12 jaar geleden

De plaats van de vrouw (1)

volgens de Heilige Schrift

Februari 2008. In onze dagen waarin de emancipatie een enorme vooruitgang heeft geboekt, is het bijna een waagstuk geworden om daarover aan de hand van de bijbel iets te zeggen. De media meldt zeer regelmatig in allerlei toonaarden van de zogenaamde “onderdrukking” van de Westerse vrouw. Zij moet in opstand komen, zo spoedig mogelijk achter haar ‘aanrecht’ vandaan komen en op haar ‘rechten’ gaan staan. Als zij gehuwd is en kinderen heeft, moet zij de kinderen al heel jong thuis laten en door anderen laten opvoeden om zelf carrière te kunnen maken. Haar man moet ‘huisman’ worden; als hij niet zo handig is in de huishouding dan desnoods maar met opleiding hiervoor. De rollen moeten niet alleen veranderen maar het liefst omgedraaid worden. Ja, zij moet nog een heleboel dingen meer die zij voorheen niet deed noch kon. Immers pas dan ben je echt gelukkig en ben je een moderne vrouw die geslaagd is in het leven. Ik ben immers niet de ‘mindere’ van mijn man? Welnee, dat zullen wij – geëmancipeerde vrouwen – wel eens bewijzen! Onder de Christenen nemen wij ook een steeds voornamere plaats in. Zelfs in de samenkomsten van de gelovigen, want ook de kansel staat nu voor ons open. Die plaats komt ons immers ook toe? Wij kunnen als Christenvrouwen toch niet achterblijven? Die ouderwetse “rolverdeling” moet nu maar eens definitief van de baan ….. Moet ik nog verder gaan? Is dit niet zo ongeveer wat de moderne vrouw, en helaas ook vele Christinnen, vandaag nastreven? Graag voeg ik er hier aan toe: Gelukkig niet alle zusters in de Heer en ook niet alleen ‘oudere’ zusters. Maar dat heeft een oorzaak, die ook duidelijk wordt in deze serie artikelen. Maar … wat zegt de Bijbel, de heilige Schrift nu over deze dingen? … Geliefde zusters, ik hoop dat jullie niet schrikken door deze inleiding. Het is mijn intentie jullie te wijzen op jullie geweldige plaats als vrouw voor de Heer, waarin je juist het ‘hoogste’ geluk kunt beleven … En daarvoor moet wel de heilige Schrift open … Lees dus maar rustig verder … Tip: het artikel “De dochters van Zeláfead” geeft ook veel informatie …

Voorwoord:

In deze serie artikelen zal een beschouwing gegeven worden over de plaats, die de vrouw in het familieleven, maatschappelijk leven en in de gemeente inneemt en wel, zoals de Heilige Schrift ons die plaats tekent. Er zal niet getracht worden de plaats te bepalen, die de vrouwen gewoonlijk innemen, of zoals die hun in hun kringen toegedacht wordt, en evenmin wat in de belijdende kerk in dit opzicht als gepast, of als juist geleerd wordt. Voor ons kan alleen de vraag: Wat zegt de heilige Schrift? (Romeinen 4:3; Galaten 4:30) van beslissende betekenis zijn. Wij willen dus onderzoeken, wat God in Zijn Heilig Woord over die plaats gezegd heeft.

Voor al diegenen, die de Bijbel als het geïnspireerde Woord van God beschouwen en hem als hun richtsnoer erkennen, zal zeker dat, wat God gezegd heeft, beslissend en maatgevend zijn. Onze uiteenzettingen zijn dan ook aan hen gericht, die het gezag van de Heilige Schrift erkennen. We willen alleen op deze geopenbaarde Waarheid steunen. Moge de lezer of lezeres het voorbeeld, van de Bereërs volgen, die “het woord ontvingen met alle bereidwilligheid en dagelijks de Schriften onderzochten of deze dingen zo waren” (Handelingen 17:1).

Inleiding:

Iedere lezer of lezeres die nadenkt, zal toegeven, dat God aan de vrouw in het familieleven, in het maatschappelijk leven en in de gemeente een bijzondere en wondervolle plaats gegeven heeft, en dat zij door Hem voor deze merkwaardige en unieke plaats, die een man nooit naar behoren zou kunnen innemen, ook op een bijzondere wijze werd uitgerust. Van het begin tot het einde toont ons de Schrift, dat de vrouw in de schepping, bij de zondeval, onder de wet in het Oude Testament en onder de genade in de gemeente van het Nieuwe Testament steeds een bijzondere plaats inneemt. Uit het Woord van God zien wij, dat aan de vrouw, voor haar dienst, een eigen gebied, toegewezen werd en dat deze dienst een zeer gezegende en ook een noodzakelijke is.

Opdat wij ons onderwerp beter zullen verstaan, zal het goed zijn wanneer wij eerst de plaats van de vrouw beschouwen, zoals die was in de schepping, bij de zondeval, en in de tijd toen de mens, onder de wet stond, en dan haar plaats in het huis. Als wij de plaats, die de vrouw in deze verhoudingen, door God werd toegewezen, verstaan hebben, dan vergemakkelijkt ons dit het beschouwen van en het begrip voor haar plaats naar de Schrift in de gemeente.

Hoofdstuk I

In de Schepping

Uit Genesis weten wij, dat de man het eerst geschapen werd, en dat God daarna uit de rib van Adam een vrouw vormde en haar tot de man bracht, opdat zij hem een hulpe zou zijn. In 1 Korinthe 11:8-12 geeft Gods Geest ons hierbij de volgende verklaring: “Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man; want de man is ook niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. Daarom moet de vrouw een macht1 op haar hoofd hebben, om der engelen wil. Evenwel is noch de vrouw zonder de man, noch de man zonder de vrouw, in de Heer. Want zoals de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw, maar alle dingen zijn uit God”. En hiermee hebben wij een nauwkeurig bepaalde en uiteengezette beschrijving van de ware verhouding tussen man en vrouw.

Alleen het feit al, dat de vrouw uit de man werd genomen, geeft ons het bewijs, dat zij zijns gelijke is. Zij is niet minder dan hij, maar een hulpe van hem, die haar gelijke is. Er is dus gelijkheid, maar er is ook onderscheid. De vrouw werd terwille van de man geschapen, om hem terzijde te staan. Het heeft nooit in Gods bedoeling gelegen, dat de vrouw zonder de man een zelfstandig schepsel zou zijn, maar dat ze de man toegevoegd en zij zo samen één vlees zouden zijn, wat een beeld is van Christus en Zijn Bruid, de gemeente. Nooit kan een vrouw op schoner wijze stralen, dan wanneer zij aan het doel beantwoordt, waartoe zij geschapen werd, namelijk in de eerste plaats, de man tot een hulp te zijn.

Wij moeten evenwel ook onder ogen zien, hoe uit het feit, dat de vrouw uit de man is, blijkt, dat de man haar hoofd is. Dat is de gevolgtrekking, die ons Gods Geest in de bovengenoemde verzen uit 1 Korinthe 11 voor de aandacht stelt: “Daarom (dat wil zeggen haar plaats in de schepping in aanmerking genomen) moet de vrouw een macht op het hoofd hebben (dat wil zeggen een teken van de macht, [het gezag] van de man, aan wie zij ondergeschikt is) om der engelen wil” (1 Korinthe 11:10). In vers 3 zegt de apostel: “Maar ik wil, dat gij weet, dat Christus het hoofd is van iedere man, en de man het hoofd van de vrouw”. Op grond van de Goddelijke scheppingsorde moet de vrouw, de man als haar hoofd erkennen en daarom een teken van zijn macht over haar, op het hoofd hebben, dat wil zeggen zij moet haar hoofd bedekt hebben. In het bijzonder, als ze bidt of profeteert, of in de gemeente is (vers 5-10). Het is zoals in de schepping. De engelen moeten de Goddelijke orde ook in de gemeente aanschouwen.

Over het punt, dat de vrouw haar hoofd bedekt moet hebben, zullen wij later nog iets meer zeggen. Nu hebben wij dit thema slechts in verbinding met haar plaats in de schepping genoemd, en omdat hieruit de erkenning van de man als haar hoofd blijkt. Want dat wil het volgens de Schrift zeggen, als zij haar hoofd bedekt.

In 1 Korinthe 11:14-15 voert de apostel de natuur als verder bewijsstuk aan voor het onderscheid tussen man en vrouw en voor de plaats van onderdanigheid, die de vrouw toekomt. “Leert ook de natuur zelf u niet, dat als een man lang haar draagt, het een schande voor hem is? Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat haar het lange haar tot een sluier gegeven is”. Ter onderscheiding heeft God de vrouw lang haar, de man echter kort haar gegeven. Het behoort tot de orde van de natuur, als een vrouw lang, een man kort haar heeft. Het lange haar is in de Heilige Schrift in het algemeen een beeld van de afhankelijkheid, de onderdanigheid en de terughoudendheid, die de vrouw, als het “zwakkere vat” waaraan de man eer behoort te geven, (1 Petrus 3:7) siert.

Onze schriftplaats uit 1 Korinthe 11 spreekt over het haar van de vrouw, als over haar eer. Maar slechts dan kan de vrouw haar eer en de schoonheid, die haar gegeven is, ten toon spreiden, zolang zij blijft op de plaats van afhankelijkheid en onderdanigheid, welke plaats God haar heeft aangewezen en zij haar hoedanigheid van vrouw behoudt. Hoe vrouwelijker de vrouw is, des te schoner en aannemelijker is zij voor God. En hoe meer de vrouw probeert zich als een man te gedragen en zijn plaats in te nemen, des te meer verliest zij aan ware schoonheid en deugd.

De woorden: “Leert ook de natuur zelf u niet” kunnen echter nog in uitgebreider betekenis op ons onderwerp toegepast worden. De natuurlijke hoedanigheid en de gemoedsaard zijn bij man en vrouw geheel en al verschillend. God heeft in Zijn Wijsheid bij man en vrouw grote verschillen gelegd in de hoedanigheid van het lichaam, het geestelijke leven en het gevoelsleven. Hij gaf aan de man een lichaamsgrootte, kracht en oordeelsvermogen, waarin hij de meerdere is ten opzichte van zijn vrouw. Maar in gelukkige tegenstelling tot dit alles, gaf Hij aan de vrouw: natuurlijke bevalligheid, zachtmoedigheid en geestelijke vermogen, waardoor zij in het bijzonder voor haar taak in huiselijke kring, bekwaam gemaakt is. Klaarblijkelijk zijn man en vrouw door de Schepper via de natuur op zulk een wijze uitgerust, dat elk voor zich een duidelijk gekenmerkte en afgescheiden plaats zou innemen en toch elkaar zouden aanvullen (zie Genesis 2:18-19).

De schepping en de natuur leren ons dus, dat de vrouw in de samenleving een plaats inneemt, die verschillend is van die van de man. Wij zullen eveneens zien, dat haar plaats in de gemeente, haar door God toegewezen, geheel en al in overeenstemming is met haar plaats in de schepping en in de natuur. Ja, wij zien zelfs, dat haar plaats in de gemeente ook door haar plaats in de schepping bepaald wordt en dat haar plaats, die zij in de natuur inneemt, een beeld is van haar plaats in de genade, onderscheidenlijk een beeld van haar plaats als Christin voor God. Beide zijn niet van elkaar te scheiden. God geeft noch aan de vrouw noch aan de man een plaats in de gemeente, die niet in overeenstemming zou zijn met hun plaats in de schepping of in de natuur.

NOTEN:
1. Dit is een teken van de macht (van het gezag) waaronder zij staat.

R.K. Campbell

Als brochure verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW