14 jaar geleden

De zegen van de gehoorzaamheid

Judas, de broer van Jakobus. Deze apostel wordt ook genoemd Juda, Thaddeüs en Lebbeüs. Hij was de zoon van Alfeüs en een van de bloedverwanten van de Heer, zoals wij lezen in Mattheüs 13:55: “Heet zijn moeder niet Maria, en zijn broers Jakobus, en Jozef, Simon en Judas?”

Wanneer of op welke wijze hij tot het apostelschap geroepen werd, wordt ons niet bericht. Over het algemeen noemt het Nieuwe Testament hem niet dan in de verschillende lijsten van de twaalf apostelen. Zijn naam komt slechts één keer in het Evangelie voor, namelijk bij gelegenheid van de volgende vraag: “Judas, niet de Iskariot, zei tot Hem: Heer, en hoe komt het dat U Zichzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?” (Johannes 14:22). Het blijkt duidelijk uit deze vraag, dat hij, net zoals zijn mede-discipelen, nog het denkbeeld koesterde van een openbaring van de macht en heerschappij van Christus op de aarde, die door de wereld kon worden waargenomen. Doch zij begrepen nog niet de waardigheid van hun eigen Messias, evenmin als de heerlijkheid van Zijn persoon en de geestelijke aard van Zijn heerschappij. Zijn onderdanen zijn verlost, niet alleen van deze tegenwoordige boze wereld, maar van de macht van satan en de heerschappij van dood en graf. “Die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde” (Kolosse 1:13). Het antwoord van de Heer op de vraag van Judas is hoogst belangrijk (zie Johannes 14:23-24 v.v.). Hij spreekt over de zegen van de gehoorzaamheid. De werkelijk gehoorzame discipel zal het heerlijke van de gemeenschap met de Vader en Zijn Zoon leren kennen, in het licht en de kracht van de Heilige Geest. Er is hier geen sprake van de liefde van God in vrije genade jegens een zondaar, maar van de handelingen van de Vader jegens Zijn kinderen. Daarom wordt in de weg van de gehoorzaamheid de openbaring van de liefde van de Vader en van de Zoon genoten.

Doch wij moeten in aanmerking nemen, bij het beoordelen van de vraag van de apostel, dat de Heilige Geest nog niet was gezonden, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. De gedachten, gevoelens en verwachtingen van de apostelen zijn daarna geheel veranderd. Daarom vinden wij, dat onze apostel, zoals zijn broer Jakobus zich noemt “een slaaf van Jezus Christus en broer van Jakobus”, en niet “een apostel”, noch “de broer van de Heer”. Dit was ware nederigheid, gegrond op een werkelijk begrip van de veranderde betrekking tussen hem en de verhoogde Heer. Op de Pinksterdag was verkondigd, dat het hele huis van Israël behoorde te weten, dat God deze Jezus, die zij gekruisigd hadden, gemaakt had zowel tot Heer als tot Christus (Handelingen 2:36).

Enkele schrijvers melden dat Judas eerst gepredikt heeft in Judea en Galiléa, dan door Samaria tot in Iduméa, en de steden van Arabië. Doch tegen het eind van zijn leven was Perzië zijn arbeidsveld, waar hem ook de marteldood aangedaan werd.

Uit 1 Korinthe 9:5 kan worden opgemaakt, dat hij behoorde tot de apostelen, die gehuwd waren. “Hebben wij niet het recht om een zuster als vrouw mee te nemen, evenals de andere apostelen en de broers van de Heer en Kefas?” Er bestaat een overlevering aangaande twee van zijn kleinzonen, die zowel belangrijk als niet onwaarschijnlijk is. Eusebius heeft ze ontleend aan Hegesippus. Domitianus, de keizer, gehoord hebbende dat er nog enkelen van het geslacht van David en de familie van Christus in leven waren, beval, door ijverzucht gedreven, dat die gegrepen en naar Rome gevoerd zouden worden. Twee kleinzonen van Judas werden voor hem gebracht. Zij beleden openhartig dat zij uit het huis van David en van de familie van Christus waren. Hij vroeg hen naar hun bezittingen en landerijen. Zij zeiden dat slechts enkele weinige akkers, van welker opbrengst zij hem belasting opbrachten en zelf leefden, hun enige bezitting was. Hun handen werden onderzocht en ruw en vereeld bevonden door het werken. Toen ondervroeg hij hen aangaande het koninkrijk van Christus, en wanneer dit komen zou. Hierop antwoordden zij, dat dit een hemels en geestelijk, geen aards rijk was, en dat het eerst geopenbaard zou worden bij het einde van de wereld. De keizer, overtuigd dat zij arme en onschadelijke mensen waren, liet hen vrij uitgaan, en hield op met zijn vervolging van de gemeente in het algemeen. Toen zij in Palestina terugkeerden, werden zij door de gemeente met grote liefde ontvangen, als zijnde verwant aan de Heer, en hebbende belijdenis afgelegd zowel van Zijn Naam, als van Zijn koninkrijk, macht en heerlijkheid.

Bron: Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (deel I), A. Miller.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM