, zo zijn wij, de velen, één lichaam in Christus, en elk afzonderlijk leden van elkaar” (Romeinen 12:4-5);
  • “Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam …”  (1 Korinthe 10:17);
  • “Want zoals het lichaam één is en vele leden heeft, en alle leden van het lichaam, hoewel vele, één lichaam zijn, zo ook Christus. Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en ons allen is van één Geest te drinken gegeven” ( 1 Korinthe 12:12-13).

Het is goed om hier ook te vermelden dat de Heilige Geest uiteraard ook betrokken is bij het éne lichaam van Christus. “… door één Geest tot één lichaam gedoopt”. Op de eerste Pinksterdag werd de gemeente gevormd door de uitstorting van de Heilige Geest. Je zou dit de geboorte van de gemeente kunnen noemen. Doordat de bijbel ook dit beeld van ‘lichaam’ gebruikt voor de gemeente, komt het binnen ons bereik. Hoe wonderbaar!

Wij allen hebben ook een lichaam. Ons lichaam bestaat uit vele leden – onderdelen, als ik het zo even mag uitdrukken. Tòch is het één lichaam. Ons oor, ons hart, onze hersenen, onze voeten en armen, onze neus, onze ogen, enzovoorts behoren allemaal tot ons lichaam. Elk afzonderlijk lid heeft zijn plaats en functie in ons lichaam. Er wordt niet gesproken over één lid maar over één lichaam met vele leden. Al die afzonderlijke leden vormen dus samen ons lichaam. Zo is het ook in de gemeente van Christus. Al die leden hebben elkaar nodig. “Het oog nu kan niet zeggen tot de hand: Ik heb je niet nodig; of ook het hoofd tot de voeten: Ik heb jullie niet nodig”. Juist de minder aantrekkelijke leden die wij minder eer zouden toebedelen, bekleden wij met overvloediger eer. De leden die de zwakkere schijnen te zijn, zijn des te noodzakelijker. Dat is in het lichaam van Christus, de gemeente, ook zo. Dit heeft God gedaan opdat er geen verdeeldheid zou zijn. God heeft het lichaam zó samengesteld, dat Hij aan het mindere overvloediger eer gegeven heeft, opdat er geen verdeeldheid zou zijn in het lichaam. De leden kunnen zo aan elkaar de juiste zorg besteden. Als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Is dat praktisch gezien ook zo? Lijden wij ook mee met onze medebrusters in het geloof? Dichtbij en ver weg? “Ver weg, ja dat lukt mij nog wel”, zegt u misschien. “Maar dichtbij … nou, dat weet ik niet zo … daarvoor hebben we immers een voorganger of dominee aangesteld. Dat is zijn taak. Bovendien ben ik bang dat men mij bemoeizucht ten laste gaat leggen, wanneer ik mij probeer bezig te houden met de noden van mijn medebruster. Ik beperk mij hoogstens tot gebed. Dat is immers goed genoeg …”. Dit alles is immers heel begrijpelijk en is dit ook niet vaak de praktijk? Hoe moeilijk maken we waar wat het schriftwoord hier zegt! (zie 1 Korinthe 12:20-28).

Wat we uit bovenstaande schriftplaatsen in ieder geval ook kunnen leren is, dat we aan elkaar verbonden zijn als leden van het lichaam, waarvan – ik zou willen zeggen ‘uiteraard’ – de Heer Jezus Zelf het Hoofd is. Dat zegt ook Gods Woord: “… want de man is het hoofd van de vrouw, evenals ook Christus het Hoofd van de Gemeente …;” (Efeze 5:23). We staan niet elk afzonderlijk van elkaar. Het is dus niet zo dat – zoals sommigen vandaag denken – je op jezelf kunt staan als gelovige. Je bent – of je wilt of niet – toch verbonden met hen die evenals jij verlost bent door het kostbare bloed van Christus aan elkaar verbonden als ‘lichaam van Christus’. Dat is juist zo bijzonder. De band die ons met elkaar verbindt, is de band van gemeenschap, gevormd en in stand gehouden door de Heilige Geest. Wij zijn één in Christus Jezus!!! Wat een geweldig feit. Door de Heilige Geest aan elkaar verbonden in één lichaam. Door één Geest tot één lichaam gedoopt (1 Korinthe 12:13). Dat betekent ook dat wij niet zelf een kring van gelovigen behoren te creëren, want God heeft dat al gedaan, namelijk een lichaam, een ‘geestelijk’ lichaam uiteraard. Geestelijk omdat de Heilige Geest in haar woont, evenals in iedere gelovige afzonderlijk. God heeft – om het Efeze 2 te zeggen (lees maar eens rustig vers 11-22) – de scheiding tussen Joden en volken weggenomen en daarvoor in de plaats de ‘gemeente’ gegeven als één geheel. Iets wat daarvoor niet bestond. Vroeger was het zo dat – als niet behorend tot de Joden – de niet-Joden volken in het vlees waren. Zij waren veraf, zonder Christus, zonder hoop en zonder God. Maar God heeft dat veranderd door één nieuwe mens, één lichaam te scheppen in Christus. Nabij gekomen door het bloed van Christus. Deze beiden vormen nu als Christenen het éne lichaam. Een aparte Christelijke gemeente voor bekeerde Joden is dus zeker niet bijbels. In de gemeente van Christus is er geen sprake meer van Jood en Griek. We hebben immers al gezien: “wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken …”. Ook wil ik nog wijzen op de volgende Schriftplaats: “… want u bent allen zonen van God door het geloof in Christus Jezus. Want u allen die tot Christus bent gedoopt, hebt Christus aangedaan. Daar is geen Jood of Griek, daar is geen slaaf of vrije, daar is geen man of vrouw; want u bent allen één in Christus Jezus” (Galaten 3:26-28).

Wij, en de bekeerde Joden, hebben ook deel aan dezelfde Persoon. Door het kruis is de scheidsmuur weggebroken tussen Jood en heiden. Halleluja!!! Nu zijn zij die uit de volken zijn ‘mede-erfgenamen’ en ‘mede-ingelijfden’ en ‘mede-deelgenoten’ van de belofte in Christus Jezus door het evangelie …” (Efeze 3:6).

In het Oude Testament waren er wel gelovigen uit de volken en uit de Joden, maar zij waren afzonderlijke groepen en vormden niet één geheel, dat kwam pas nadat de Heer Jezus gestorven, opgestaan en verheerlijkt was aan Gods rechterhand. Er wordt dan ook pas in Handelingen 2 van ‘gemeente’ gesproken. Als iemand tot geloof kwam, werd hij gevoegd bij de gemeente en niet bij het volk Israël. Ook de Heer Jezus Zelf sprak in Johannes 10:16: “En Ik heb nog andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar Mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden” (zie ook Johannes 11:52; 17:21).

Een vraag

Nu eerst nog een vraag: Geloof je in Christus Jezus? Dat is alles beslissend voor nu en voor de eeuwigheid. Laat er geen gras over groeien als u dat nog niet weet. Het is mogelijk dat u het onderwerp in dit artikel heel interessant vindt, en u heel veel interesse hebt in de zogenaamde eucomene, die immers ook de ‘eenheid’ zo hoog in haar vaandel heeft; helaas echter vaak een eenheid zonder waarheid. Maar ondertussen heb je nog geen duidelijkheid of je wel of niet een kind van God bent, of u wel of niet Christus toebehoort. Neem Hem dan nu aan als je persoonlijke Heiland en Verlosser en laat uw intellectuele belangstelling – die puur en alleen uw intellect moet en wil bevredigen – volkomen los. Dat geeft namelijk een heel slecht houvast – beter gezegd geeft helemaal geen houvast. Alleen door het geloof in Christus Jezus is er vergeving van uw en mijn zonden. Leg dus eerst je handen op het offer van Christus Jezus en belijd je zonden aan Hem. “Geloof in de Heer Jezus en je zult behouden worden” (zie onder andere Handelingen 16:31, maar ook Johannes 3:16). Daardoor word je voor eeuwig behouden én toegevoegd aan de gemeente, aan Zijn lichaam. Daardoor word je lid van de gemeente, waarvan Hij het Hoofd is. Dan zal de Heilige Geest ook verder aan je hart werken en je graag inleiden in Zijn schatten, waartoe ook het onderwerp, waar we in dit artikel mee bezig zijn, behoort. De eenheid behoort ook tot de raadsbesluiten van God, en wel één van de hoogste, namelijk de eenheid van Christus en Zijn gemeente (vergelijk Efeze 5:32).

De toevlucht tot Hem nemen in geloof is tevens voor hen, die tot nu altijd kritiek hadden op de Christenen vanwege de verdeeldheid onder hen – die er inderdaad en helaas tot onze beschaming ook is – het enige middel om een juist inzicht te verkrijgen op die geweldige waarheid, waarover we spreken, de eenheid van het lichaam van Christus. Zij zullen er daarom goed aan doen zich niet één te maken met die ‘wanorde’ die er door de ‘oneenheid’ is, maar integendeel de eenheid van het lichaam met de hulp van de Heer Jezus en door de kracht van de Heilige Geest zoeken en deze ook praktisch verwerkelijken. Daarvoor is nodig dat de Schrift – het Woord van God, de bijbel – open gaat2.

Enkele praktische gevolgen van de eenheid

Zij die in het begin van het boek Handelingen tot geloof kwamen, behoorden tot het éne lichaam en vormden een kring van gemeenschap. Welke praktische gevolgen heeft, of dat zou moeten hebben:

  1. Volharding. Zij die tot geloof kwamen, volhardden in de gemeenschap (zie Handelingen 2:42, 44, 46; 4:23-24, 32; 34-37; 5:12). Gemeenschap behoort – evenals in het huwelijk – tot één de wezenlijke kenmerken van de gemeente. De bruster-band wordt door de Heilige Geest – Die zich op de Vader en de Zoon  richt – bewerkt en in stand gehouden. De bruster-band – gemeenschaps-band – heeft alles te maken met de gemeenschap met de Vader en de Zoon: “… opdat ook u met ons gemeenschap hebt. En onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap volkomen is (1 Johannes 1:33). Het effect is dat er ook blijdschap is.
  2. Zij bewaarden de “eenheid van de Geest” in de band van de vrede (Efeze 4:4). ‘Eenheid van de Geest’ is niet hetzelfde als ‘eenheid van het lichaam’. Toch heeft het alles met elkaar te maken en is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het gedeelte waar deze uitdrukking voorkomt, spreekt óók over de onderlinge band. “Ik vermaan u dan, …. dat u wandelt waardig de roeping waarmee u bent geroepen, terwijl u in alle nederigheid en zachtmoedigheid met lankmoedigheid elkaar in liefde verdraagt [en] u beijvert de eenheid van de Geest te bewaren in de band3 van de vrede: één lichaam en één Geest, …”. Het woordje ‘elkaar’ duidt dus op de onderlinge band, de gemeenschap. In deze gemeenschap vinden we hier twee elementen, namelijk ‘liefde’ en ‘vrede’. Verder zien we dat het één Geest is (zie ook 2:18). Niet verschillende Geesten, maar één Geest! Dat zien we ook in 1 Korinthe 12:13, door één Geest tot één lichaam gedoopt. Ook dat duidt op een eenheid onder de gelovigen. We bezitten allen dezelfde Geest. We hopen later nog op dit vers terug te komen.
  3. Ook is er in het lichaam zorg voor elkaar. Daar hebben we hierboven al bij stil gestaan in verband met lijden. Maar ook als er één lid is die geëerd wordt, delen allen daarin en zijn verblijd (1 Korinthe 12:26). Is dat praktisch ook zo bij ons?

Wordt D.V. vervolgd.

NOTEN:
1. Hij is ook de ‘hoeksteen’ van de gemeente (Efeze 2:20), hier gezien als heilige tempel/woonplaats van God; maar ook als de Rots waarop Christus Zijn gemeente bouwt (Mattheüs 16:18).
2. Om u een beetje te helpen, verwijs ik u naar de artikelserie in Frisse Wateren, onder de titel “de gemeente van God”.
3. Eigenlijk sterker: ‘samenbinding’.
BRONNEN:
* Eenheid en gemeenschap – J.N. Voorhoeve / Daar ben Ik in het midden van hen – Christiaan Briem

© Frisse Wateren – rm

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW