5 uur geleden

De profeet Daniël (26)

Bijbelgedeelte: Daniel 6 vers 11

Leestijd: 8 Min.

11. Toen Daniël te weten kwam dat dit bevelschrift ondertekend was, ging hij zijn huis binnen. Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. Op drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan.”

Wat opvalt in dit vers is zowel Daniëls diepe vrede als zijn innerlijke rust en onwrikbaar vertrouwen, ondanks de menselijke daden van zijn vijanden. Drie keer lezen we bij deze mannen, dat zij snel (‘eensgezind’ – HSV; ‘te hoop lopen’ – SV) handelden (Dan. 6:7,12,16; vgl. Rom. 3:15). Achter deze haast schuilt een doelbewuste, kwaadaardige energie. Maar Daniël ging zonder enige haast naar de plaats die hij gewoonlijk drie keer per dag bezocht om te bidden. En nu bracht hij niet alleen smeekbeden en verzoeken voor zijn God vanwege deze huidige nood, maar hij vond ook tijd voor lofprijzing en aanbidding. Hoe gemakkelijk beperken we onszelf tot gebed, smeekbeden en zuchten in tijden van nood. Natuurlijk kunnen we de huidige gebeurtenissen in ons leven als extra reden voor onze gebeden gebruiken en God in deze intense vorm van smeekbede tegemoet treden. Smeekbede laat zien, dat de actuele noodsituatie ons diep raakt; ook de Heer Jezus Zelf, als mens, had zowel gebeden als smekingen geofferd (Hebr. 5:7). Maar we moeten daarbij ook het prijzen en danken niet vergeten.

Daniël gebruikt zijn nabijheid tot de troonzaal dan ook niet om dit probleem aan te pakken; hij wendt zich tot de hoogste autoriteit. Hij was gewend aan deze nabijheid tot God. Hij is hier de belichaming van Salomo’s verzoek bij de inwijding van de tempel in 1 Koningen 8 vers 46-49. Zijn voeten waren in een vreemd land, maar zijn hart was op de plaats die God had uitgekozen. Ook wij hebben dit gebedsleven in een geestelijke bovenkamer dringend nodig! Een plaats waar we ongestoord met onze Heer kunnen spreken.

Waarom greep Daniël niet in bij de koning? Dat zou toch de meest voor de hand liggende oplossing zijn geweest. Maar Daniël was niet alleen een gelovig man, hij was ook een wijs man. En hij kende het principe van de Meden en Perzen, dat deze verordening onder geen enkele omstandigheid kon worden teruggedraaid. En zelfs als deze verordening op de meest onmogelijke manier tot stand was gekomen, door leugens, bedrog en vleierij, wist hij dat protesteren ertegen volkomen zinloos zou zijn. Hij zou alleen maar anderen en zichzelf belachelijk hebben gemaakt. Het had geen zin om om deze reden voor de koning te verschijnen, maar hij had een veel betere plek om naartoe te gaan – de hoogste kans op een audiëntie die er bestaat! David en Asaf, die zelf niet fysiek het heiligdom van God mochten betreden, hadden wel begrepen, dat ze er geestelijk konden verblijven; het was een toevluchtsoord voor hen, een plek om zich terug te trekken gezien hun levensomstandigheden (Ps. 27:4; 73:17). Daniëls heiligdom was zijn binnenkamer (Matth. 6:6). In dit opzicht is dit hoofdstuk een voortzetting en zelfs een intensivering van zijn gedrag in hoofdstuk 1. Daar zien we de voorbereiding, en hier de volledige ontplooiing van het geloof van Daniël.

Er was dus geen reden om zich daartegen te verzetten. Er waren andere mogelijkheden, maar Daniël koos daar ook niet voor. Hij sloot de ramen van zijn bovenkamer niet, noch onderwierp hij zich eraan om de dertig dagen zonder te bidden uit te zitten – hij deed alles zoals hij altijd gedaan had.

Waarom sloot hij de ramen niet? Had hij zichzelf niet kunnen vertellen, dat het in deze kritieke situatie beter was het lot niet te tarten? Hij had begrepen, dat koning Darius zich had begeven in een terrein van gezag, dat niet het zijne was – het gebied van Gods gezag. Daarom kon Daniël onmogelijk het bevel van de koning opvolgen; dan zou hij ontrouw aan zijn God zijn geweest. Maar had hij niet met gesloten ramen tot zijn God kunnen blijven bidden? Zouden wij dat niet gedaan hebben? Het zou zijn tegenstanders er onvermijdelijk toe hebben gebracht te concluderen, dat Daniël was bezweken, daarom had hij de ramen open gelaten en gaf verder hoorbaar uitdrukking aan zijn hoop op de God van Israël.

Praktische adviezen voor ons gebedsleven:

Daniël bad drie keer per dag. Natuurlijk kunnen we vaker bidden, maar het is goed om een ​​zekere stabiliteit in ons gebedsleven te hebben. Dit is een nuttige gewoonte en een steun voor ons praktische geloofsleven, waardoor we een regelmatig gebedsleven kunnen onderhouden. Het is belangrijk, dat we ons deze tijd niet laten ontnemen en ons in ieder geval aan deze vaste tijden houden. Natuurlijk hoeven we deze tijden niet tot op de klok vast te leggen, zoals in sommige religies het geval is, waar men precies op bepaalde tijdstippen moet bidden. Maar als we deze vaste gewoonte hebben om regelmatig te bidden, zal de Heer ons ook de gelegenheden daartoe tonen; als we die niet hebben, zullen we snel excuses vinden waarom het niet uitkomt. Gebedstijd is geen verspilling van tijd, maar een winst van tijd!

Als we Daniëls voorbeeld bekijken, mogen we niet vergeten dat Israël onder de Wet stond. Als we, net als Daniël, drie keer per dag bidden, kunnen we snel een wettische houding ontwikkelen en onszelf superieur achten aan anderen (vgl. Luk. 18:11). Dit is niet Gods bedoeling voor onze tijd. Voor ons vandaag de dag gaat het niet alleen om het aanhouden van vaste gebedstijden, maar ook om een ​​leven met de Heer te leiden tussen de gebeden door. Paulus bad dag en nacht (1 Thess. 3:10); voor hem waren er geen drie gebedstijden, maar de hele dag en nacht was gebedstijd. Dit betekent niet, dat hij alleen maar bad, want hij deed ook dag en nacht twee andere dingen. Hij werkte dag en nacht met zijn eigen handen (1 Thess. 2:9) om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien en geen last te zijn voor bepaalde gemeenten; en hij wees iedereen dag en nacht terecht met tranen (Hand. 20:31). Deze uitdrukking moet daarom niet in absolute zin worden opgevat. Wat betreft het gebed leren we hieruit, dat er geen enkel moment is waarop we niet zouden kunnen bidden. Het drukt een voortdurende afhankelijkheid van de Heer uit.

Zij die met de Heer wandelen, weten vaak niet hoe vaak ze per dag gebeden hebben. Als we de Heer alleen spontaan aanroepen wanneer we met nood of verdriet worden geconfronteerd, is dat op zich niet verkeerd, maar onze gebeden zijn dan uitsluitend gericht op onze persoonlijke behoeften; het is een enigszins eenzijdig gebedsleven. Daarom zouden we moeten proberen specifieke momenten voor gebed in te plannen; als we dat niet doen, is het onwaarschijnlijk dat we een evenwichtig gebedsleven ontwikkelen. Zodra we bepaalde routines hebben vastgesteld, hebben we ook de tijd om te bidden voor andere dingen dan onze persoonlijke omstandigheden. Het is geweldig om een ​​gebedsleven te leiden! De Heer Jezus was altijd in gebed (Ps. 109:4); Hij was altijd in een staat van gebed.

Waar bidden we eigenlijk voor? Is het niet vooral voor onszelf? Hebben we in onze gebeden tijd om te bidden voor de noden en ziekten van onze broeders en zusters? Voor het werk van de Heer? Er is een oneindig breed scala aan dingen waar we voor kunnen bidden (Kol. 4:12; Ef. 6:18-19; 1 Tim. 2:1-2; 2 Thess. 3:1). Dit alles zou verwaarloosd worden als we geen vaste gebedstijden hadden en de Heer alleen spontaan aanriepen in moeilijke omstandigheden. Als u de gebeden van de apostel Paulus bekijkt, zult u nauwelijks een passage vinden waarin hij bad voor de uiterlijke omstandigheden van zijn medegelovigen; hij bad juist altijd voor hun geestelijk welzijn en groei. Het volk van God lag hem na aan het hart, net zoals Daniël. Drie keer smeekte hij de Heer om vergeving voor de doorn van zijn vlees die zijn lichaam hadden verwond; drie keer en niet meer, want de Heer had hem gezegd dat Zijn genade genoeg zou zijn (2 Kor. 12:7-9). Het kan ook gebeuren dat de Heer ons in onze persoonlijke gebeden zegt daarmee op te houden (Deut. 3:26). Dan moeten we geestelijk accepteren, dat de Heer in een bepaalde kwestie een deur voor ons heeft gesloten en die niet meer zal openen.

We leren dus niet uit Daniëls voorbeeld, dat we zijn gebedsgewoonten letterlijk en in wettische, formele zin moeten overnemen. Het voorbeeld van Paulus laat ons zien, dat we onze afhankelijkheid van de Heer altijd door gebed tot uitdrukking moeten brengen. Wat ons persoonlijke gebedsleven betreft, moeten we de Heer regelmatig het meest geschikte moment van de dag aanbieden – wat dat voor ieder individu ook mag zijn – en ons niet alleen laten leiden door omstandigheden van nood. In ieder geval zouden we de dag niet moeten beginnen zonder gebed, zonder contact te hebben gehad met de Heer en Zijn Woord. Zonder dat zal de dag niet gezegend zijn!

En ook Daniël knielde neer in gebed. De Bijbel, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament, staat vol voorbeelden van gelovigen die voor God knielden in gebed (bijv. Salomo in 2 Kron. 6:13; Elia in 1 Kon. 18:42; Ezra in Ezra 9:5; Petrus in Hand. 9:40; Paulus in Hand. 20:36; 21:5); ook onze Heer, als mens op aarde, bad op zijn knieën (Luk. 22:41). Wanneer we gezond zijn, is dit de juiste houding van nederigheid voor God, in plaats van onderwerping aan Hem. Zij die knielen zijn hulpeloze wezens; het is de uiterlijke uitdrukking van wat we innerlijk zijn: machteloos in onszelf, maar vertrouwend op onze Heer en op onze God en Vader! Knielen is geen onbelangrijke zaak; het eert God.

Naast het persoonlijke gebed van ieder afzonderlijk is ook het gemeenschappelijke gebed van elke plaatselijke gemeente van groot belang! We zouden minstens één keer per week als gemeente samen moeten komen om te bidden. En ook daarvoor geldt dat, wat voor het persoonlijke gebed belangrijk is: dat we meer moeten bidden voor de geestelijke groei en het welzijn van onze broeders en zusters. Toen Petrus door Herodes in de gevangenis werd geworpen, bad de gemeente in Jeruzalem voortdurend tot God voor hem (Hand. 12:5); dit was een gebed voor Petrus’ uiterlijke omstandigheden. Dat kunnen we zeker ook doen, maar we mogen de andere aspecten daarbij niet verwaarlozen.

Samenvattend kunnen we verschillende punten uit Daniëls gebedshouding in dit vers aanwijzen die een voorbeeld zijn voor ons eigen gebedsleven:

  • De uiterlijke omstandigheden (de verordening van de koning) had zijn goede gewoonte niet veranderd.
  • Daniël bad in zijn eigen, rustige omgeving, in een ongestoorde ruimte (een kamer op de bovenverdieping van zijn huis).
  • Hij bad op basis van het Woord van God (open ramen met uitzicht op Jeruzalem; 1 Kon. 8:47-48).
  • Hij had de woonplaats van God en Gods volk niet uit het oog verloren (met uitzicht op Jeruzalem; vgl. Ps. 137).
  • Hij bad met een zekere regelmaat (drie keer per dag).
  • Zijn houding tijdens het gebed (op zijn knieën) drukte zijn eerbied voor God uit.
  • Hij had ook variatie in zijn gebedsleven (gebed en lofprijzing).
  • Hij was zich oprecht bewust van wie hij voor zich had en met wie hij sprak (voor zijn God).

 

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 02.02.2015

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW