9 jaar geleden

De laatste woorden van Jezus Christus: de Kruiswoorden (2)

2. De voorhang scheurde (vervolg)

Het tweede punt

Belangrijker en van verder reikende gevolgen is het tweede punt: Christus heeft Zichzelf door de eeuwige Geest aan God onberispelijk opgeofferd. “Want als het bloed van bokken en stieren en de as van een jonge koe, gesprenkeld op de onreinen, heiligt tot de reinheid van het vlees, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?” (Hebr. 9:13-14). Welk een heerlijke openbaring omtrent de kostbare offerande van Christus! Hij heeft Zichzelf vrijwillig aan God opgeofferd. Voorzeker, God heeft Hem gezonden in deze wereld om voor ons aan het kruis verhoogd te worden. God heeft Hem tot zonde gemaakt en onze zonden op Hem doen aanlopen. God heeft Hem gestraft, geoordeeld, verlaten, in het stof van de dood gelegd en verbrijzeld. God heeft Zijn enige veelgeliefde Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons overgegeven in de dood. Daar Christus aan het kruis onze plaats van verantwoordelijke zondaren innam, moest de straf en het oordee1 van God over Hem komen en moest Hij sterven. Zodra Hij tot zonde gemaakt was, moest de heilige God naar Zijn gerechtigheid Hem oordelen. Hierin heeft God Zijn onuitsprekelijke liefde jegens zondaren geopenbaard. Maar van deze kant wordt de offerande van Christus hier niet beschouwd. Hij wordt ons hier niet als zond- en schuldoffer, maar als brandoffer voorgesteld. Hij offerde Zichzelf vrijwillig op. God heeft Hem gezonden, maar Hij is ook gekomen op aarde. God heeft Hem gestraft, geoordeeld, doen sterven; maar Hij gaf Zich met Zijn eigen, vrije wil daartoe over. Hij heeft Zich door de eeuwige Geest onberispelijk aan God opgeofferd.

Van Zijn geboorte af geheel gescheiden van de zonde, heeft onze Heer niet slechts door de kracht van de Heilige Geest geen zonde gekend of gedaan, zodat Hij in alles heilig en onberispelijk was; maar Hij heeft Zich ook volkomen overgegeven om de wil van Zijn Vader te doen. Hij was gehoorzaam tot de dood, ja, tot de dood van het kruis. Omdat de Vader het wilde, en er geen andere mogelijkheid bestond om ons te redden, dronk Hij de kelk van Gods toorn, en gaf Zich over om tot zonde gemaakt te worden, een vloek voor ons te zijn en te sterven. Zonder voorbehoud, zonder Zich aan het verschrikkelijkste, wat er voor Hem bestond, – van God verlaten te worden en te sterven – te onttrekken, gaf Hij Zich over. Elke beweging van Zijn wil was geheel zuiver; in al Zijn gedachten, zowel als in Zijn daden, was Hij onberispelijk; de Vader kon Hem uit- en inwendig doorzoeken, en vond alles in Hem in volmaakte overeenstemming met Zijn heiligheid en liefde, met Zijn gerechtigheid en genade. Al Zijn beweegredenen en drijfveren waren Goddelijk volmaakt. Zelf gaf Hij Zich over om tot zonde gemaakt te worden en onze zonden te dragen. Voorzeker, Hij werd door God tot zonde gemaakt; maar Hij gaf ook Zichzelf vrijwillig daartoe over. Het was een daad van Zijn vrije wil. “Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede”, zo sprak Hij in Gethsemané (Luk. 22:42); en Hij nam de beker van Gods toorn uit de hand van Zijn Vader aan, liet Zich als een lam ter slachtbank leiden, gaf Zich over aan de straf en het oordeel over onze zonde, en offerde Zich op aan God. Daarom was Zijn offerande een liefelijke reuk voor God.

Wondervol is het kruis. De diepte er van te peilen en de heerlijkheid ervan te omvatten is voor ons geheel onmogelijk. Wat daar heeft plaats gevonden tussen onze dierbare Heiland en God, gaat ons begrip ver te boven. In de uren van duisternis en in Zijn sterven was Hij een zond- en schuldoffer, dat voor de zonde gebracht en buiten de legerplaats geslacht moest worden. Maar tevens was Hij in diezelfde uren en in datzelfde sterven, een brandoffer dat als een liefelijke reuk omhoog steeg tot de troon van God. Door God verlaten, omdat Hij tot zonde voor ons was gemaakt, was Hij tegelijkertijd het welbehagen van God, omdat Hij Zichzelf door de eeuwige Geest onberispelijk aan God opofferde.

Door deze offerande is God volkomen verheerlijkt. Het was een volmaakte offerande, onberispelijk, voor God welbehaaglijk. Daarom wordt het geweten van hem, die door deze offerande tot God nadert, gereinigd van dode werken, om de levende God te dienen. Waar het bloed van bokken en stieren, en de as van een jonge koe, gesprengd op de onreinen, niets meer doen kon dan te heiligen tot de reinheid van het vlees, heeft het bloed van Christus, die Zich door de eeuwige Geest onberispelijk aan God heeft opgeofferd, ons geweten gereinigd, aangezien de dode werken zijn uitgewist en weggedaan voor God.

Merkwaardig is de herinnering aan de typen van het Oude Verbond. Twee typen worden hier voor onze aandacht gesteld: de grote verzoendag, waarop bokken en stieren werden geofferd, en de as van de rode vaars (koe), die diende tot de dagelijkse reiniging om gemeenschap met God te kunnen oefenen. Eenmaal per jaar werd het bloed van het slachtoffer in het heiligdom gedragen, en het lichaam buiten de legerplaats verbrand. Dit gebeurde jaar op jaar. De verzoening was niet volbracht. Het geweten was niet gereinigd. De zonden waren niet weggedaan. Maar door het bloed van Christus is een eeuwige verlossing en een volkomen verzoening van zonden teweeggebracht, zodat allen die in Hem geloven, met een gereinigd geweten binnen het voorhangsel ingaan in Gods tegenwoordigheid. – Maar de rode koe diende om de onreinen te besprengen, niet met bloed maar met water, dat met de as van die koe vermengd was. In Numeri, het Boek waarin ons Israëls reis door de woestijn verhaald wordt, vinden wij de wet omtrent de rode vaars (Num. 19). Een rode vaars, waarin geen gebrek was, en die geen juk gedragen had, moest buiten het leger worden geslacht, en haar bloed zevenmaal worden gesprengd tegenover de tent der samenkomst; zodat haar bloed steeds was in de tegenwoordigheid van God. Nadat de vaars geheel verbrand was, moest de as verzameld en in levend water gedaan worden, en ieder, die onrein geworden was door het aanraken van een dode, enzovoorts, moest met dit water van de ontzondiging worden besprengd. Schoon en treffend voorbeeld! Christus is éénmaal voor de zonde gestorven, en Zijn bloed heeft een eeuwige waarde in de tegenwoordigheid van God. Allen die in Hem geloven, zijn door Zijn bloed voor eeuwig gereinigd en verzoend, en kunnen in Gods gemeenschap verkeren. Wanneer zij evenwel gezondigd hebben, brengt de Heilige Geest voor het geweten de ernstige waarheid, dat de zonde, die begaan werd, Christus bracht aan het kruis, en Hem dat verschrikkelijke lijden en sterven onder het oordeel van God berokkende. Dit brengt tot ware verootmoediging en schuldbelijdenis, en doet ons zien, dat door Zijn offerande alles ten opzichte van de zonde in orde is gebracht.

Het derde punt

Het derde punt dat in deze verzen behandeld wordt, is, dat wij in staat gesteld zijn om de levende God te dienen. Volkomen gereinigd in ons geweten van al wat de mens, die dood is in zonden en misdaden, volbrengt, en wat daarom door God niet kan worden aangenomen, hoe aangenaam het ook in de ogen van de mensen moge zijn, en gebracht tot God in het licht, kunnen wij de levende God dienen. Dit kon in het Jodendom niet gebeuren. Er waren daar wel allerlei verordeningen, waardoor uitwendig de betrekking tot God in stand werd gehouden, maar van een volkomen geweten en van een dienen van God door de liefde naar Zijn wil was onder de wet geen sprake. Dit is het heerlijk en gelukkig voorrecht van de Christen. Door Christus heeft hij een volkomen gereinigd geweten overeenkomstig Gods eigen natuur. Hij dient God in de vrijheid van de liefde. Het bloed van Christus reinigt ons van alle zonde. Christus heeft de reiniging van onze zonden teweeggebracht door de overgave van Zichzelf, en Hij heeft God volmaakt verheerlijkt; zodat wij in Christus gerechtigheid van God geworden zijn, en daardoor in staat om volgens die natuur God te dienen en te verheerlijken.

Als wij samenvatten, wat ons in deze verzen geleerd wordt, dan vinden wij, dat Christus in de hemel Zelf is ingegaan als Hogepriester van de toekomende goederen, aan allen, die zich aan Hem toevertrouwen, het bezit van die goederen verzekerende; maar dat wij nu de toegang hebben tot God in het licht, uit kracht van Christus’ zitten aan Gods rechterhand; dat wij voor altijd een gereinigd geweten hebben, zodat wij met alle vrijmoedigheid in Gods tegenwoordigheid kunnen verschijnen; en dat wij de levende God in de ware vrijheid van de liefde kunnen dienen.

“En daarom is hij Middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu de dood heeft plaats gevonden tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen zouden” (Hebr. 9:15).

Wij zullen nu niet terugkomen op de leer omtrent de verbonden, aangezien wij daarover in het vorige hoofdstuk uitvoerig hebben gehandeld. Alleen merken wij op, hoe de geïnspireerde schrijver ook hier elke rechtstreekse toepassing van het nieuwe verbond zorgvuldig vermijdt. Christus is Middelaar van een nieuw verbond, opdat de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen zouden. Hierdoor is ruimte gelaten zowel voor Israël en Juda, met wie eenmaal dat nieuwe verbond letterlijk zal worden opgericht, als voor ons, die de geestelijke zegeningen en voorrechten van dat verbond deelachtig zijn en zullen worden.

De hoofdzaak waar het hier om gaat, is, dat het nieuwe verbond, waarvan Christus de Middelaar is, gegrond is in Zijn bloed. De  dood van Christus was volstrekt noodzakelijk. Zonder bloedstorting is geen vergeving. Zolang de overtredingen, die onder het eerste verbond waren geschied, niet vergeven en verzoend waren, kon  er van het oprichten van een nieuw verbond geen sprake zijn. Maar door de dood van Christus heeft de verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond plaats gevonden. Merken wij op, dat hier gesproken wordt van overtredingen en niet van zonden. Vóór de wet was de zonde in de wereld, maar door de wet is de zonde tot overtreding van Gods gebod geworden. Van Adam tot Mozes waren de mensen wel zondaren, maar geen overtreders (zie Rom. 5:14); maar toen de wet gekomen is, werden de mensen, die zondaren, en daarom verloren waren, overtreders van Gods gebod, waardoor de zonde te meerder geworden is, en de toestand van den mens des te meer aan het licht trad.

De noodzakelijkheid van het sterven van Christus wordt door Paulus aangetoond door een voorbeeld. De geroepenen, zo had hij gezegd, ontvangen de belofte van de eeuwige erfenis. Welnu, zo vervolgt hij, als er van een erfenis sprake, is, dan moet het ook gaan, zoals het met alle erfenissen gaat. “Want waar een testament is, daar is het nodig, dat de dood van de erflater vaststaat; want een testament wordt van kracht, als de dood is ingetreden, daar het nimmer kracht heeft, zolang de erflater leeft” (Hebr. 9:16-17). Even noodzakelijk als een testament-maker gestorven moet zijn, om het door hem gemaakte testament van kracht te doen zijn, moest Christus sterven, opdat de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis zouden kunnen ontvangen. De dood is het loon van de zonde. Door de zonde is het oordeel van de dood gekomen; daarom moest Christus, wilde Hij ons van dit oordeel vrijmaken, en ons de belofte van de eeuwige erfenis schenken, in onze plaats sterven. Gods gerechtigheid eiste dit. Christus is gestorven. Door Zijn sterven heeft Hij de verzoening van onze zonden aangebracht, overeenkomstig Gods gerechtigheid, en heeft nu een plaats ingenomen geheel afgescheiden van zonde, zodat allen, die in Hem geloven, van de zonde verlost en van de de dood bevrijd zijn, en de eeuwige erfenis deelachtig kunnen worden.

Het is nog van belang op te merken, dat in de oorspronkelijke taal slechts één woord is, dat in onze vertaling overal is overgezet door “verbond”, en alleen in vers 16 en 17 door “testament”. Het Griekse woord heeft beide betekenissen. In het eerste geval wordt er mee bedoeld: een verbintenis tussen twee partijen op door beide partijen gestelde en aangenomen voorwaarden. In het tweede geval betekent het een beschikking door hem, die het recht heeft iets te vermaken.

Het nieuwe verbond, waarvan Christus de Middelaar is, is dus gegrond in Zijn bloed. De noodzakelijkheid nu om het verbond te grondvesten op het bloed van een slachtoffer is duidelijk gebleken onder het eerste verbond. In de typen van de Mozaïsche eredienst heeft God dit duidelijk voorgesteld.

“Daarom is ook het eerste [verbond] niet zonder bloed ingewijd. Want toen door Mozes naar de wet elk gebod tot het hele volk gesproken was, nam hij het bloed van kalveren en bokken met water, scharlaken wol en hysop en besprenkelde zowel het boek zelf als het hele volk, en zei: ‘Dit is het bloed van het verbond dat God u geboden heeft’. En evenzo besprenkelde hij de tabernakel en alle vaten van de dienst met het bloed. En met bloed worden bijna alle dingen naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving” (Hebr. 9:18-22).

In deze verzen worden ons drie toepassingen van het bloed voorgesteld:

  1. het verbond is gegrond op het bloed;
  2. de reiniging van de zonden geschiedt door het bloed;
  3. de schuld is weggenomen door de vergeving, die een gevolg is van het bloed, dat gestort werd. Deze drie dingen zijn noodzakelijk, opdat wij in betrekking tot God zouden kunnen staan.

Wordt D.V. vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW