1 uur geleden

Een korte studie over de komst van de Heer (5)

kommendesherrn.jpg


De opstanding en het oordeel

 

 

Leidende verzen: Hebreeën 9 vers 27; Johannes 5 vers 22-30

Hebreeën 9 vers 27:
“En evenzeer als het de mensen beschikt is éénmaal te sterven en daarna het oordeel …”

Johannes 5 vers 22-30:
“Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven, opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet die Hem heeft gezonden. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie Mijn woord hoort en gelooft in Hem die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in [het] oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: er komt een uur, en het is nu, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en zij die deze hebben gehoord, zullen leven. Want zoals de Vader leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf; en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is. Verwondert u hierover niet, want er komt een uur dat allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen en zullen uitgaan; zij die het goed hebben gedaan tot [de] opstanding van [het] leven, en zij die het kwade hebben bedreven tot [de] opstanding van [het] oordeel. Ik kan van Mijzelf niets doen; zoals Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig, omdat ik niet mijn wil zoek, maar de wil van Hem die Mij heeft gezonden.”

Inhoud

  • De opstanding
  • Het eeuwige bestaan ​​van de ziel
  • De opstanding van het lichaam
  • Drie oordelen
  • De rechterstoel van Christus
  • Het oordeel over de levenden (Matth. 25:31-46)
  • De grote witte troon (Openb. 20:11-15)
  • Drie morele kenmerken van het oordeel
  • Onderscheidend
  • Uitdelend
  • Vergeldend
  • De bruiloft van het Lam

De Opstanding


Het eeuwige bestaan ​​van de ziel

Toen God de mens schiep “blies Hij de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen” (Gen. 2:7). Zo is de mens verbonden met God; hij ontvangt zijn ziel, zijn adem, rechtstreeks van God, en deze ziel bestaat eeuwig, of de persoon nu tot geloof komt of ongelovig blijft. Op het moment van de fysieke dood keert het lichaam, dat stof is, terug naar de aarde, maar de geest keert terug naar God, die hem gegeven heeft (Pred. 12:7).

De opstanding van het lichaam

In Johannes 5 vers 29 spreekt de Heer Jezus over twee opstandingen: één tot “leven,” de andere tot “oordeel.” De opstanding is niet hetzelfde als de wederkomst van de Heer. Het is waar, dat bij de opname van de gelovigen de doden in Christus op hetzelfde moment lichamelijk zullen opstaan; maar dit zijn twee verschillende dingen.

1 Korinthe 15 geeft details over de opstanding, en met name vers 20 tot en met 24 beschrijven de verschillende stadia:

  • Christus, als “de eersteling” (1 Kor. 15:20);
  • daarna “die van Christus zijn, bij Zijn komst” (1 Kor. 15:23), inclusief de doden die in Christus zijn opgestaan (1 Thess. 4:16);
  • de twee getuigen uit Openbaring 11;
  • de martelaren die stierven tijdens de grote verdrukking (Openb. 20:4-6).

Deze opstanding tot leven, waartoe deze groepen behoren, wordt ook wel de “eerste opstanding” genoemd (Openb. 20:5b). Zij die deelnemen aan de eerste opstanding worden volledig bevrijd van de “tweede dood,” dat wil zeggen van de eeuwige scheiding van de ziel van God (de “eerste dood” betekent de scheiding van de ziel van het lichaam).

Openbaring 20 vers 5 verklaart: “De overigen van de doden werden niet levend voordat de duizend jaren voleindigd waren.” Omdat alle gelovigen van alle tijden zijn opgewekt, zijn “de overigen van de doden” dus degenen, die in hun zonden gestorven zijn. We ontmoeten hen in Openbaring 20 vers 12: “En ik zag de doden, de groten en de kleinen voor de [grote, witte] troon staan” (Openb. 20:12). Dit is de opstanding tot het oordeel (Openb. 20:13): “En als iemand niet geschreven gevonden werd in het boek van het leven, werd hij geworpen in de poel van vuur” (Openb. 20:15).

Drie oordelen

2 Korinthe 5 vers 10 verklaart: “Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.”

In zijn geheel gezien is de “rechterstoel van Christus” de enige die bestaat. Er zijn in werkelijkheid geen drie verschillende rechterstoelen, maar veereer drie dagvaardingen voor dezelfde rechtbank. Het is dezelfde Rechter in alle drie rechtszaken. De plaats van de rechtbank is echter niet dezelfde, en degenen die voor de rechtbank verschijnen zijn niet dezelfde mensen. Wanneer we hier spreken over de rechterstoel van Christus, hebben we het over Hem, voor wie de verlosten “geopenbaard worden.”

De rechterstoel van Christus

De rechterstoel van Christus, waar alle gelovigen zullen worden “geopenbaard” (niet “geoordeeld”), vindt plaats ná de opname van de gemeente, maar vóór de bruiloft van het Lam. Het zal niet mogelijk zijn om ten volle te genieten van de Heer en Zijn heerlijkheid als er nog schaduwen tussen onze ziel en Hem blijven bestaan. Alles moet worden geopenbaard, blootgelegd en aan het licht gebracht. Het kwaad moet worden gezien voor wat het is, zodat we ons ten volle bewust kunnen worden van de genade waarmee we door Christus’ werk zijn gereinigd. Goedheid heeft geen verdienste, want genade heeft haar teweeggebracht; toch zal er een beloning zijn voor goedheid.

Maar als de vrucht van de Geest niet in de gelovige is gegroeid omdat het vlees dat heeft verhinderd, zal dit openbaar worden. Men zal kunnen terugkijken op de hele weg waarop God ons in genade geleid, waar Hij ons geholpen, gedragen en bewaard heeft. Alles wat op zichzelf goed of slecht was, zal worden beoordeeld volgens Gods oordeel. We zullen niet veroordeeld worden, maar we zullen in volkomen harmonie met God zijn, en onze harten, die volledig vrij zullen zijn, zullen Hem vrijmoedig aanbidden.

De blik op de rechterstoel van Christus houdt in het hart van de gelovige het besef van Gods majesteit als Rechter levend, een gevoel, dat Gods genade niet weerspreekt. Integendeel, Zijn genade zal volledig geopenbaard worden. Maar het besef, dat we allen voor deze rechterstoel openbaar zullen worden, spoort ons enerzijds aan om ernaar te streven de Heer in alles te behagen, en anderzijds dwingt het de verlosten – in het gevoel, dat de zondaar voor God moet verschijnen – daartoe om mensen te “overtuigen” van hun redding door hen aan te sporen: “Wij bidden voor Christus: laat u met God verzoenen!” (2 Kor. 5:20).

Het oordeel over de levenden (Matth. 25:31-46)

Dit oordeel zal plaatsvinden wanneer “nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid … en voor Hem zullen alle volken worden verzameld” (Matth. 25:31-32). Dit zal gebeuren bij de wederkomst van de Heer in heerlijkheid, wanneer Zijn koninkrijk op aarde gevestigd wordt. Allen die dan nog op aarde leven, zullen voor de “troon van Zijn heerlijkheid” verschijnen. Hun hart zal naar hun werken in het licht worden gesteld, dat wil zeggen, naar hun gedrag jegens hen die de Heer “Zijn broeders” noemt, zij die het evangelie van het koninkrijk verkondigd hebben. Geloof zal door werken beproefd worden. De “schapen” zullen het koninkrijk beërven, maar tegen de “bokken” zal Hij zeggen: “Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid” (Matth. 25:41).

De grote witte troon (Openb. 20:11-15)

Dit derde oordeel zal plaatsvinden na de laatste opstand die zal volgen op het duizendjarig rijk: “… voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden” (Openb. 20:11; vgl. 2 Petr. 3:10). Voor dit oordeel zullen allen verschijnen die weliswaar zijn opgestaan, maar niet levend gemaakt, allen die in hun zonden gestorven zijn; zij zullen worden “geoordeeld, ieder naar zijn werken” (Openb. 20:13). Het gaat hier niet meer om “geopenbaard worden,” opdat de genade die door het bloed van Christus van alle zonden en gebreken gereinigd heeft en het goede voor God heeft voortgebracht, duidelijk zal worden aangetoond. Iedereen moet door zijn werken worden beoordeeld. Geen van de “verlosten van de Heer” zal voor dit oordeel verschijnen, zoals er staat in Johannes 5 vers 24: “… wie Mijn woord hoort en gelooft Hem die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel.” Maar voor zondaren die niet gereinigd zijn door het bloed van Christus, is er geen hoop meer: “… wat zal het einde zijn van hen die het evangelie van God niet gehoorzamen?” (1 Petr. 4:17).

Drie morele kenmerken van het oordeel

Onderscheidend

Vooral bij de wederkomst van de Heer – of het nu gaat om de opname van de gelovigen of om Zijn verschijning in heerlijkheid – heeft het oordeel een onderscheidend karakter: een duidelijke en definitieve scheiding tussen hen die het leven hebben en hen die het leven niet hebben.

Deze waarheid komt met name tot uiting in de zeven gelijkenissen in het evangelie van Mattheüs:

  1. De gelijkenis van het onkruid op de akker (Matth. 13:24-43).
    We lezen ondermeer daar: “Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader; terwijl “… hen die wetteloosheid doen, en zij zullen hen in de vuuroven werpen” (Matth. 13:41-43).
  2. De gelijkenis van het visnet (Matth. 13:47-50).
    Zij zullen de goede vissen in een sleepnet verzamelen en “het bedorvene” wegwerpen. De engelen zullen ze uitzoeken “en de bozen uit [het] midden van de rechtvaardigen afscheiden en hen in de vuuroven werpen.”
  3. De gelijkenis van het bruiloftsmaal (Matth. 22:1-14).
    De gasten zaten in feestkleding aan tafel, maar degene die geen bruiloftskleding droeg, werd “in de buitenste duisternis” geworpen. Totdat de koning kwam, zaten ze allemaal samen aan tafel! Pas toen de koning de gasten kwam bekijken, vond de scheiding plaats.
  4. De gelijkenis van de slaaf die over het huis van de Heer wordt aangesteld (Matth. 24:45-51).
    Hij zal de “trouwe slaaf over al zijn bezittingen stellen,” terwijl Hij “de boze slaaf in tweeën zal hakken en zijn lot bij dat van de huichelaars stellen.”
  5. De gelijkenis van de tien maagden (Matth. 25:1-13).
    De wijze maagden die olie in de lampen hadden, gaan met de bruidegom naar binnen, terwijl de dwaze maagden voor de gesloten deur staan.
  6. De gelijkenis van de talenten (Matth. 25:14-30).
    De trouwe slaaf gaat “de vreugde van de heer” binnen, terwijl de nutteloze slaaf “in de buitenste duisternis” wordt geworpen.
  7. De gelijkenis van de schapen en de bokken (Matth. 25:31-46).
    Daar zullen, zoals we al hebben gezien, de rechtvaardigen zullen “gaan in het eeuwige leven,” maar de vervloekten zullen gaan “in [de] eeuwige straf.”

In de evangeliën vinden we zeven keer de zin: “… daar zal het geween zijn en het tandengeknars” (Matth. 8:12; 13:42,50; 22:13; 24:51; 25:30; Luk. 13:28).

De uitdrukking “de één zal meegenomen en de ander achtergelaten worden,” hoewel ze gebruikt wordt in verband met de verschijning van de Heer in heerlijkheid, kan moreel gezien ook van toepassing zijn op de opname van de gelovigen.

Uitdelend

Het oordeel heeft een schenkend karakter: er is een beloning voor wat de genade heeft bewerkt. Deze beloning houdt verband met de verrichte dienst, zoals we hebben gezien in de gelijkenissen van de talenten en de slaaf die de leiding kreeg over de bezittingen van de heer. De trouwe dienaar die zijn medeslaven op de juiste tijd te eten gaf, zal later de leiding krijgen over alle bezittingen van de heer. Paulus, die de goede strijd had gestreden, de wedloop had volbracht en het geloof had bewaard, wachtte op “de kroon van de gerechtigheid,” die de Heer niet alleen aan hem zal geven “maar ook <allen> die zijn verschijning hebben liefgehad” (2 Tim. 4:8).

Het symbool van de kroon wordt op verschillende manieren gebruikt om de beloning aan te duiden:

  • “Kroon van de heerlijkheid” (1Petr. 5:4);
  • “Kroon van het leven” (Jak. 1:12; Openb. 2:10);
  • “Kroon” zonder verdere specificatie voor Filadelfia (Openb. 3:11);
  • “onvergankelijke kroon” (1 Kor. 9:25), onder andere.

Vergeldend

Vanwege persoonlijke verantwoordelijkheid wordt ieder vergolden “naar zijn werk,” naar “zijn daden,” naar “zijn gedrag,” of dat nu goed of slecht is. 1 Korinthe 3 vers 12-15 illustreert dit in de context van dienstbaarheid in het huis van God. Het vuur zal ieders werk beproeven. Als het werk standhoudt, zal er een beloning zijn. Als het werk wordt verbrand, zal er schade zijn. En wie de tempel van God heeft verdorven, zal zelf verdorven worden (1 Kor. 3:17). De slaaf in Mattheüs 24 vers 48, die de naam had een slaaf van de heer te zijn, maar dat niet was, zal zijn plaats innemen bij de huichelaars – de vergelding voor zijn gedrag.

De bruiloft van het Lam

In Lukas 22 vers 30 belooft de Heer Jezus Zijn discipelen, dat ze op een dag aan Zijn tafel zullen zitten. In Johannes 14 verzekert Hij hen, dat ze op een dag met Hem in het huis van Zijn Vader zullen zijn. Johannes 17 zegt, dat Hij wil dat ze Zijn heerlijkheid zien. Hij zegt zelfs in Lukas 12 vers 37, dat Hij zich “zal omgorden, hen zal doen aanliggen en zal naderkomen om hen te dienen.” Al deze uitdrukkingen tonen de intimiteit en de positie, die de Heer tot Zijn eigen eer de Zijnen in de hemel geven wil.

Openbaring 19 beschrijft de bruiloft van het Lam op een vergelijkbare manier. Over de bruid wordt gezegd: “… en haar is gegeven bekleed te zijn met blinkend, rein, fijn linnen, want het fijne linnen zijn de gerechtigheden [1] van de heiligen.” Zo heeft zij zich voorbereid op de bruiloft. Deze voorbereiding vindt plaats op aarde en bestaat uit de rechtvaardige daden van de heiligen. Het kleed van fijn linnen is hier niet de mantel van gerechtigheid, het witte gewaad dat voor ons is verworven door het werk van Christus, maar veeleer het resultaat van onze wandel hier op aarde. Men zou kunnen zeggen, dat we in dit kleed op aarde dagelijks nieuwe draden weven.

Maar vóór Christus’ oordeel – chronologisch gezien vóór de bruiloft van het Lam – zal de waarde van de draden die wij hebben toegevoegd of erin hebben geweven, worden onthuld. Dit is wat bedoeld wordt met de woorden: “… en Zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt” (Openb. 19:7). Evenzo is het volgens 1 Korinthe 11 vers 27-31 gepast om zichzelf te beproeven, voordat men deelneemt aan het avondmaal. Zo zal vóór het grote bruiloftsmaal in de hemel alles door het licht worden onthuld. Zelfonderzoek vóór het avondmaal moet ons er niet toe brengen de maaltijd te mijden, maar veeleer om opnieuw de genade te ervaren die ons verlost heeft. Niets zal deze genade duidelijker openbaren dan het licht van Christus’ oordeel. In het volle besef van genade zal de bruid aan tafel gaan zitten: “… en haar is gegeven bekleed te zijn …” (Openb. 19:8).

Maar er is meer. In verband met het avondmaal spreken we van de tafel van de Heer; daar verkondigen we de dood van de Heer, terwijl we op de bruiloft de maaltijd van het Lam vieren. Natuurlijk is degene Wiens dood we verkondigen het Lam van God en de Verlosser; op aarde wordt de tafel van de Heer echter gebruikt om de rechten te benadrukken die Hem toekomen, namelijk gehoorzaamheid en eerbied. In de hemel is het niet de bruiloftsmaaltijd van de Heer, maar die van het Lam. Degene die de bruid aan haar zijde zal hebben, is niet alleen haar Heer, die zij aanbidt, niet alleen Degene die later in Zijn heerlijkheid en macht zal verschijnen als Koning der Koningen en Heer der Heren, maar Hij is ook het Lam! Hij is Degene die Zichzelf voor de bruid heeft opgeofferd, die voor haar heeft geleden, Wiens doorboorde handen wijzen op de smarten die Hij heeft geleden en op Zijn liefde aan het kruis. De smart is voorbij, maar de liefde van het kruis blijft eeuwig.

Ehre, Macht und Herrlichkeit
sei dem Lamm zu aller Zeit!
Der uns gewaschen durch sein Blut,
wie haben wir’s durch Ihn so gut!
Bald dürfen wir zum Festmahl gehn
und dürfen Ihn dort oben sehn!
Ja, komm Herr Jesus!

Eer, macht en heerlijkheid
zij het Lam te allen tijde!
Hij die ons met zijn bloed heeft gewassen,
hoe goed hebben wij het door Hem!
Spoedig zullen we naar het feestmaal gaan
en mogen Hem daarboven zien!
Ja, kom Heer Jezus!

Vrij vertaald

NOOT:
1. Dat zijn de rechtvaardige daden.

 

George André; © www.soundwords.de

Online in het Duits sinds: 23.12.2009; geactualiseerd: 18.01.2026
Originele titel: “Courte étude sur la venue du Seigneur (4)”
Bron: www.bible-notes.org

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW