1 dag geleden

De profeet Daniël (25)

Bijbelgedeelte: Daniël 6 vers 5-10

Leestijd: 6 minuten

5. Daarop gingen de rijksbestuurders en de stadhouders zoeken naar een grond voor een aanklacht tegen Daniël inzake het koninkrijk, maar zij konden geen enkele grond voor een aanklacht, of iets verkeerds vinden, omdat hij betrouwbaar was en er geen nalatigheid of iets verkeerds bij hem te vinden was.
6. Toen zeiden deze mannen: Wij zullen tegen deze Daniël geen enkele grond voor een aanklacht vinden, tenzij wij iets tegen hem vinden in de wet van zijn God.

Daniël zou een positie krijgen die de andere rijksbestuurders en stadhouders maar wat graag voor zichzelf hadden gehouden. Blijkbaar had Darius dit voornemen om Daniël over het hele koninkrijk te benoemen niet meteen uitgevoerd. Maar de twee andere rijksbestuurders en de stadhouders waren er kennelijk wel van op de hoogte. De twee andere rijksbestuurders waren ongetwijfeld het meest getroffen door het vooruitzicht, dat Daniël boven hen zou worden geplaatst; en men kan zich voorstellen dat ze vervolgens probeerden de stadhouders voor zich te winnen om iets te vinden om Daniël op aan te merken. Ze onderzochten vrijwel Daniëls hele leven, op zoek naar iets in zijn gedrag tijdens zijn ambtsperiode, dat ze konden bekritiseren en tegen hem konden gebruiken bij de koning, zodat hij deze hoge positie niet zou krijgen. Het motief hiervoor kan niet louter afgunst en wrok zijn geweest (Jak.3:16), maar zelfs haat. Afgunst ontstaat altijd wanneer iemand iets begeert en niet krijgt wat een ander bezit. Dit kan het geval zijn in de materiële wereld, maar helaas ook in de geestelijke wereld!

De rijksbestuurders en de stadhouders wisten, dat ze alleen een aanklacht tegen Daniël konden vinden als de wet van de God van Daniël in strijd was met de wet van de koning – dat wil zeggen, als er iets in Gods wet was dat de wet van de koning tegensprak. Maar er was niets van dien aard, en daarom moesten ze het heft in eigen handen nemen, zo’n situatie creëren en een bijbehorend gebod uitvaardigen. Deze vastberaden en trouwe houding van Daniël doet denken aan 1 Petrus 4 vers 15-16 en ook aan Filippi 2 vers 15. Gelovigen behoren trouw te zijn! En dat is precies wat deze rijksbestuurders van Daniël aannamen: dat hij trouw zou blijven aan zijn God, zelfs met dit beoogde gebod. Ze wisten, dat er een bolwerk in Daniëls leven was, dat ze niet konden veroveren, een bolwerk waar Daniël geen compromissen zou sluiten. Ze waren er absoluut zeker van, dat hij zich niet zou schikken en dat ze hem juist op die manier te pakken zouden krijgen. Wat een indirecte getuigenis van zijn vijanden voor Daniël!

Bij de uitoefening van zijn professionele verantwoordelijkheden kon er dan ook geen enkele beschuldiging of wangedrag van Daniël worden gevonden – geen enkele! Geen overtreding, zelfs geen verwaarlozing van zijn plichten, kon worden ontdekt, hoewel men wanhopig op zoek was naar iets. Gods reden hiervoor is, dat Daniël trouw was, en dit alles heeft in eerste instantie alleen betrekking op de uitvoering van zijn beroepsplichten. Hij had alles betrouwbaar gedaan zoals het volgens de wet en de orde moest gebeuren, en zoals de koning wenste. Wie kan in de uitoefening van het beroep hetzelfde zeggen over zijn verantwoordelijkheden – geen enkele onregelmatigheid?! In Gods ogen is het van buitengewoon grote waarde wanneer wij onze aardse roeping trouw vervullen (Kol. 3:22-23; Titus 2:9-10). En er is ook een absoluut verband tussen de trouw van een gelovige in zijn aardse beroep en zijn activiteit in de geestelijke wereld. Mensen die de Heer roept tot Zijn dienst zijn over het algemeen degenen die zich eerder in hun aardse beroep hebben bewezen; het Oude en Nieuwe Testament staan ​​vol met dergelijke voorbeelden. De Heer zal geen luie mensen in Zijn dienst aannemen!

Het gaat hier over het gedrag van een gelovige in een vijandige wereld, over zijn trouw in zijn aardse roeping. Door zijn oprechte besluit kon Daniël, voor zover mogelijk, de drievoudige invloed van de Babylonische heropvoeding vermijden: de Chaldeeuwse taal, hun voedsel en de hernoeming met Babylonische namen. Waar mogelijk zei hij nee; menselijkerwijs gesproken zou dit het einde van zijn carrière hebben betekend. Maar God gebruikte juist dit om hem naar de hoogste posities te brengen, zowel in het Babylonische als in het Medo-Perzische rijk. Zelfs Darius moest erkennen, dat Daniël zijn God voortdurend had gediend (Dan. 6:21). Daniëls voorbeeld is dan ook een voorbeeld voor alle jonge gelovigen met betrekking tot hun opleiding en carrière. Dit betekent niet, dat een leven van trouw geloof altijd wordt bekroond met economisch of aards succes, maar er is wel een beloning van God.

Wat betreft carrières in aardse beroepen, kunnen we waardevolle lessen trekken uit Daniëls leven: hij streefde nooit naar beroepssucces, maar had andere dingen die belangrijk voor hem waren. En ongeacht zijn positie vervulde hij altijd trouw zijn plichten. Bovendien stelde hij in alles wat hij deed altijd zijn God voorop. Ten slotte laat dit hoofdstuk ons ​​zien, dat een hoge positie ook bijzondere gevaren met zich meebrengt.

7. Zo kwamen deze rijksbestuurders en stadhouders eensgezind bij de koning en zeiden het volgende tegen hem: Koning Darius, leef in eeuwigheid!
8. Al de rijksbestuurders van het koninkrijk, de machthebbers, de stadhouders, de raadslieden en de landvoogden, zijn na onderling beraad van mening dat er een koninklijk besluit moet worden opgesteld en een verbod moet worden bekrachtigd, dat al wie binnen dertig dagen een verzoek zal richten aan welke god of mens ook, behalve aan u, o koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen.
9. Nu dan, koning, stel het verbod op en onderteken het bevelschrift, dat niet veranderd mag worden, volgens de wet van Meden en Perzen, die niet mag worden herroepen.
10. Daarop ondertekende koning Darius het bevelschrift en verbod.

Darius zelf was niet de man geweest, die de onherroepelijke wet had ingevoerd. Deze wet van de Meden en Perzen bestond al; maar op basis van deze onherroepelijke wet zou hij nu een verbod uitvaardigen, dat niet meer kon worden gewijzigd. Hij werd in de val gelokt door de listigheid van zijn rijksbestuurders, een val die hij niet herkende.

Even daarvoor hadden de rijksbestuurders gezegd, dat ze iets moesten vinden waardoor Daniël, door de wet van zijn God te volgen, in conflict zou komen met de wetten van de Meden en Perzen. En nu renden ze meteen naar de koning. Ze hadden niet eens hoeven te overleggen hoe ze dat moesten uitzoeken. Tijdens hun onderzoek naar het gedrag van Daniël in functie moeten ze ook hebben gezien hoe trouw en regelmatig hij tot zijn God bad. Het leven van Daniël was een eenheid; zijn professionele leven en zijn leven met God waren één.

Deze mannen hadden een zeer ingewikkeld web gesponnen. Het is verbazingwekkend hoeveel invloed ze hadden, dat ze van de koning konden eisen wat ze zelf hadden bedacht. Ze waren eensgezind geworden en wat ze Darius nu voorlegden was buitengewoon geraffineerd: de koning moest een decreet uitvaardigen en een verbod op het vragen om iets aan welke god dan ook gedurende 30 dagen, behalve aan de koning zelf. En iedereen die ongehoorzaam was, zou in de leeuwenkuil worden geworpen. Maar hun aanpak was ook gebaseerd op een leugen, want niet alle leiders, bestuurders en andere autoriteiten waren het met dit voorstel eens, aangezien Daniël niet bij deze beraadslaging aanwezig geweest. Het is ook merkwaardig, dat koning Darius niet eens vroeg wat Daniël, als hun beoogde leider, van dit voorstel te zeggen had.

“… Aan welke god of mens ook” was zo’n verfijnde manier om het te zeggen. Darius trapte in de val die voor hem was gezet, omdat hij zich erdoor liet vleien. Hij accepteerde zonder aarzeling het aanbod om gedurende die dertig dagen boven elke god, of elk mens ook, te worden verheven. Laat dat niet zien hoe triest zijn toestand werkelijk was? Als hij ook maar een greintje eerbied voor God had gehad, zou hij de valstrik die voor hem was gelegd, hebben herkend. Maar hij liet zich verblinden en door het verbod te laten vastleggen, werd hij de gevangene van zijn eigen volk.

Darius liet zich door deze verordening in de positie van God plaatsen – ook al was het maar voor 30 dagen. Daarmee is hij een huiveringwekkend voorbeeld, niet alleen van de antichrist, maar ook van de laatste Romeinse vorst die zich liet aanbidden alsof hij God was. Had hij maar even over dit voorstel nagedacht! Maar nee, hij liet het bevelschrift onmiddellijk opstellen.

De vreselijke gevolgen van het negeren van dit bevelschrift tonen ook aan, dat deze mensen totaal niet met God rekenden. Ze dreigden niet met de dood, maar voor hen was in de leeuwenkuil geworpen worden synoniem met de zekere dood. Ofwel hadden ze niets gehoord van de wonderbaarlijke redding van Daniëls drie vrienden uit de vurige oven van Babylon, ofwel beschouwden ze de leeuwenkuil als een nog zekerder middel.

 

Achim Zöfelt; © www.bibelstudium.de

Online in het Duits sinds 31.01.2015.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW