12 jaar geleden

De wapenrusting van God

Hoe staat het met onze wapenrusting? Ook de Christen heeft immers een strijd te voeren! Niet met vleselijke wapens, zoals bijvoorbeeld de verschrikkelijke vernietigings-wapens (zoals kernwapens). Nee, onze strijd is niet tegen bloed vlees. Wij hebben als Christenen te maken met een ‘geestelijke’ strijd die ook met ‘geestelijke’ wapens gevoerd moeten worden. Onze strijd gaat tegen satan en de machten van de duisternis die ons proberen het genot van de zegeningen in de hemelse gewesten – die wij als Christenen door de genade van God hebben ontvangen – te beroven. We hebben een kracht tot onze beschikking die zijn weerga niet kent, de kracht van de Opgestane Heer Jezus Christus uit de doden. We hebben evenwel de verantwoordelijkheid om ons te sterken in de Heer alsmede de totale wapenrusting van God aan te doen. Deze strijd hebben we hier te voeren en niet in de hemel. Daar is geen strijd meer. Kennen we onze wapenrusting en hebben we alles aan? Dat moet niet gebeuren als de vijand er al is maar vóór die tijd om stand te kunnen houden en weerstand te kunnen bieden in de boze dag. En die boze dag is nu, dus is al begonnen …

Efeze 6:10-24

De apostel spreekt hier natuurlijk in beelden, want we vinden, dat elk deel van de uitrusting voor iets moreels en geestelijks staat, dat we vastgrijpen moeten. Hoewel ons deze dingen van God gegeven worden en vervolgens door ons aangenomen moeten worden, moet het toch op een zeer praktische en ervaringsvolle wijze gebeuren.

Het borstharnas van de gerechtigheid

Het borstharnas betekent gerechtigheid. We zijn Gods gerechtigheid in Christus. Maar nu, als we als gevolg daarvan in praktische gerechtigheid leven, dient zij als borstharnas, die alle lichaamsdelen van vitaal belang bedekt en ons voor de aanvallen van onze machtige vijand beschermt. Hoe veel Christelijke strijders zijn zwaar gewond in de strijd gevallen, omdat er aan de praktische gerechtigheid veel mankeerde. Spleten in het borstharnas bieden een opening voor de pijlen van de vijand.

Schild van het geloof

Bovendien is er nog het geloof, dat als schild dienen moet. Bedoeld wordt het geloof als praktisch en levend vertrouwen op God, het geloof dat onze ogen op Hem en Zijn Woord richt en niet op de omstandigheden of de vijanden. Wanneer het schild ons beschermt, afgezien van de overige uitrusting, worden de vurige pijlen van twijfel, die door de boze afgeschoten worden, afgeweerd en uitgeblust.

Het zwaard van de Geest

Tot slot komt het “zwaard van de Geest, dat is het Woord van God”. Dat kan zowel ter verdediging als ook tot de aanval benut worden. Het woord van God zal elke stoot, die onze vijand zou kunnen maken, afweren. Het zal hem met een doelgerichte slag op de vlucht doen slaan. Het wordt het zwaard van de Geest genoemd, want de Geest heeft het geschapen, en Hij geeft behendigheid en verstand in het gebruik ervan. Ons grote Voorbeeld in het gebruik van dit zwaard is de Heer Zelf, zoals we het in Mattheüs 4 en Lukas 4 lezen.

Zonder voortdurende en blijvende afhankelijkheid van God zullen we geen enkel deel van de uitrusting goed dragen.

Gebed

Onze Heer is ook ons Voorbeeld, wat het gebed aangaat, waarop we in vers 18 stuiten. In het bijzonder het Lukas-evangelie beklemtoont dit wezenskenmerk van Zijn leven. Toen Hij Mens geworden was, nam Hij ook de afhankelijke plaats in, die de mens toekomt, en vervulde dit in grote volmaaktheid. Zo kenmerkte het gebed Zijn leven, en dat moet ook bij ons zo zijn. Het gebed moet altijd onze krachtbron zijn, in het bijzonder in verbinding met de strijd, waarvan we zojuist gelezen hebben. Het Woord van God is werkelijk het zwaard van de Geest. Maar juist daarom zullen wij het alleen effectvol gebruiken, wanneer we steeds in de Geest bidden. Zonder voortdurende en blijvende afhankelijkheid van God zullen we geen enkel deel van de uitrusting goed dragen.

Zonder voortdurende en blijvende afhankelijkheid van God zullen we geen enkel deel van de uitrusting goed dragen.

Onze gebeden moeten de ernst bereiken, die door het Woord smeken aangeduidt wordt. Ze moeten ook door waken begeleidt zijn. Aan de ene kant moeten we er acht op geven, alles te vermijden wat met onze gebeden niet in overeenstemming zijn kan, en aan de andere kant moeten we de verhoring van onze gebeden verwachten. Dat getuigt van innigheid en echtheid bij het bidden, zodat onze gebeden werkelijk kracht hebben en geen lege vorm zijn.

In onze gebeden moeten we de grenzen niet te eng trekken. Ongetwijfeld moeten we met onszelf beginnen, maar daar blijven we niet staan. We breiden onze gebeden tot “alle heiligen” uit. Zoals alle heiligen tot het bevatten van de waarheid gebruikt worden (Efeze 3:18), zo moet het gebied van onze gebeden niet minder omvatten dan alle heiligen. In 1 Timotheüs 2:1 wordt het gebied van onze gebeden tot “alle mensen” uitgebreidt. De Efeze-brief is toch hoofdzakelijk een brief, waarvan het thema de gemeente is, en daarom worden als omvang “alle heiligen” gezien.

Ondanks dat moeten we niet zo zeer met allen bezig zijn, dat we in het onbestemde afglijden. Daarom voegt de apostel eraan toe “en voor mij”. Hij was weliswaar een grote dienstknecht van God, maar hij wenst ook gebedsondersteuning van anderen, die niet zo groot waren als hij. Immers moesten zij er niet om bidden, dat hij uit de gevangenis bevrijd en zijn lot verlicht zou worden, maar dat hij ondanks zijn gevangenschap in staat zou zijn, zijn dienst te doen. Hij was gevangen, maar evengoed een gezant, als ware hij vrij (vergelijk 2 Korinthe 5:20).

Toen hij vrij was, hield hij zich meer voor een boodschapper van het evangelie en bezwoer hij de mensen, zich met God te laten verzoenen. Nu in de gevangenis ziet hij zichzelf als de boodschapper van het geheimenis – het geheimenis, dat hij al kort in het eerste deel van de Efeze-brief ontvouwd had. Het is “het geheimenis van het evangelie”, omdat het een uit het ander voortkomt en zijn logisch gevolg is. Wanneer we het evangelie niet begrijpen, kunnen we het geheimenis niet verstaan. Het geheimenis moet bijvoorbeeld voor diegenen een gesloten boek zijn, die geloven, dat het evangelie daarop doelt, de aarde te christianiseren en zo het duizendjarig rijk in te leiden.

Hoe gelukkig moeten de broeders zijn, wanneer vrede, liefde en geloof, alle uit Goddelijke bron, in hun midden vrij baan hebben.

Paulus’ afsluitende wensen voor de broeders zijn weliswaar eenvoudig, maar zeer rijk aan inhoud. Hoe gelukkig moeten de broeders zijn, wanneer vrede, liefde en geloof, alle uit Goddelijke bron, in hun midden vrij baan hebben. Dan rust werkelijk genade op hen. Toch ook moeten hart en motieven zuiver zijn. De laatste woorden van vers 24 “in onvergankelijkheid [of: onvergankelijkheid, zie HSV – vertaler]” herinnert ons eraan, dat al in deze vroege tijd, waarin Paulus schreef, verderfelijkheid ingang gevonden had bij hen, die beleden Christen te zijn. Het kenmerk voor echtheid is, de Heer Jezus lief te hebben in onverderfelijkheid. Dat is de vrucht van het echte werken van God.

F.B. Hole

(Uittreksel uit Grundzüge des Neuen Testaments, Band 4, Efeze hoofdstuk 6, bladz. 104-108)

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol