50 minuten geleden

De profeet Daniël (27)

Bijbelgedeelte: Daniël 6 vers 12-18

Leestijd: 4 minuten

12. Toen kwamen deze mannen eensgezind bij zijn huis en troffen Daniël aan, terwijl hij bad en smeekte om genade voor het aangezicht van zijn God.
13. Meteen kwamen zij naar voren en zeiden in de tegenwoordigheid van de koning over het verbod van de koning: Hebt u niet een verbod ondertekend dat iedereen die binnen dertig dagen een verzoek zou richten aan welke god of mens ook, behalve aan u, o koning, in de leeuwenkuil zou worden geworpen? De koning antwoordde en zei: Dat woord staat vast volgens de wet van Meden en Perzen, die niet mag worden herroepen.
14. Toen antwoordden en zeiden zij in de tegenwoordigheid van de koning: Daniël, een van de ballingen uit Juda, heeft op u, o koning, en op het verbod dat u ondertekend hebt, geen acht geslagen, maar op drie tijdstippen per dag doet hij zijn gebed.

Nadat de koning het document had ondertekend, haastten deze vijanden van Daniël zich onmiddellijk naar zijn huis om zich ervan te overtuigen, dat hij bij zijn gewoonte bleef. Hun haast wordt opnieuw genoemd; maar toen ze vastgesteld hadden, dat de strop zich had aangetrokken, benaderden ze de koning kalm in het volgende vers. Nu was er in hun ogen geen reden meer voor haast, want hun plan was geslaagd. Maar toen ze hoorden, dat koning Darius een uitweg zocht uit deze benarde situatie, haastten ze zich opnieuw in vers 16 om hem te herinneren aan de onomkeerbaarheid van zijn verordening.

Voordat deze mannen Daniëls standvastige houding in gebed beschrijven, leggen ze de koning praktisch vast met hun schijnheilige vraag over het koninklijk verbod. Ze schrijven het auteurschap ervan toe aan de koning. Natuurlijk had Darius het verbod uiteindelijk ondertekend, maar zijzelf waren de aanstichters; het idee was van hen afkomstig! Ze lokken hem regelrecht in hun geraffineerde valstrik; want wanneer de koning dit verbod bekrachtigt, beschuldigen ze Daniël voor hem. Ze doen dat met bijna dezelfde woorden als in Daniël 3 vers 12, waarmee Daniëls drie vrienden bij Nebukadnezar worden aangeklaagd. Maar de laatste woorden van hun beschuldiging zijn tegelijkertijd een enorme onderscheiding voor Daniël!

Merkwaardig dat ze Daniël niet bij zijn officiële titel noemen, maar als een van de ballingen uit Juda. Ze willen Daniël kleineren en de kloof tussen hem en de koning verder vergroten.

15. Toen de koning dit woord hoorde, nam hij het zichzelf zeer kwalijk en hij zette zijn hart erop om Daniël te verlossen. Tot zonsondergang spande hij zich in om hem te redden.
16. Toen kwamen deze mannen weer eensgezind bij de koning en zeiden tegen de koning: Weet, o koning, dat het een wet van Meden en Perzen is dat geen enkel verbod of besluit dat de koning heeft opgesteld, veranderd mag worden.
17a. Toen gaf de koning bevel en men haalde Daniël en wierp hem in de leeuwenkuil.

De machthebbers handelden dus opnieuw overhaast toen ze merkten, dat de koning een uitweg zocht uit deze situatie. Ze hadden zich niet vergist in hun beoordeling van de trouw van Daniël, maar ze hadden zich vergist in koning Darius en zijn reactie. Ze hadden er geen rekening mee gehouden, dat Darius een manier zou zoeken om Daniël te redden. We zien een zeer vergelijkbare situatie in de relatie van Pilatus met de Joden met betrekking tot de veroordeling van de Heer Jezus. Net zoals Darius probeerde Daniël vrij te krijgen, probeerde Pilatus de Heer vrij te krijgen. Maar toen kwam de heftige reactie van de Joden, en Pilatus leverde Hem aan hen over (Joh. 19:12-16).

De koning werd in de listig opgezette val gelokt en moest, tegen al zijn eigen gevoelens in, deze man, Daniël, die hij vereerde, in de leeuwenkuil werpen. Darius’ gevoelens stonden haaks op zijn daden; ondanks zijn aantrekkelijke uiterlijk was hij een afspiegeling van de antichrist. Zowel de antichrist als het hoofd van het Romeinse Rijk zullen zeer aantrekkelijke persoonlijkheden zijn, anders zouden ze niet zoveel macht hebben gekregen.

17b. De koning nam het woord en zei tegen Daniël: Uw God, Die u voortdurend vereert – Híj zal u verlossen.
18. Er werd een steen gebracht en op de opening van de kuil gelegd. De koning verzegelde die met zijn ring en de ring van zijn machthebbers, zodat de maatregel met betrekking tot Daniël niet veranderd kon worden.

Van Daniël horen we in deze situatie helemaal niets, geen woord over zijn gevoelens! Een man Gods van boven de 801 wordt voor deze roofdieren geworpen (vgl. Ps. 57:5). Profetisch gezien moet het gelovige overblijfsel ook door de grote verdrukking gaan. Hier, de leeuwenkuil als doodstraf voor de Meden en Perzen, en in hoofdstuk 3, de vurige oven als doodstraf voor de Babyloniërs, illustreren elk op hun eigen manier het extreme lijden, dat moet worden doorstaan (Matth. 24:21-22). Deze verschrikkelijke tijd wordt in deze leeuwenkuil voorafgeschaduwd.

In dit hoofdstuk is Daniël een beeld van het getrouwe overblijfsel van de latere dagen. Het overblijfsel heeft een verhouding met God, het overblijfsel is getrouw, het overblijfsel bidt, het overblijfsel wordt vervolgd, het overblijfsel verdedigt zichzelf niet. En op het moment, dat de koning zich op de plaats van God stelt, begint de grote verdrukking van het overblijfsel. Maar te midden van deze verdrukking is er ook een woord van troost voor het overblijfsel: “Uw God, Die u voortdurend vereert – Híj zal u verlossen.”

In de toepassingen die we van dit hoofdstuk maken, moeten we onderscheid maken tussen het beeld voor het gelovige overblijfsel van latere dagen en de toepassingen voor de individuele gelovige die in zijn leven beproevingen, vervolgingen en misschien zelfs martelaarschap zal moeten doorstaan. Het getrouwe gelovige overblijfsel zal gered worden; ook de gelovige martelaren waren trouw tot de dood (Openb. 2:10) en werden toch niet gered. We mogen hieruit niet concluderen, dat ze niet trouw waren.

De verklaring die in dit vers wordt gegeven voor het verzegelen van de leeuwenkuil is een zeer passende verklaring voor het gebruik van een zegel in het algemeen. Een zegel symboliseert definitieve vastlegging; niets mag meer veranderd worden zodra er een zegel op iets is aangebracht.

 

NOOT:
1. De Babylonische ballingschap duurde 70 jaar. Daniël was een tiener (waarschijnlijk ± 16 jaar) toen hij gevangen werd genomen, dus zou hij ruim 80 jaar oud zijn geweest onder het bewind van koning Darius.

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 04.02.2015

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW