13 jaar geleden

De ondeugdelijke fundamenten van de Nieuwe Bijbel Vertaling

Ter informatie

Ongetwijfeld is het laatste woord over de Nieuwe Bijbel Vertaling (NBV) nog niet geschreven. Maar onderstaand commentaar is zeer de moeite waard om u te oriënteren op een belangrijk gegeven als een “Bijbelvertaling”. U begrijpt dat Frisse Wateren niet aansprakelijk is voor hetgeen hieronder geschreven werd, maar het wel van harte wil aanbevelen. Het is ook niet de bedoeling om hierover een discussie op gang te zetten, maar wel om de Bijbellezer te attenderen op het belang van een goede Bijbelvertaling en hiermee niet slordig om te gaan. Dat gevaar is namelijk zeer zeker aanwezig, omdat immers de houding van “alles moet kunnen” en “je moet niet zo zeuren” steeds meer terrein wint. – Frisse Wateren – rm.

De ondeugdelijke fundamenten van de Nieuwe Bijbel Vertaling

Commentaar op de inleidingen op de Bijbelboeken en enkele andere opmerkingen

Door drs. Karel van Berghem

VOORWOORD

Met veel publiciteit werd een nieuwe Bijbelvertaling aangekondigd. In 1993 werd voor het eerst gezamenlijk door het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting met de interconfessionele (lees: oecumenische) vertaling begonnen. In 1998 en 2000 verschenen de eerste deelvertalingen. Daarin kwamen naast de gebruikelijke canonieke bijbelboeken ook apocriefe boeken zoals Judit en Tobit voor. In de eerste uitgaven van de Statenvertaling (1618-1619) kwamen de apocriefe boeken nog voor. In de loop van de 18e eeuw zijn ze daaruit, als niet-goddelijik geïnspireerd, voor goed verdwenen.
Er is veel commentaar geleverd op deze nieuwe bijbelvertaling. In dit overzicht gaat het niet over de kwaliteit van de vertaling. Daarop wordt met één voorbeeld uit het Oude en één uit het Nieuwe Testament een uitzondering gemaakt:

TWEE VOORBEELDEN

Vergelijking van de Nieuwe Bijbel Vertaling (2004), met de Nieuwe Vertaling (1951) en de Statenvertaling (1618-1619).

Voorbeeld uit het Oude Testament: In de Nieuwe Bijbel Vertaling luidt de tekst van Ps. 69:10: ”De hartstocht voor uwe huis heeft mij verteerd.” Het Hebreeuwse ×§× ×?תִ (qin’â) wordt hier vertaald met ’hartstocht.’ Dit woord wordt in dezelfde betekenis aangetroffen in Num. 25:11. Daar vertaalt de NBV (2004) met ‘afgunst’ en ‘opkomen voor’; en in 2 Kon. 10:16, met ’beijver’.

De Nieuwe Vertaling (1951) en de Statenvertaling vertalen Num 25:11 consequent met ’ijver.’ Het bijbels begrip ×§× ×?תִ heeft in het bijzonder te maken met jaloersheid en speciaal in huwelijksrelaties. Vaak wordt de relatie van God met het volk Israël voorgesteld als een huwelijk. Afgoderij (=iets of iemand anders in plaats van God op de eerste plaats stellen) is geestelijk overspel. In Ex. 20:5 vertaalt de NBV (2004) dat begrip met: ”het niets anders naast zich dulden.” In de grondtekst staat ook daar het zelfde grondbegrip Ö´×§× ×?. Maar iets of iemand ’niet naast zich dulden’ is iets anders dan ’hartstocht.’ Het woord ’hartstocht’ (passion) komt in het Oude Testament niet voor. De conclusie is dat ×§× ×?תִ (qin’â) ten onrechte met ‘hartstocht’ vertaald wordt.

Hartstocht geeft een ’onstuimige drang van de zinnen’ aan, ’een heftige onstuimige genegenheid tot liefde voor …,’ een zinnelijke liefde,’ enz. Het begrip hartstocht heeft (ook) een negatieve lading. In Ps. 69:10, waar hetzelfde begrip voorkomt, gaat het om een Messiaanse Psalm waarin David aangaande Jezus Christus profeteert. Het is onjuist om in Zijn handelen een negatief element als ’hartstocht’ in te lezen. Het weerspiegelt een verkeerd Godsbesef.

Voorbeeld uit het Nieuwe Testament:

In de NBV (2004) wordt Hand. 2:38 vertaald met: ”Keer u af van uw huidige leven …” In de Nieuwe Vertaling (1951) en de Statenvertaling staat : ”Bekeert u …”.

Bekeren is de vertaling van het Griekse μετανoέω, (metanoèo). Het begrip ’bekering’ veronderstelt en sluit een volledige verandering onder de invloed van de Heilige Geest in. Het betekent iets meer, ja iets heel anders, dan de borrel laten staan…

Bekering kan niet buiten het geloof om. Het betekent een grondige verandering van hart en ziel, van leven en handelen.

Het gaat niet alleen om een verstandelijke afweging maar om het geweten. “Toen ze dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen (…) Wat moeten wij doen mannen, broeders?” (Hand. 2:37). Het gaat om een volkomen verandering van het hart en een geestelijke ommekeer.

“Keer u af van uw huidige leven,” is een verschraling van het begrip ‘bekering.’ Met zich afkeren kan men zich afwenden van … zonder zich toe te wenden tot … Het: “ik zal het nooit meer doen,” werkt niet.

Nu kan men aan de hand van twee voorbeelden niet een hele vertaling beoordelen. Maar andere commentatoren hebben uitvoerig commentaar op de Nieuwe Vertaling gegeven waar dan ook naar wordt verwezen. In dit stuk ligt de nadruk op die Inleidingen tot de Bijbelboeken.

DE SCHRIFTKRITISCHE INLEIDINGEN OP DE BIJBELBOEKEN VAN DE NBV

Opvallend en verontrustend, is dat er door critici nauwelijks aandacht besteed schijnt te worden aan de Inleidingen, die aan die aan elk bijbelboek voorafgaan, ook niet aan de inlijving van apocriefe boeken.

De bedoeling van de Nieuwe Bijbel Vertaling (2004) is om de bijbeltaal voor de tegenwoordige generatie beter begrijpelijk te maken.

Maar de vraag dringt zich op, of een beter begrip van de bijbeltekst zin heeft als door de Inleidingen de tekst, die er op volgt, met twijfel wordt omgeven. Zo zou in een aantal gevallen de schrijver iemand anders geweest zijn dan de naam die boven het boek staat aangegeven.

Als voorbeeld dienen de eerste vijf boeken van de Bijbel, de boeken van Mozes. Hij leefde en schreef in de 13e eeuw voor Christus. Volgens de Inleiding op het Boek Genesis werden Mozes’ boeken (Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium) pas in de 5e eeuw v. Chr. aan hem toegeschreven. Dit wordt door de Inleiders verantwoord met: “Tegenwoordig nemen velen aan dat deze boeken in hun huidige vorm het resultaat zijn van een langdurig proces van overleveren en redigeren ….”. Volgens de Inleidingen op de vijf boeken wordt niet gezegd, dat Mozes deze boeken niet heeft geschreven, maar men kan er niet van uitgaan, dat hij geschreven heeft wat er nu staat.

De kritische lezer zal hier vragen:

  1. Wat gebeurde er met de tekst in de 800 jaren, die verliepen voordat deze tekst definitief tot stand kwam?
  2. Wie zijn die ”velen die aannemen”?
  3. Wat nemen ze aan en op grond waarvan?

EERSTE HOOFDBEZWAAR

De redacteuren hebben in de loop der eeuwen de tekst onder handen genomen. Hoe zag die er oorspronkelijk uit? In Ex. 25:16 staat te lezen dat God aan Mozes de opdracht gaf de ”getuigenis,” die God hem geven zou, in de Ark te leggen. In de Inleiding op het Boek Exodus staat te lezen: ”Tegenwoordig nemen velen aan dat deze boeken in hun huidige vorm het resultaat zijn van een langdurig proces van overleveren en redigeren.”

Wie geeft dan de garantie, dat de tekst, zoals die nu wordt afgedrukt, precies dezelfde is zoals die door God Zelf aan Mozes werd gegeven? Wie hebben er aan het 8 eeuwenlange proces van overleveren en redigeren gesleuteld en waarom? Is dat nodig bij een door God Zelf geschreven tekst?

In Ex. 34:27 staat in de Nieuwe Vertaling (1951): “De HEER zei tegen Mozes: Stel deze geboden op schrift, want op grond van deze geboden sluit ik met jou en de Israëlieten een verbond.”

Was Mozes met zijn hoge (Egyptische) opleiding zo ongeletterd, dat in die 8 eeuwen deze Grondwet bewerkt en opnieuw geformuleerd moest worden? Zonder zich bekend te maken zijn de ”velen, die er tegenwoordig van uitgaan dat,” kennelijk moderne bijbelcritici.

Bij de niet in de theologie ingewijde bijbellezer wordt de indruk gewekt dat het om betrouwbare wetenschap gaat en dit het laatste woord is. Dat is beslist niet het geval.

De Inleidingen melden herhaaldelijk, dat de totstandkoming in de huidige vorm het resultaat is van een langdurig proces van overleveren en redigeren, hoe weet men dan dat de inhoud van de teksten er niet onder heeft geleden? Wat blijft er over van de goddelijke inspiratie? Hoewel de Nieuwe Bijbel Vertaling (2004) zelf meldt: ”Elke schrifttekst is door God geïnspireerd …” (2 Tim. 3:16). Daarover wordt in de Inleidingen nergens met een woord gerept, zelfs in de Inleiding op deze brief niet.

CANONIEK – APOCRIEF

Het Griekse woord waar ons woord ”canon” van afgeleid is betekent ”rietstok.” Het heeft de betekenis van ”maatstok” gekregen waarlangs men iets kan afmeten. Aan de hand van die standaard kan afgemeten worden of de boeken aan de vereiste maatstaf voldoen. Dat wil zeggen of ze goddelijk geïnspireerd zijn en als zodanig door Joden (Oude Testament) en Christenen (Oud- en Nieuw Testament) erkend worden. De boeken van het Oude Testament, die door de Joden als canoniek aanvaard waren, werden door de christelijke kerk als goddelijk geïnspireerd overgenomen. Na een langdurig proces van erkenning werd in het jaar 367 AD. een lijst van canonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament uitgegeven.

Apocrief betekent ”verborgen.” Van deze joodse boeken is de herkomst onduidelijk. Daarom worden ze door hen niet als goddelijk geïnspireerd erkend. Ten tijde van de Reformatie vroeg Maarten Luther zich af waarom Christenen het dan wel zouden doen.

De Rooms-Katholieke kerk heeft er altijd aan vastgehouden. Ze zijn minder gezaghebbend, maar wel gezaghebbend. De Reformatie erkende dit niet en gooide ze eruit. Het Nederlands Bijbelgenootschap heeft ze nooit opgenomen. Dat is nu veranderd!

TWEEDE HOOFDBEZWAAR

De inleiders verdoezelen de aard van de apocriefe nu zogenaamde deutero-canonieke boeken. Het wordt voorgesteld alsof er een tweede erkende canon bestaat.

Om het probleem te omzeilen bestaan er nu verschillende uitgaven met en zonder apocriefe boeken. De vertaling is immers interconfessioneel. Op termijn bestaat het gevaar, dat iemand die de apocriefe boeken niet in zijn bijbel heeft, geen complete bijbel heeft. Dit effect wordt door de ondermijnende kritiek op de canonieke boeken versterkt.

Hiermee worden de canonieke boeken af-gewaardeerd en de apocriefen op-gewaardeerd.

Conclusie: ze zijn zo ongeveer gelijkwaardig. Nog afgezien van de bekritiseerde Vertaling wordt met deze aanpak de inhoud van de Heilige Schrift ontkracht. Wat heeft het voor zin een bijbeltekst openbaar te maken die in vele gevallen een onbekende schrijver heeft of waarvan de herkomst niet te achterhalen valt. Of een tekst, die redactionele bewerkingen ondergaan heeft zodat niemand kan nagaan hoe de oorspronkelijke tekst eruit zag.

In de Messiaans-Joodse gemeente in Amsterdam zag ik een 13-jarige Nederlandse jongen. Hij las voor de gemeente een gedeelte uit de in het Hebreeuws geschreven Torah. Als hij dat kan wordt hij volgens de Joodse wet als man beschouwd. Een gewone Nederlandse jongen, die Hebreeuws leerde om Gods Woord in de oorspronkelijke taal te lezen. Is het teveel gevraagd dat kinderen de taal van Gods Woord leren lezen en begrijpen? Het gaat toch wel om iets: het eeuwige leven!

Moslim kinderen leren Arabisch om de Koran te kunnen lezen. Maar van Christenen mag men zo’n inspanning niet verwachten. Stel je voor. De gedachte alleen al ……..! Geeft dit niet te denken? Wij hebben de zoveelste nieuwe vertaling. Helpt het?

De talen van de heilige boeken van alle volken vormen een samenbindend element. Het houdt hun gemeenschap bijeen en geeft hen een identiteit. Waar is de onze? Inspiratie wordt veronachtzaamd. Wel is er sprake van verhalen en vertelkunst… (Er zijn ook nog nieuwtestamentische apocriefen. Worden die later als trito-canoniek opgenomen?)

In de Inleiding op de Bijbel in de Nieuwe Vertaling wordt aangetekend, dat deutero-canoniek betekent “in tweede instantie aan de canon toegevoegd”. Wordt hier met twee maten gemeten? In verhuld taalgebruik worden de apocriefen nu deutero-canoniek genoemd. Het Nederlandse Bijbelgenootschap neemt dit van Rome over. Met de goddelijk geïnspireerde bijbelboeken, die in de vele eeuwenoude canon liggen besloten, heeft dit alles niets te maken. De canonieke boeken hebben goddelijk gezag, de deutero-canonieke per definitie niet.

In dit overzicht worden de twee gesignaleerde problemen bijbelkritiek en apocriefen aangesneden:

  1. De veronderstelde onbetrouwbaarheid van de Bijbelse tekst;
  2. de introductie van de Apocriefe, zogenaamde Deutero-canonieke, boeken en de gevolgen daarvan.

INLEIDING OP DE BIJBEL

De oudst bekende schriftelijke overleveringen reiken terug tot de 8e eeuw voor Christus. Citaat pag. 3.

Genesis: In de Inleiding tot het eerste bijbelboek wordt het volgende aangetekend. ”Van de vijf boeken van Mozes, Jozua, Richteren, Samuël en de Koningen nemen tegenwoordig velen aan dat deze boeken in hun huidige vorm het resultaat zijn van een langdurig proces van overleveren en redigeren. Het redactieproces is al in de tijd van de koningen van Israël en Juda begonnen (ongeveer 1000-586 v. Chr.) en werd pas afgesloten na de Babylonische ballingschap, in de Joodse gemeenschap in de tijd van de tweede tempel, (na 515 v. Chr.).”

Exodus: De Inleiding vermeldt verder ”Vanaf de tijd van Ezra en Nehemia (rond 450 v. Chr.) werden deze boeken aan Mozes toegeschreven. Tegenwoordig nemen velen aan …

Leviticus: Na herhalingen: Tegenwoordig nemen velen aan…

Numeri: Na herhalingen, Tegenwoordig nemen velen aan…

Deuteronomium: Na herhalingen, tegenwoordig nemen velen aan …

Jozua: Na herhalingen, tegenwoordig nemen velen aan…

Richteren: nu Rechters genoemd: Dit speelt ongeveer tussen 1200 en 1020 v., Chr. Na herhalingen, tegenwoordig nemen velen aan…De verhalen in Rechters worden op een levendige manier verteld. Ze bevatten humor zowel als tragiek en hebben over het algemeen grote literaire waarde.

Ruth: Het verhaal speelt zich af in de periode dat de richters aan Israël leiding gaven. Wanneer het boek precies is geschreven, is moeilijk te beantwoorden. Sommigen menen dat het verhaal over Ruth (…) op schrift gesteld is door een auteur uit de tijd dat de nakomelingen van David in Juda regeerden (tot 586 v Chr.) Anderen menen dat het boek uit de 5e eeuw v. Chr. stamt. (Vele honderden jaren later)

Het boek wordt wel een novelle genoemd. (Novelle: een prozaverhaal) Het wordt gerekend tot de meesterwerken van Hebreeuwse vertelkunst.

1 & 2 Samuël: Na herhaling als bij Genesis, tegenwoordige nemen velen aan…De verhalen in Samuël zijn te beschouwen als een mengvorm van vertelkunst en geschiedschrijving, en gelden als een hoogtepunt in de bijbelse literatuur. En na herhaling, tegenwoordig nemen velen aan …

1 & 2 Koningen: Ook hier nemen tegenwoordig velen weer aan dat deze boeken in de huidige vorm … overleveringen en redigeren. Met 2 Koningen een mengvorm van vertelkunst en geschiedschrijving.

1 & 2 Kronieken: Waarschijnlijk niet voor de 5e eeuw v. Chr. geschreven. Er zijn aanwijzingen om te veronderstellen dat ook de boeken Ezra en Nehemia van zijn hand zijn of van een geestverwant van hem zijn, en dat het de bedoeling was één groot geschiedwerk samen te stellen.

De teksten in Kronieken de waarschijnlijk op andere bronnen zijn terug te voeren …. (Zoals van de onbekende ziener Jedo?)

Het staat bol van de veronderstellingen. De ene veronderstelling wordt bovenop de andere gestapeld. Dat is niet wetenschappelijk.

Vraag: Waarom hebben de redacteuren wel de boeken van Mozes maar niet deze opnieuw geredigeerd?

Ezra & Nehemia: Vaak wordt verondersteld dat deze boeken afkomstig zijn van de auteur die 1 en 2 Kronieken heeft geschreven. Mogelijk wilde hij, of een geestverwant, één groot geschiedwerk samenstellen, dat begon bij de schepping van de wereld en eindigde met de herbouw van de tempel (515 v. Chr.) en het herstel van de muren van de stad Jeruzalem (omstreeks 443 v. Chr.)

Ester: Waarschijnlijk is het boek afkomstig van een auteur buiten Judea. Er zijn voldoende aanwijzingen om te veronderstellen dat het later dan de 4e of 5e eeuw in de hellenistische tijd (3e eeuw) geschreven is. Het boek heeft veel gemeen met het (apocriefe) boek Judit. Het is een goed gecomponeerde novelle. (Novelle is een prozaverhaal)
Job: Naast een korte inhoud van de achtergronden van Jobs ervaringen wordt er sterk nadruk op de literaire kant van het boek gelegd. De nadruk verschuift van die inhoud naar de vorm:

Het is moeilijk vast te stellen wanneer en door wie het boek is geschreven. Op grond van de thematiek en het taalgebruik zou het boek in zijn huidige vorm hebben gekregen tussen de 5e en de 2e eeuw voor Chr. Het boek Job behoort tot de hoogtepunten van de wereldliteratuur. De poëzie is van hoog niveau, met een aaneenschakeling van beelden, reeksen retorische vragen en mooie klankeffecten. De stijl van de prozahoofdstukken stukken is vrij eenvoudig.

Psalmen: Het boek heeft zijn huidige vorm vermoedelijk pas gekregen tussen 200 en 150 v. Chr. De oudste psalmen zijn waarschijnlijk tussen 1000 en 586 v. Chr. geschreven voor gebruik in de tempel van Salomo, maar een groot aantal dateert uit de tijd van de tweede tempel (na 515 v. Chr.)

De nadruk die op de literaire kwaliteiten van de Psalmen wordt gelegd dreigt de inhoud van de Psalmen te versluieren. De aandacht van de lezer wordt verdeeld en van de hoofdzaak afgeleid. Het gaat primair om de inhoud, niet om de literaire vorm. Die maakt niet zalig.

Spreuken: Het boek vertoont gelijkenissen met teksten uit Mesopotamië en Egypte. Vermoedelijk heeft de tekst van Spreuken na een langdurig proces van redactionele bewerkingen zijn huidige vorm gekregen in de 2e eeuw v. Chr. Spreuken wordt gerekend tot de wijsheidsliteratuur, die waarschijnlijk ontstaan is in de kringen van professionele schrijvers die in dienst waren van paleizen en tempels.

Prediker: Het is moeilijk vast te stellen wanneer en door wie het boek geschreven is. Het opschrift in 1:1 schrijft het boek toe aan Salomo. Onder meer op grond van het taalgebruik (invloed van Perzisch en Aramees) wordt wel aangenomen dat de tekst in de 3e eeuw v. Chr. zijn huidige vorm heeft gekregen. Met Job en Spreuken is deze literatuur waarschijnlijk ontstaan in de kringen van professionele schrijvers die in dienst waren van paleizen en tempels. Prediker is inhoudelijk en stilistisch interessant.

Drie poëtische passages. Het proza heeft poëtische kenmerken zoals ritme, parallellisme en beeldspraak. Het ritme in de praktische raadgevingen is vrij snel, de beschouwende gedeelten hebben een rustiger cadans die past bij de cyclische thematiek. Zit de lezer op dit soort literaire explosies te wachten?

Hooglied: Waarschijnlijk is het niet als één gedicht geschreven, maar zijn de gedichten onafhankelijk van elkaar ontstaan en later tot één boek bewerkt. Velen houden eraan vast dat Hooglied in de tijd van koning Salomo (10e – 9e eeuw v. Chr.) is geschreven. Anderen menen dat het is ontstaan in de periode van de 8e tot de 6e eeuw v. Chr. een tijd van belangrijke literaire activiteit in Israël. Op grond van invloed uit Aramees, het Oudperzisch en het Grieks wordt het ook wel later gedateerd, namelijk in de 3e eeuw v. Chr. Het is echter aannemelijk dat er ook oude fragmenten zijn opgenomen, zoals blijkt uit de vermelding van Tirsa, de oude Israëlitische koningsstad. Daarnaast is de vermelding van Salomo in 1:1 opvallend. Aan deze koning, die meer dan duizend gedichten op zijn naam heeft staan (1 Kon. 5.12), wordt het boek traditioneel toegeschreven. Later (wanneer?) heeft het boek een plaats gekregen in de canon van bijbelse boeken… Het boek behoort tot de wereldliteratuur. Het is lyrische poëzie met een sterk emotionele lading. Het Hebreeuws waarin het geschreven is, heeft mooie klankpatronen en veel bijzondere woorden die in andere teksten in de bijbel niet voorkomen.

Draagt dit bij tot geestelijke verrijking?

Jesaja: Jesaja trad op als profeet in de periode 750-700 v. Chr. Het boek is in zijn huidige omvang een verzameling van profetische teksten die in de loop van ongeveer 3 eeuwen zijn overgeleverd en uiteindelijk als één geheel op schrift zijn gesteld. Men (wie is dat?) onderscheidt meestal (onjuist) Jesaja 1-39; Jesaja 40-55 en Jesaja 56-66.

In Jesaja 40-55 staat een tweede verzameling profetieën, Deze worden gewoonlijk (???) toegeschreven aan een profeet die optrad gedurende de Babylonische ballingschap (586-539 v. Chr.) en die wordt aangeduid met de term Deutero-Jesaja, ‘de tweede Jesaja.’ Men veronderstelt dat hij een geestverwant is geweest van de grote profeet Jesaja.

Jesaja 55-66 bevat een derde verzameling profetieën. Velen gaan ervan uit (wie?) dat hier weer andere profetische stemmen (meervoud) klinken, en in verband daarmee spreekt men wel van Trito-Jesaja, de derde Jesaja.

Anderen zijn van mening dat Jesaja 56-66 een compositorische eenheid vormt met Jesaja 40-55, of zelfs dat heel Jesaja (1-66) een eenheid vormt.

Hier komt de bijbelkritiek van de moderne theologen in volle omvang naar buiten. Zij borduren voort op de literaire kritiek, die losbarstte in de 18e eeuw.

In plaats van speculatie vallen Evangelische Christenen in navolging van de Vroege Kerk terug op het interne bewijs van het Nieuwe Testament en verwerpen deze bijbelkritiek.

Jeremia & Klaagliederen: Wanneer en hoe het boek Jeremia in zijn huidige vorm totstandgekomen is, is niet bekend. Mogelijk heeft een auteur het boek samengesteld uit diverse bronnen en zijn de diverse overleveringen en profetieën van Jeremia in de loop der tijd verschillende malen opnieuw geredigeerd. Opvallend is dat er een lange Hebreeuwse tekstversie bestaat naast een kortere Griekse versie. Op grond daarvan veronderstelt men dat het proces van overleveren en schriftelijke vastlegging pas laat tot de Hebreeuwse tekst in zijn huidige vorm heeft geleid.

De Inleiders weten niet hoe en wanneer. Het is mogelijk dat,er zijn diverse bronnen, verschillende malen is de tekst opnieuw bewerkt, Ze veronderstellen dat… dat algemeen wordt aangenomen . Wat moet ik daarmee?

Uit 2 Kron. 35:25 blijkt kan men afleiden dat de klaagliederen door de profeet Jeremia geschreven zijn. Maar tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat de auteur afkomstig was uit de kringen van de tempelzangers in Jeruzalem.

Ezechiël: Velen menen dat de tekst in zijn huidige vorm na een proces van redactionele bewerkingen tot stand gekomen is.

Daniël: Mogelijk gaat deze naam terug op een overlevering die in Ezechiël 14:14 en 20 als bekend wordt verondersteld, De gebeurtenissen in het boek Daniël zijn gesitueerd in de tijd van de Babylonische ballingschap (597 en 586 v. Chr.). De situering in de 6e eeuw hoeft niet te betekenen dat Daniël ook in die tijd geschreven heeft.

Op grond van historisch onderzoek en de taal en de stijl van het boek nemen velen tegenwoordig aan dat het boek in zijn huidige vorm uit de eerste helft van de 2e eeuw v. Chr. stamt.

Dit zijn vage en ontwijkende uitspraken van moderne theologen, die door evangelische christenen verworpen worden. Het lijkt op een maximaal inbouwen van onzekerheden die onder de tekst gelegd worden.

Hoséa: Het boek Hosea is het eerste boek van de verzameling van de zogeheten Twaalf Profeten. Deze verzameling van profetenboeken is vermoedelijk in de 4e of 3e eeuw v. Chr. tot stand gekomen. De profeet leefde van 750 tot 725 v. Chr. Velen nemen aan dat het boek in zijn huidige vorm het resultaat is van een proces van redactionele bewerkingen. Zij veronderstellen dat de laatste bewerkingen afkomstig zijn van een Judese redacteur.

Joël: Vermoedelijk 4e of 3e eeuw. Veelal wordt aangenomen dat Joël profeteerde in Juda en Jeruzalem. Sommigen dateren zijn optreden in de laatste decennia voor de verovering van Jeruzalem in 586 v. Chr. Volgens anderen is het boek Joël het best te begrijpen als men veronderstelt dat het na de Babyolonische ballingschap (586-539 v. Chr.) geschreven is.

Amos: Vermoedelijk 3e of 4e eeuw. Amos was werkzaam in het midden van de 8e eeuw (760 – 750 v. Chr.) Velen nemen aan dat de tekst in zijn huidige vorm na een proces van redactionele bewerkingen tot stand gekomen is en dat de laatste bewerkingen afkomstig zijn van een Judese redacteur na de Babylonische ballingschap (na 539 v. Chr.)

Obadja: Vermoedelijk 3e – 4e eeuw totstandgekomen. Algemeen wordt aangenomen dat gezinspeeld wordt op de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs in 586 v. Chr. Waarschijnlijk samengesteld uit profetische teksten uit verschillende tijden van de 6e – 3e eeuw.

Jona: De verzameling vermoedelijk tot stand gekomen in 4e – 3e eeuw. Het verhaal is goed gecomponeerd. De bedoeling van het boek kan geweest zijn de hoorders te bemoedigen door het voorbeeld van Ninevé.

Micha: Leefde vermoedelijk Jeruzalem 750-700 v. Chr. Velen nemen aan dat de tekst in zijn huidige vorm in een latere tijd en na een proces van redactionele bewerkingen tot stand is gekomen. Het boek lijkt een polemische functie te hebben.

Nahum: Profeet 7e eeuw v. Chr. Voor de datering plaatsen sommigen het in de tweede helft van de 7e eeuw, anderen veel later in de 4e of 5e eeuw.

Habakuk: Waarschijnlijk omstreeks 600 v. Chr in Juda. Verzam. 4e – 3e eeuw.
Zefanja: Verzameling vermoedelijk 4e of 3e eeuw. Werkzaam Jeruzalem tweede helft 7e eeuw v. Chr. Velen nemen aan dat het boek in zijn huidige vorm in de tweede helft van de 6e eeuw, na een proces van redactionele bewerkingen tot stand is gekomen.

Haggai: Verzameling vermoedelijk 4e of 3e eeuw. enz. In 520 v. Chr. Werkzaam in Jeruzalem Velen nemen aan dat het boek in zijn huidige vorm niet veel later, na een lichte redactionele bewerking tot stand is gekomen.

Zacharia: Verzameling vermoedelijk 4e of 3e eeuw. enz. Vanaf 520 v. Chr. in Jeruzalem. Het boek bestaat uit twee delen die weinig samenhang vertonen. Het eerste deel zou in hoofdzaak op de profeet zelf terug kunnen gaan en lijkt betrekkelijk weinig redactionele bewerking te hebben ondergaan. Het tweede deel is waarschijnlijk een complete compilatie van teksten uit verschillende perioden tussen 500 en 200 v. Chr. In het tweede deel (hfdst. 9-14) word de naam van de profeet nergens genoemd (……) De leiders van het volk (….) worden zelfs messiaanse trekjes toegedicht.

Maléachi: Verzameling vermoedelijk 4e of 3e eeuw. Niets bekend dan de naam, geen aanknopingspunten voor datering. Veelal wordt aangenomen dat de tekst verwijst naar het Jeruzalem van de 5e eeuw v. Chr. De tekst lijkt betrekkelijk weinig redactionele bewerking te hebben ondergaan. In veel bijbeluitgaven is Maleachi het laatste boek van het Oude Testament.

HET NIEUWE TESTAMENT

Mattheüs: De schrijver van dit boek wordt niet genoemd. Vanaf het einde van de 2e eeuw wordt het aan hem toegeschreven en wordt zijn naam in de handschriften vermeld. Het wordt rond 90 na Chr. gedateerd.

Velen gaan ervan uit, dat de auteur bij het schrijven van zijn boek verschillende bronnen gebruikt heeft. De basis wordt gevormd door grote delen van het Marcus-evangelie.

Ook dat hij een tweede schriftelijke bron gebruikt heeft meestal aangeduid als Q. (Q staat voor Quelle, het Duitse woord voor Bron). Die bron is niet bewaard gebleven maar kan gereconstrueerd worden uit Lucas die eruit geput heeft.

Opmerkelijk is dat de Inleiding vermeldt: “Vaak wordt gebruikt gemaakt van de formule “zo ging in vervulling wat gezegd is door,” gevolgd door de naam van een oudtestamentische profeet en een citaat.”

Hierbij mag dan wel aangetekend worden, dat, gezien de onzekerheid van de profetieën zoals die in de Inleidingen in het Oude Testament worden neergezet, Mattheüs zich dan wel op twijfelachtige bronnen beroept.

Marcus: Volgens velen is dit het oudste evangelie. De schrijver vermeldt zijn naam niet. Vanaf de 2e eeuw na Chr. wordt zijn naam in de handschriften vermeld. Hij zou de tolk en vertaler van Petrus zijn geweest. Soms wordt hij geïdentificeerd met Johannes Marcus, een medewerker van Paulus en Barnabas. Datering over het algemeen rond 70 na Chr. In het ene hoofdstuk gaat Marcus 16.1-8 in een versie van 1-20. Door de meeste uitleggers wordt het korte slot als het oorspronkelijke beschouwd.

Al heel vroeg zouden sommige lezers en overschrijvers het als problematisch ervaren hebben dat …

Lucas: De schrijver van dit evangelie vermeldt zijn naam ook niet maar vanaf einde 2e eeuw wordt dit werk wel aan hem toegeschreven en wordt zijn naam in de handschriften vermeld. Het wordt tussen 80 en 100 na Chr. gedateerd. Ook hier wordt weer vermeld, dat “velen er van uitgaan dat de auteur bij het schrijven van zijn boek verschillende bronnen gebruikt heeft: grote delen van het Marcus evangelie en een goede tweede schriftelijke bron meestal aangeduid als Q (Quelle = Bron). Hoewel deze bron niet bewaard is gebleven, kan hij deels gereconstrueerd worden omdat ook Mattheüs eruit geput heeft. De auteur heeft gebruik gemaakt van overleveringen.

Johannes: De schrijver wordt geïdentificeerd als een leerling van Jezus Of deze identificatie historisch betrouwbaar is of gezien moet worden als een literair motief waarmee een verder onbekende auteur zijn boek gezag wil verlenen, bestaat discussie. Gedateerd einde van de 1e eeuw.

Handelingen van de Apostelen: Beschrijving van de geschiedenis van de verspreiding van het Christendom in het Romeinse rijk.

Waarschijnlijk dezelfde schrijver als het evangelie volgens Lucas. Vanaf einde 2e eeuw worden beide boeken aan Lucas toegeschreven. Ontstaan tussen 80 en 100 na Chr. Het is niet zeker of de schrijver de boeken van Paulus gekend heeft (!)

Romeinen: Waarschijnlijk omstreeks het jaar 56 vanuit Korinthe verzonden.

De eerste Brief aan de Korinthiërs: Geschreven vanuit Efeze vermoedelijk in het jaar 55. De gemeente rond het jaar 50 door Paulus gesticht.

De tweede Brief aan de Korinthiërs: Waarschijnlijk samengesteld uit delen van verschillende brieven van Paulus. De delen waaruit 2 Korinthe waarschijnlijk samengesteld uit delen van verschillende brieven van Paulus. De delen waaruit 2 Korinthiërs is samengesteld, zijn waarschijnlijk niet lang na elkaar geschreven, mogelijk allemaal nog in het jaar 56.

De Brief aan de Galaten: Waarschijnlijk ergens in de jaren 53-55 geschreven.

De Brief aan de Efeziërs: Naar alle waarschijnlijkheid is Efeziërs dan ook literair afhankelijk van Kolossenzen. Toch zijn er ook grote verschillen. De brief zou geschreven zijn aan het eind van de jaren vijftig van de eerste eeuw. De tweede verklaring is dat Efeziërs niet door Paulus zelf geschreven is, maar door iemand die zijn brief meer gezag wilde verlenen door hem aan Paulus toe te schrijven.

De Brief aan de Filippenzen: Sommigen betogen dat de brief is samengesteld uit twee afzonderlijke brieven, en dat tussen 1-2 enerzijds en 3-4 anderzijds een tijdspanne zit waarin de situatie in Filippi drastisch gewijzigd was door dat anderen de leer van Paulus wilden ontkrachten. Anderen leggen de brief uit als een eenheid en beschouwen de hoofdstukken 3-4 als een ernstige waarschuwing waarmee Paulus de situatie voor wil zijn, als een voortzetting van de oproep om te volharden in het geloof.

De Brief aan de Kolossenzen: Dat Christus alle kosmische machten en krachten overwonnen heeft wijst er volgens veel uitleggers op, dat Kolossenzen geen authentieke brief van Paulus is, maar dat een andere schrijver, misschien een leerling van Paulus zijn eigen brief aan Paulus toegeschreven heeft om deze meer gezag te verlenen. De brief dateert van 80 na Chr. Anderen menen dat het om een ontwikkeling in Paulus eigen gedachtegoed gaat.

De eerste Brief aan de Thessalonicenzen: Deze brief dateert uit ongeveer het jaar 50 en is het oudste document in het Nieuwe Testament.

De tweede Brief aan de Thessalonicenzen: Volgens sommigen is deze brief niet door Paulus zelf geschreven maar door iemand anders aan het einde van de eerste eeuw. De auteur, die onder de naam van Paulus schrijft maar over wie verder niets bekend is, wil de onrust over zijn eerste brief dat Christus spoedig zal komen, wegnemen, en legt uit dat Christus wel zal komen, maar pas na een periode van verwarring en ellende.

De eerste en tweede Brief aan Timotheüs en de Brief aan Titus: Volgens sommigen zijn de brieven door Paulus zelf geschreven aan het einde van zijn leven. Anderen menen op grond van de stijl en de inhoud van de brieven dat de brieven niet van Paulus’ hand zijn, maar dat ze pas zijn geschreven door een auteur die ons verder onbekend is gebleven en met de naam van Paulus zijn brieven gezag wilde verlenen.

De Brief aan Filemon: De brief werd waarschijnlijk rond het jaar 55 in Efeze geschreven.

De Brief aan de Hebreeën: Is het een boek of een brief? De schrijver en de plaats van ontstaan zijn onbekend en moet gedateerd worden in het laatste kwart van de 1e eeuw.

De Brief van Jakobus: De geadresseerden bestaan uit de ‘twaalf stammen in de diaspora,’ waarmee de hele christenheid bedoeld is (???). Sommigen geloven dat de brief door een broer van Jezus in de jaren vijftig van de 1e eeuw geschreven werd. Anderen menen dat die geschreven werd door iemand die met de naam Jakobus zijn betoog gezag wilde verlenen. Zij dateren het boek aan het eind van de 1e eeuw.

De eerste Brief van Petrus: Sommigen menen dat de brief door Petrus zelfgeschreven is rond het jaar 60. Anderen dateren de brief aan het einde van de 1e eeuw.

De tweede Brief van Petrus: Velen menen dat Petrus niet de auteur van het boek is.De brief is dan mogelijk pas in de eerste helft van de 2e eeuw ontstaan.

De eerste Brief van Johannes: Het is mogelijk dat de auteur van 2 en 3 Johannes dezelfde is als die van 1 Johannes.

De tweede en derde Brief van Johannes: Mogelijk zijn de brieven aan het begin van de 2e eeuw geschreven.

De Brief van Judas: De brief zou door Judas, de broer van Jezus ongeveer tussen 50 en 60 na Chr. geschreven zijn. Anderen menen aan het eind van de 1e of het begin van de 2e eeuw, In dat geval is het niet waarschijnlijk dat de brief van de hand van Jezus’ broer is, maar zou hij zijn van iemand die met de naam van Judas zijn betoog gezag wilde verlenen.

Openbaring van Johannes: Sommige uitleggers menen dat hiermee de apostel Johannes bedoeld is, anderen denken aan een verder onbekend vroegchristelijke profeet.

Samenvatting:

De Inleidingen leveren het volgende resultaat aan opmerkingen op:

Tegenwoordige nemen velen aan:… (23x); Sommigen menen… (5x); anderen menen… (8x); Literaire waarde en daarmee samenhangend minstens… (10x); Waarschijnlijk… (14x); Veronderstellingen… (7x); Mogelijk… (5x); Aannemelijk… (1x); Meestal onderscheidt men… (1x); Diverse bronnen… (1x); Hoeft niet te betekenen… (1x); Vermoedelijk… (8x); Redactionele bewerking minstens… (4x); Wordt toegeschreven aan minstens… (1x); Volgens veel uitleggers…(1x); Zou geschreven zijn… (2x); Sommigen betogen… (4x); Totaal ingebouwde twijfels en onzekerheden, zeg maar 100 x.

COMMENTAAR:

Deze opsomming toont aan, dat de kritische opmerkingen van de (vele niet-geïdentificeerde) Inleiders in een breed scala van opmerkingen aan de man gebracht worden.

God heeft de taal aan de mens gegeven waardoor God en mens kunnen communiceren. God sprak met de mens zo dat de mens Hem kon verstaan en begrijpen.

Wie de Inleidingen doorleest vraagt zich af of God aan een spraakgebrek moet hebben geleden. Zijn geïnspireerde woorden moesten door een lang proces van redactionele bewerking gaan voordat deze in het boek, dat wij de Bijbel noemen, konden worden afgedrukt.

De Inleiders analyseren Gods Woord als literatuur en gaan er aan voorbij dat het meer is dan wereldliteratuur. Deze aanpak is verwerpelijk. De taal is het voertuig van de boodschap. Het voertuig krijgt teveel aandacht.

Als de koningin in een glanzende auto arriveert gaat de aandacht uit naar de inhoud van het voertuig, niet naar de carrosserie. In de Bijbel gaat het om de inhoud van de boodschap, niet om de (uiterlijke) vorm.

Dit geldt temeer waar de bijbelkritische opstelling van de Inleiders de vorm van de bijbelboeken (over-)benadrukt en de inhoud ondermijnt.

Iemand, die de inhoud van de Bijbel niet kent en er op deze wijze mee bekendgemaakt wordt zal zich wel tweemaal bedenken voordat hij gelooft wat er in staat.

Het is allemaal onzeker, onbekend. Men kan nauwelijks van iemand verwachten dat hij zijn lot voor tijd en eeuwigheid aan het gezag van het hier gepresenteerde Woord verbindt. Hij die wel met de inhoud van de Bijbel bekend is, zal zich geërgerd afwenden. Hoe meer vertalingen, hoe meer verdeeldheid.

EINDCONCLUSIE:

Uit de gegeven voorbeelden blijkt, dat:

  1. In Ps. 69:10 het Godsbesef niet tot zijn recht komt; in Hand. 2:37 het ‘zich afkeren’ gemakkelijk verkeerd begrepen kan worden en de diepte van ´bekering´ aan de aandacht onttrekt;
  2. de lezer die niet met Gods Woord bekend is wordt op het verkeerde been gezet;
  3. de lezer die wel met Gods Woord bekend is wendt zich af.

Ter opfrissing van het geheugen wordt herinnerd hoe de bijbelse canon in het verleden tot stand kwam. De oudtestamentische canon werd van de Joden overgenomen.

Op een enkele uitzondering na werd de nieuwtestamentische canon tijdens de Concilies van Hippo (393) en Carthago (397 en 419) officieel vastgesteld. Het was steeds een zaak van de wereldwijde Christelijke Kerk, lang voordat de schisma’s plaatsvonden.

De hele kerk, Oost en West, stemde met de bijbelse canon van de 66 boeken van de Heilige Schrift in.

De Rooms-katholieke Kerk maakte daarop uitzondering door de aanvaarding van de Joodse apocriefe boeken van het Oude Testament op het Concilie van Trente (1546). In dat jaar zette de Rooms-Katholieke Kerk de Contra-Reformatie tegen de Kerkhervorming in. Verder werd de opname van de apocriefe boeken in de Bijbel tijdens het eerste Vaticaanse Concilie van 1870 opnieuw bevestigd. Ze kregen de status van deutero-canoniek.

Het kan de aandachtige waarnemer niet ontgaan, dat het Bijbelgenootschap zich (op gezag van wie?) stilzwijgend apocriefe boeken tussen de canonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament schuift. Deze bevoegdheid behoort tot het gezag van de universele kerk, zoals die voor het schisma van 1054 AD. bestond. In Evangelische kringen bestaan veel bezwaren tegen deze vertaling. Om kritiek te ontlopen wordt de Nieuwe Bijbelvertaling uitgegeven in diverse samenstellingen. Met en zonder apocriefe.

Door de kritiek, die op de Inleidingen geleverd is, schijnt het voornemen te bestaan een uitgave zonder de bijbelkritische Inleidingen te laten verschijnen. Daarmee wordt de Vertaling zelf ongemoeid gelaten.

  1. De aanvechtbare achtergrond van de Nieuwe Bijbel Vertaling door middel van de bijbelkritische Inleidingen moet principieel afgewezen worden;
  2. de apocriefe boeken horen er ook als deutero-canoniek per definitie niet bij;
  3. de Inleidingen op de Bijbelboeken zijn geschreven door bijbelkritische theologen. Die kritiek werkt onontkoombaar door in hun Bijbelvertaling;
  4. de zogenaamde interconfessionele vertaling is oecumenisch en is voor Evangelische Christenen onaanvaardbaar;
  5. de invoering van deze vertaling veroorzaakt verdeeldheid in de Gemeente.

Evangelische Christenen houden onverkort vast aan: Inspiratie, Gezag en Genoegzaamheid van Gods Woord.

Inspiratie de vertaling van het Griekse ”door God geademd” is. Dit begrip ontbreekt volkomen in de Nieuwe Bijbel vertaling.

“Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid, opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust” (2 Tim. 3:16-17).

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol