9 jaar geleden

De laatste woorden van Jezus Christus: de Kruiswoorden (deel 3)

Christus in de hemel Zelf is ingegaan als Hogepriester van de toekomende goederen, en ons die zich aan Hem toevertrouwen, het bezit van die goederen verzekerende; wij hebben nu de toegang hebben tot God in het licht, uit kracht van het zitten Christus aan de rechterhand van God. Wij hebben voor altijd een gereinigd geweten, zodat wij met alle vrijmoedigheid in de tegenwoordigheid van God kunnen verschijnen. En wij kunnen nu de levende God in de ware vrijheid van de liefde dienen … Wat de toekomst betreft: Omdat Hij door de offerande van Zichzelf de zonde teniet gedaan, en onze zonden gedragen heeft, kunnen wij voor Gods aangezicht verschijnen met alle vrijmoedigheid; en wij zullen straks bij Jezus’ wederkomst al de heerlijke gevolgen van Zijn volbracht werk ondervinden en genieten. Verwachten wij Hem echt??? Welke invloed heeft dat op ons leven?

In verband met het feit dat de voorhang gescheurd is, gaan we verder met de uitleg van Hebreeën 9 en wel met vers 18. Wij volgen wederom de verklaring van broeder J.N. Voorhoeve1.

18. Daarom is ook het eerste [verbond] niet zonder bloed ingewijd. 19. Want toen door Mozes naar de wet elk gebod tot het hele volk gesproken was, nam hij het bloed van kalveren en bokken met water, scharlaken wol en hysop en besprenkelde zowel het boek zelf als het hele volk, 20. en zei: ‘Dit is het bloed van het verbond dat God u geboden heeft’.10 21. En evenzo besprenkelde hij de tabernakel en alle vaten van de dienst met het bloed. 22. En met bloed worden bijna alle dingen naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving.

In deze verzen worden ons drie toepassingen van het bloed voorgesteld:

  1. het verbond is gegrond op het bloed;
  2. de reiniging van de zonden geschiedt door het bloed;
  3. de schuld is weggenomen door de vergeving, die een gevolg is van het bloed, dat gestort werd.

Deze drie dingen zijn noodzakelijk, opdat wij in betrekking tot God zouden kunnen staan.

De wegen van God tot ons heil en onze zegen moeten noodzakelijk in betrekking staan met Zijn gerechtigheid want de Heere God kan geen nieuw en eeuwig verbond met Zijn volk oprichten, als niet de overtredingen onder het eerste verbond zijn uitgewist, en dit kan op geen andere wijze geschieden dan door het bloed van Christus.De reiniging van de zonden, waardoor wij bezoedeld waren, en waardoor zelfs alle dingen, hoewel zij niet schuldig konden zijn, waren besmet, vindt plaats door de offerande van Christus. Paulus zegt: En met bloed worden bijna alle dingen naar de wet gereinigd; want er was ook een reiniging door water. Die reiniging door water is een type van de zedelijke, en praktische reiniging van onze zielen, die geschiedt door de toepassing op geweten en hart van het Woord, dat het kwade oordeelt en het goede ons openbaart. Maar deze reiniging door water is evenzeer als de reiniging door bloed een gevolg van de dood van Christus. Uit de zijde van het heilig Slachtoffer, dat werkelijk gestorven was, kwam bloed en water. De apostel Johannes, die ons het leven in zijn oorsprong en in zijn gevolgen voorstelt, drukt èn in zijn evangelie, èn in zijn eerste brief met bijzondere nadruk op dit belangrijk feit. Zonder de dood van Christus was er noch uitdelging van de schuld, noch reiniging van het hart mogelijk; en kon dus aan niemand het leven worden geschonken, noch dat leven zich openbaren.Vergeving van zonden is niet mogelijk zonder bloedstorting. Laat ons we1 opmerken, dat er niet gezegd wordt: zonder aanwending van het bloed, maar uitdrukkelijk zonder storten van het bloed. En onder bloedstorting verstaat de Schrift sterven. Het bloed dat uit het hoofd of de rug van onze dierbare Heiland gevloeid is, toen Hem de doornenkroon werd ingedrukt, of toen Hij door geselslagen werd gepijnigd, kon onze zonden niet wegnemen. Er moest een leven in de plaats van ons leven worden opgeofferd. Evenals in de laatste nacht van Israël in Egypte het bloed van een geslacht lam, aan de deurposten gestreken, Israël voor het oordeel vrijwaarde, zo kunnen onze zonden alleen vergeven en het oordeel van God alleen van ons hoofd weggenomen worden door de dood van Christus, wiens bloed als van een Lam, dat geslacht is, reinigt van alle zonden. Daar dikwijls in gezangen en liederen gesproken wordt van het bloed uit Jezus’ wonden, waardoor de verzoening is aangebracht en vergeving van zonden geschonken wordt, is het nodig de waarheid, die hier zo duidelijk wordt voorgesteld, goed te begrijpen. Men zal dan ook de woorden van Jesaja: “door Wiens striemen ons genezing geworden is”, niet meer toepassen op de geseling’, maar op de slagen, die aan het kruis het schuldeloos offerlam in onze plaats door God zijn toegebracht. Bij een aandachtige lezing van die plaats zal men zien, dat er niets anders kan bedoeld zijn. De woorden: “door Zijn striemen is ons genezing geworden”, volgen toch op de woorden: “Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem”; terwijl zij, slaande op de geseling, aan deze woorden hadden moeten voorafgaan. Aan alle twijfel hieromtrent wordt een einde gemaakt door de toepassing van die woorden in 1 Petrus 2 vers 24, waar wij lezen: “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij der zonden afgestorven, voor de gerechtigheid leven zouden: door Zijn striemen zijt gij genezen”.

Deze waarheden hebben twee gevolgen. Er was een beter slachtoffer, een uitnemender offerande nodig dan de slachtoffers, die onder de oude bedeling werden opgeofferd, want het ging niet om de reiniging van de zinnebeelden van de dingen, die in de hemelen zijn, maar om de reiniging van de hemelse dingen zelf. Christus toch is ingegaan in de tegenwoordigheid van God om daar voor ons te verschijnen (vs. 23, 24). De duivel en zijn engelen zijn nog in de hemelse plaatsen, en daarom moeten die worden gereinigd. Door het bloed van het kruis worden zowel de dingen die op de aarde, als de dingen die in de hemelen zijn, verzoend; (zie Kol. 1); en als eenmaal de duivel en zijn engelen uit de hemel op de aarde geworpen worden, dan getuigen de heiligen in de hemel: “De aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht voor onze God aanklaagde, is neergeworpen; en zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam” (Openb. 12).

Maar in de tweede plaats: Christus moest Zich niet dikwijls opofferen, zoals de hogepriester elk jaar ingaat in het heiligdom met vreemd bloed; anders had Hij van de grondlegging van de wereld af dikwijls moeten lijden (vs. 25, 26). Op de grote verzoendag werden de zonden van het volk op de weggaande bok gelegd. Dit is plaatsvervanging. Christus heeft al onze zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout. Hij heeft de straf ondergaan, die wij hadden verdiend. De toorn van God werd over Hem uitgestort. In de angst van Zijn ziel riep Hij uit: “Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?” Dit was schrikkelijker dan de scheiding van lichaam en ziel in de dood. Maar de dood was het loon van de zonde; en daarom was de dood van Christus niet slechts een heengaan uit het lichaam naar het heerlijke paradijs, maar het oordeel van God over de zonde. Dit kan niet voor de tweede maal geschieden, en dit behoeft ook niet, want Hij heeft eenmaal geleden en is eenmaal gestorven voor de zonde. “Maar Hij, nadat Hij één slachtoffer voor de zonden geofferd heeft, is voor altijd gaan zitten aan de rechterhand van God” (Hebr. 10:12). Door Zijn offerande is een eeuwige en volkomen verzoening teweeggebracht. Van een herhaling van die offerande kan dus geen sprake zijn. Als dit zo was, dan had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging de wereld af. Maar nu Hij door de offerande van Zichzelf de zonde heeft teniet gedaan, overeenkomstig de heer1ijkheid van God, hoeft Hij nimmermeer te lijden en nooit meer te sterven, maar is voor altijd ingegaan in het hemels heiligdom, waar Hij voor eeuwig aan de rechterhand van God als onze grote Hogepriester gezeten is.

“Maar nu is Hij eenmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard om de zonde teniet te doen door de offerande van Zichzelf” (vs. 26). Deze woorden mogen ons vreemd voorkomen, daar de geschiedenis van de wereld sinds de komst van Christus, evenzo is voortgegaan als van te voren; maar bedenken wij wel, dat de bedoeling van de uitdrukking “in de voleinding van de eeuwen” niet tijdrekenkundig is, maar dat er aan gedacht wordt, dat de verschillende bedelingen van God, waarin Hij de mens op allerlei wijze op de proef gesteld heeft, door de openbaring van Christus tot een einde gekomen zijn. In de vervlogen eeuwen heeft de mens de tijd gehad om te tonen, wie hij is. Al Gods proefnemingen hebben gediend, om in het licht te stellen dat de mens geheel bedorven en slecht is van nature en wil. Zonder wet, onder de wet, door de beloften, door de komst en de tegenwoordigheid op aarde van de Zoon van God, is het meer en meer gebleken, dat de mens een vijand van God is; en al wat God gedaan heeft, om de mens te bewegen zijn vijandschap op te geven, heeft er slechts toe gestrekt, om die vijandschap meer openbaar te doen worden, daar de mens al de pogingen van God, om hem tot Zich te brengen, heeft afgewezen. “Zij zullen Mijn Zoon ontzien!” zei God; maar neen! toen zij de Zoon zagen, zeiden zij: “Komt, laten wij Hem doden” (zie Matth. 21:37-39). “Wij willen niet, dat Deze over ons koning zij, kruisig, kruisig Hem!”, zo riepen zij in hun blindheid en vijandschap. Daarom zegt de Heer van de vijgeboom, die de joodse natie voorstelt, waarin God de mens in de gunstigste omstandigheid geplaatst had: “Van u kome in eeuwigheid geen vrucht meer” (zie Matth. 21:19). De mens is gebleken te zijn schuldig, verloren, vijandig, onverbeterlijk slecht; en de geschiedenis van de oude mens wordt door Christus in Zijn dood aan het kruis afgesloten.

Maar wat de mens ten kwade heeft gedacht, heeft God ten goede gekeerd. De eeuwige raadsbesluiten van God werden in de verwerping van Christus vervuld. “Hem, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt gij door de hand van wettelozen aan het kruis gehecht en ter dood gebracht” (zie Hand. 2:23). De Christus, die door de mens werd verworpen, was gekomen om de zonde teniet te doen door de offerande van Zichzelf. De resultaten van dit werk en van de macht van God zijn nog wel niet geopenbaard; zij zullen geopenbaard worden, als de zonde verdwijnen zal uit de hemel en van de aarde, en alle dingen verzoend zullen zijn; maar voor het geloof is alles al geschied. Christus heeft door de offerande van Zichzelf de zonde teniet gedaan. Ons gereinigd geweten geeft daarvan getuigenis, en het geloof zegt: “Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt” (Joh. 1:29).

Het resultaat van dit teniet doen van de zonde door de offerande van Christus voor de gelovige, voor hen die de wederkomst van de Heer verwachten, wordt in de twee laatste verzen van ons hoofdstuk op wonderschone wijze aangekondigd. “En zoals het de mensen beschikt is éénmaa1 te sterven en daarna het oordeel, zo zal ook Christus, éénmaa1 geofferd om de zonden van velen te dragen, de tweede maal zonder zonde verschijnen tot behoudenis aan hen, die Hem verwachten” (vs. 27, 28). Het lot van alle mensen, van de kinderen van Adam, die zondaren zijn, is de dood en het oordeel. Maar voor ons die geloven, is de zonde teniet gedaan, en onze zonden zijn vergeven. De eerste keer, dat Christus hier beneden verschenen is, kwam Hij om tot zonde te worden gemaakt en onze zonden te dragen. Op het kruis was Hij met die zonden beladen, en omdat Hij het oordeel heeft ondergaan, zijn de zonden voor allen die Hem verwachten, volkomen weggenomen. Wanneer Christus voor de tweede maal komen zal, dan heeft Hij ten aanzien van hen die geloven, niets meer met de zonde te doen; want Hij heeft bij Zijn eerste komst de zonde teniet gedaan. Hij zal de tweede maal komen, om hen van al de gevolgen van de zonde te verlossen. Hij zal verschijnen, niet ten oordeel, maar tot hun volkomen behoudenis. De zonde is zó volkomen teniet gedaan, de zonden van de gelovigen zijn zo geheel verzoend, en vergeven, dat de Heer bij Zijn wederkomst niets meer met de zonde te maken heeft. Hij zal “zonder zonde” verschijnen. Dit wil hier niet zeggen, dat Hij zonder zonde in Zijn eigen persoon zal zijn; want dit was Hij altijd, ook toen Hij hier beneden wandelde, gelijk van Hem wordt getuigd: “Hij heeft geen zonde gekend, of gedaan”. Maar het wil zeggen, dat waar Hij aan het kruis tot zonde gemaakt was, en Hij dáár onze zonden in Zijn lichaam droeg, en dientengevolge in onze plaats door God is geoordeeld, en daardoor aan de gerechtigheid van God voldaan, een eeuwige verzoening volbracht en een volkomen overwinning behaald heeft, voor de tweede maal verschijnen zal zonder iets met de zonde te maken te hebben ten aanzien van hen, die Hem verwachten. De eerste keer kwam Hij om de zonde teniet te doen; de tweede keer zal Hij komen om hen, die Hij verloste van al de gevolgen van de zonde te bevrijden en in de eeuwige heerlijkheid in te leiden.

Onuitsprekelijke genade! Wonderbare plaats, die ons door God is aangewezen! Wij verwachten geenszins de dag van het oordeel, hoe zeker het ook is, dat die komen zal; maar wij verwachten tot onze volkomen behoudenis Hem, die eenmaa1 is opgeofferd om onze zonden weg te nemen. Van oordeel is voor ons geen sprake meer, nu Christus het oordeel in onze plaats heeft ondergaan. Door Christus zijn wij nu al in Gods tegenwoordigheid. Omdat Hij door de offerande van Zichzelf de zonde teniet gedaan, en onze zonden gedragen heeft, kunnen wij voor Gods aangezicht verschijnen met alle vrijmoedigheid; en wij zullen straks bij Jezus’ wederkomst al de heerlijke gevolgen van Zijn volbracht werk ondervinden en genieten.

Bij twee belangrijke punten in deze verzen moeten wij nog onze aandacht bepalen.

Allereerst bij de woorden: “Eénmaal geofferd om de zonden van velen te dragen”. Paulus zegt niet: geofferd om de zonden, maar om de zonden van velen te dragen. Het zijn de zonden van de gelovigen. Zo zegt ook Petrus van de gelovigen: “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout” (1 Petr. 2:24). Nergens in de hele Schrift wordt in algemene zin gesproken van het dragen van de zonden door Christus. Had Christus de zonden van allen gedragen, dan zouden alle mensen behouden worden. En het tegenovergestelde wordt in deze verzen geleerd: “Het is de mensen beschikt éénmaal te sterven, en daarna het oordeel”. Over allen die Christus verwerpen, komt eenmaal het oordeel.Ten tweede bij de woorden: “die Hem verwachten”. Dat is het kenmerk van de ware Christenen. Zij verwachten hun Heer en Heiland uit de hemel tot hun volkomen behoudenis. Niet tot behoudenis van hun ziel, maar tot verlossing van hun lichaam. Christus keerde niet naar de hemel terug, voordat de zonde voor het aangezicht van God weggedaan en onze ziel gered was. En in de hemel doet Hij niets om de zonde teniet te doen. En als Hij wederkomt, zal Hij de kwestie van de zonde niet behandelen, omdat die afgedaan is. Maar Hij komt om ons van al de gevolgen van de zonde te bevrijden en ons een lichaam zonder zonde te geven, gelijkvormig aan het lichaam van Zijn heerlijkheid. Daartoe verwachten wij Hem. Van de wereld, van deze aarde verwachten wij niets; wij reizen hier slechts door, en zijn hier vreemdelingen; onze toekomst is in de hemel, waar Christus, als onze Voorloper, is ingegaan.

Tot zover de uitleg van br. J.N. Voorhoeve. Tot besluit van dit enorm boeiende onderwerp over het heiligdom en het ingaan ervan, herinner ik opnieuw aan het prachtige lied en voeg er nog een couplet aan toe:

De voorhang is gescheurd, de hemel is nu open;
het leven in het licht is thans ons eeuwig lot.
De toorn, die op ons was, is op U aangelopen;
Uw liefde is groot, o Lam van God.

Uw werk is nu volbracht, Gij hebt Uw bloed gedragen
in ‘t heiligdom, waar Ge onze Hogepriester zijt
en altijd voor ons bidt, Gij ‘s Vaders welbehagen,
tot we ingaan in de heerlijkheid.

Wordt D.V. vervolgd.

Noten:
1. Deze uitleg van Hebreeën 9 komt uit een oude beschouwing van broeder J.N. Voorhoeve, namelijk: “Beschouwing over de brieven van Paulus – De brief aan de Hebreeën”, tweede druk.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW