11 jaar geleden

De plaats van de vrouw (5)

Het is niet maar een zaak van gewoonte, dat in de tegenwoordigheid van de Heer de mannen het hoofd onbedekt, de vrouwen echter het hoofd bedekt moeten hebben. Deze orde van zaken heeft een werkelijk Schriftuurlijke grond en Schriftuurlijke betekenis … Het is dikwijls juist in de kleine dingen, zoals het bedekken of niet bedekken van het hoofd, dat de toestand van het hart openbaar wordt. Daaruit blijkt het of iemand bereid is zich aan God en Zijn Woord te onderwerpen, of dat men er de voorkeur aan geeft zich, ten opzichte van het Woord, aan te passen aan de mode en aan de wisseling van de tijden. Zeden en gewoonten kunnen veranderen, de beginselen van Gods Woord in deze en ook in andere dingen blijven echter onveranderd bestaan.

Hoofdstuk V

d. Het bedekken van het hoofd

In het begin van onze uiteenzettingen hebben we er al in het kort op gewezen, dat de vrouw, als ze bidt of profeteert of in de gemeente is, het hoofd bedekt moet hebben. Nu willen we dit punt een beetje nader bezien.

De apostel geeft hierover aanwijzingen in 1 Korinthe 11:3-16. Daar lezen we: “Maar ik wil, dat gij weet, dat Christus het hoofd is van iedere man en de man het hoofd van de vrouw, en God het hoofd van Christus. Iedere man die bidt of profeteert, en iets op het hoofd heeft, onteert zijn hoofd; en iedere vrouw die bidt of profeteert met een ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof zij geschoren was. Want als een vrouw niet gedekt is, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw schande is, zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, dan moet zij zich dekken. Want de man moet het hoofd niet dekken, daar hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man, want de man is ook niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, terwille van de engelen … Oordeelt zelf: is het betamelijk dat een vrouw ongedekt tot God bidt?”

Uit deze Schriftplaatsen zien we, dat God een bepaalde leiding en orde ingevoerd heeft, die we naar Zijn wens erkennen en naleven moeten. Het is niet maar een zaak van gewoonte, dat in de tegenwoordigheid van de Heer de mannen het hoofd onbedekt, de vrouwen echter het hoofd bedekt moeten hebben. Deze orde van zaken heeft een werkelijk schriftuurlijke grond en schriftuurlijke betekenis.

God is het hoofd van Christus, Christus is het hoofd van de man, en de man het hoofd van de vrouw. Waar de man het beeld en de heerlijkheid van God is en Christus het Hoofd van de man, zo zou het voor het Hoofd van de man – Christus – een oneer en schande zijn als de man zijn eigen hoofd bij het bidden of profeteren (dus bij het spreken in het openbaar) bedekt zou hebben. De heerlijkheid van Christus moet gezien worden en niet verborgen zijn.

De vrouw werd echter voor en uit de man geschapen. Zij is de heerlijkheid van de man en daarom moet ze het hoofd bedekt hebben, als ze bidt of profeteert. De heerlijkheid van de man moet niet gezien worden, vooral niet als men als gemeente samen komt. Daar dient alleen de heerlijkheid van Christus gezien te worden.

Verder heet het in vers 10, dat de vrouw een macht op het hoofd hebben moet, terwille van de engelen. Dat wil zeggen, dat ze een bedekking op het hoofd moet dragen als een teken van de macht van de man, aan wie ze onderdanig is. Als een vrouw in de tegenwoordigheid van de Heer het hoofd bedekt heeft, dan brengt ze daarmee tot uitdrukking, dat ze de man, als het hoofd haar door God gegeven, erkent. Een vrouw die het hoofd niet bedekt als de Heer tegenwoordig is, geeft daarmee te kennen, dat ze aan de man gelijk wil zijn en de plaats van onderdanigheid niet wil innemen. Ze onteert haar hoofd, al mag ze zich hiervan ook niet bewust zijn. De betekenis blijft onveranderd bestaan, ook dan als ze misschien in onwetendheid handelt. De engelen zijn toeschouwers in de gemeente en ook om hunnentwil moet daarom de Goddelijke ordening in acht worden genomen. Ze aanschouwen Goddelijke orde in de hemel en in de hele schepping, en ze dienen dus ook bij de gelovigen geen wanorde te zien. De Serafijnen bedekken zich in tegenwoordigheid van de Heer (Jesaja 6:1-3) en ze letten er op, of de vrouwen in gehoorzaamheid onder het Woord van God hetzelfde doen. Het is God’s bedoeling, dat “aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente bekend gemaakt zou worden de veelvoudige wijsheid van God” (Efeze 3:10-11). Deze “wijsheid van God” is de verborgenheid van Christus en Zijn gemeente, wat we in de verhouding tussen man en vrouw – hij het hoofd en zij aan hem onderworpen – afgebeeld vinden (Efeze 5:22-32).

Het bedekken van het hoofd heeft betrekking zowel op de ongetrouwde als op de getrouwde vrouwen. In 1 Korinthe 11 wordt van de man in het algemeen en ook van de vrouw in het algemeen gesproken. In Numeri 30:3-5 wordt ons geleerd, dat een vrouw in haar jeugd, in het huis van haar vader, aan diens gezag onderworpen is. Haar geloften waren alleen dan geldig, als haar vader haar daarin niet tegenhield. De geloften van een vrouw bleven alleen bestaan, als haar man daaraan zijn goedkeuring gaf. Bijgevolg moet dus een vrouw in de tegenwoordigheid van de Heer het gezag van haar vader of van haar echtgenoot of in het algemeen het gezag van de man erkennen. Het bedekken van haar hoofd is daarvan het uiterlijke teken.

e. De ontering van het onbedekte hoofd

“En iedere vrouw die bidt of profeteert met een ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof zij geschoren was. Want als een vrouw niet gedekt is, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen; maar als het voor een vrouw schande is, zich het haar te laten afknippen of zich te laten scheren, dan moet zij zich dekken” (1 Korinthe 11:5-6).

Als in het Oude Testament het hoofd van een vrouw ontbloot of geschoren was, was dat voor haar een teken van schande. We kunnen dit in Numeri 5:18 zien, waar een vrouw onder verdenking van haar man staat, en in Deuteronomium 21:10-13, waar een vrouw, schoon van gedaante, door een Israëliet als gevangene wordt weggevoerd. Daarom zegt de apostel ook hier in 1 Korinthe 11, dat, als een vrouw met ongedekt hoofd bidt of profeteert, het voor haar hetzelfde, is, alsof ze geschoren is. Waar nu het afknippen van het haar of het scheren een teken van schande voor haar is, dient ze haar hoofd te bedekken. Als ze in de tegenwoordigheid van de Heer is, mag geen teken van schande aan haar zijn. Ze mag niet voor het aangezicht van God verschijnen als iemand, die onder verdenking staat haar man ontrouw geweest te zijn. De bedekking op haar hoofd toont aan, dat ze hem als haar hoofd erkent en ook zijn volle vertrouwen geniet.

Het zal goed zijn, terloops ook nog op de verzen van 1 Korinthe 11 te wijzen, volgens welke “het een eer voor haar is, als een vrouw lang haar heeft” (vers 15). Door deze woorden uit de Heilige Schrift is wel voor elke godvruchtige vrouw het vraagstuk van de korte haardracht, zoals “bobbi-kop” enzovoorts eens voor al van de baan. Zou een vrouw van de heerlijkheid, die God haar gegeven heeft, werkelijk iets afknippen en weggooien? Zoiets zou schandelijk zijn en een daad van verzet. Zou zulk een vrouw wel de voeten van de Heer met haar haren kunnen afdrogen, zoals de vrouwen in Lukas 7:38 en Johannes 12:3 het deden?

f. Lang haar is geen bedekking

In enkele oude vertalingen heet het: “want het haar is haar als bedekking gegeven”. Daarom wordt door sommigen gezegd, dat het lange haar ertoe dient, het hoofd te bedekken en dat daarom een speciale bedekking niet nodig is. Dat is echter verkeerd vertaald en geeft de eigenlijke betekenis volgens de grondtekst helemaal niet weer. We hebben hier in het Grieks een uitdrukking, die van het woord, dat in vers 6 voor “bedekt” gebruikt wordt, totaal verschilt. Daar heet het “katakaluptesho”, en dat betekent bedekken, het hoofd bedekken. Hier echter in vers 15 staat: “peribolaiou” en dat betekent: “dat wat omgehangen of overgeworpen wordt” (Lidell en Scott.).

De nieuwere vertalingen geven deze zin echter juist weer met “omdat haar het lange haar tot een sluier gegeven is”. Dit betekent: het lange haar is door de natuur aan de vrouw gegeven, opdat het haar als een sluier omhullen zou. Het haar is niet de bedekking voor haar hoofd, waarop de apostel in de voorgaande verzen zo nadrukkelijk staat. Als de heerlijkheid van de man in de tegenwoordigheid van God bedekt moet zijn, zoals we reeds uiteengezet hebben, dan moet ook het lange haar van de vrouw, omdat het haar eigen heerlijkheid is, in Zijn tegenwoordigheid zoveel te meer bedekt gehouden worden. –

Eerst laat Paulus het verschil tussen de man en de vrouw zien en zegt erbij, dat de man het hoofd onbedekt, de vrouw het hoofd bedekt moet hebben. Dan keert hij zich tot het gevoel van welvoegelijkheid en betamelijkheid, dat voortkomt uit de ongelijksoortigheid van man en vrouw in de natuur, en nog een andere grond er voor is, dat ze het hoofd bedekt moet hebben. Dus moet ze op een andere wijze voor God verschijnen dan de man. “Oordeelt zelf: is het betamelijk dat een vrouw ongedekt tot God bidt? Leert ook de natuur zelf u niet”? (verzen 13-14). Reeds naar de natuur heeft God de vrouw lang haar als een sluier gegeven, om zich daarmee te omhullen. Wat dus de vrouw werkelijk betaamt, als ze tot God bidt is, dat ze haar hoofd bedekt.

Wij hebben zulk een gewoonte niet

“Doch als iemand lust heeft tot twisten, wij hebben zulk een gewoonte niet, evenmin de gemeenten van God” (vers 16). De apostel had de mening van God in deze aangelegenheid op voldoende duidelijke wijze uiteengezet. Als iemand hierover nog wil strijden of argumenteren, voegt hij er eenvoudig aan toe: “Noch wij, noch de gemeenten van God hebben de gewoonte om te strijden”.

Het is dikwijls juist in de kleine dingen, zoals het bedekken of niet bedekken van het hoofd, dat de toestand van het hart openbaar wordt. Daaruit blijkt het of iemand bereid is zich aan God en Zijn Woord te onderwerpen, of dat men er de voorkeur aan geeft zich, ten opzichte van het Woord, aan te passen aan de mode en aan de wisseling van de tijden. Zeden en gewoonten kunnen veranderen, de beginselen van Gods Woord in deze en ook in andere dingen blijven echter onveranderd bestaan.

Wordt D.V. vervolgd.

R.K. Campbell

Als brochure verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, RM