10 jaar geleden

De laatste woorden van Jezus Christus: de Kruiswoorden (1)

Als een geliefde van ons zijn of haar laatste woorden uitspreekt – als er nog gelegenheid voor is – dan spitsen wij onze oren. Daar willen we geen woord van missen en daar denken we later vaak aan terug. Vaak zijn de laatste woorden van iemand waarvan wij veel houden voor ons van grote waarde en maakt veel indruk. Maar …wat weten wij van de laatste woorden van onze Heer en Heiland? Deze heeft Hij uitgesproken toen Hij aan het kruis van Golgotha hing. Zijn laatste plaats hier op aarde, waarnaar Hij verwezen werd. Kennen wij Zijn laatste woorden, de kruiswoorden van de Heer Jezus?

Vader – Heden – Vrouw – Mijn – Mij – Het – Vader

Woorden  vóór de drie uren van duisternis:

1. “En Jezus zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen …” (Lukas 23:34).

2. “Voorwaar, Ik zeg u: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn” (Lukas 23:43).

3. “En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en de zuster van Zijn moeder, Maria, de [vrouw] van Klopas, en Maria Magdaléna. Toen nu Jezus Zijn moeder zag, en de discipel die Hij liefhad daarbij staande, zei Hij tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zei Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar in zijn huis” (Johannes 19:25-27).

Woorden tijdens de drie uren van duisternis:

4. “En omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem: Eli, Eli, lama sabachthani? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” (Mattheüs 27:46).

“En toen het zesde uur gekomen was, kwam er duisternis over het hele land, tot het negende uur toe. En op het negende uur riep Jezus met luider stem: Eloï, Eloï, lama sabachthani? – Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” (Markus 15:33).

Woorden ná de drie uren van duisternis:

5. “Hierna zei Jezus, daar Hij wist, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden: Mij dorst!” (Johannes 19:28).
6. “Er stond een vat vol zure wijn, en zij vulden een spons met zure wijn, omlegden die met hysop en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus dan de zure wijn had genomen, zei Hij: Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf Zijn geest over” (Johannes 19:28-30).
7. “En het was ongeveer het zesde uur, en er kwam duisternis over het hele land tot het negende uur toe; en de zon werd verduisterd. En het voorhangsel van de tempel scheurde doormidden. En Jezus riep met luider stem en zei: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En toen Hij dit gezegd had, stierf Hij”. Toen nu de hoofdman zag wat er gebeurd was, verheerlijkte hij God en zei: Waarlijk, deze mens was rechtvaardig” (Lukas 23:44-47).


 

Enkele feiten daarbij:

  • “En Jezus riep opnieuw met luider stem en gaf de geest. En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde en de rotsen scheurden; en de graven werden geopend en vele lichamen van de ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven na Zijn opstanding en kwamen in de heilige stad en verschenen aan velen. En toen de hoofdman en zij die met hem Jezus bewaakten, de aardbeving zagen en de dingen die gebeurd waren, werden zij zeer bevreesd en zeiden: Waarlijk, deze was Gods Zoon!” (Mattheüs 27:50-54).
  • “En Jezus riep met luider stem en stierf. En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden. En toen de hoofdman die daarbij stond tegenover Hem, zag dat Hij zo roepende gestorven was, zei hij: Waarlijk, deze mens was Gods Zoon!” (Mark. 15:37-39).

  1. Jezus riep met luide stem!
  2. De voorhang scheurde.
  3. Aarde beefde, rotsen scheurden.
  4. Open graven en opwekking van ontslapen heiligen.
  5. Na de opstanding van de Heer Jezus Christus gingen de opgewekte heiligen uit de graven en verschenen aan velen.
  6. Hoofdman en andere bewakers erkenden: “deze was Gods Zoon”, en “deze mens was rechtvaardig”.

1. Jezus riep met luide stem!

Hoeveel lijden spreekt door Zijn luide roepen bij het 4e kruiswoord?! Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Een aanhaling ook uit Psalm 22 vers 2. Een ondoorgrondelijke en onnaspeurlijke liefde dreef Hem tot dit verschrikkelijke lijden. Hij die totaal alleen – verlaten door al Zijn discipelen, verraden door Judas … en wat nog oneindig veel meer is: verlaten door God – in een ondoordringbare diepte afdaalde door onze plaats in te nemen op het kruis van Golgotha om Zijn leven uit te gieten in de dood, of zoals de Staten Vertaling zegt: “omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood” (zie Jesaja 53:12). “Het loon van de zonde is de dood (Rom. 6:23). Hij alleen wist wat de consequenties inhielden van het dragen van mijn, onze miljarden zonden betekende en ondervond dit op het kruis van Golgotha. Daar werd Hij omringd door Zijn haters. Zegt niet de psalmist in Psalm 109 vers 3-5: “En met hatelijke woorden hebben zij Mij omsingeld; ja, zij hebben Mij bestreden zonder oorzaak. Voor Mijn liefde staan zij Mij tegen, maar Ik was steeds gebed. En zij hebben Mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor Mijn liefde”. Dat was zeker op Hem van toepassing!!!  Dat was al zo tijdens Zijn wandel hier op aarde maar zeker ook toen Hij daar hing aan het vloekhout. “Vervloekt is een ieder die aan het hout hangt”, dat was Hij … vervloekt. Dat heeft Hem ongetwijfeld ook voor ogen gestaan in Gethsemané en heeft Hem zeker ook hier diep aangegrepen. Zou Hij het daarom niet hebben uitgeroepen???

Deze liefde was onuitblusbaar. Al Gods baren en golven gingen over Hem heen (Ps. 42:8), maar konden deze liefde tot God, Zijn Vader en tot u en mij niet uitblussen. Hooglied 8 vers 6-7 zegt niet voor niets: “want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken …”.

Laten we Hem daarvoor aanbidden, want Hij alleen is het waard!!!
Uw liefde, nimmer te doorgronden,
treft en ontroert ons telkens weer.
Stervend hebt Ge ons aan U verbonden
U, onze Heiland-God, zij eer!

2. De voorhang scheurde.

Ja, ook dit is zeker niet zonder betekenis. Wat betekende de voorhang in de tabernakel? Daarvoor moeten we uiteraard in de Schrift – Gods Woord – gaan kijken. In Exodus 26 vers 31-35 lezen we het volgende: “Daarna zult gij een voorhang maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal men die maken, met cherubim. En gij zult hem hangen aan vier pilaren van sittim[hout], met goud overtogen; hun haken zullen van goud zijn; [staande] op vier zilveren voeten. En gij zult de voorhang onder de haakjes hangen, en gij zult de ark der getuigenis aldaar binnen de voorhang brengen; en deze voorhang zal ulieden een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige der heiligen”. Dit kunstig vervaardigde gordijn was een onderdeel van het interieur van de tabernakel. Het moest volgens de voorschriften die God gegeven had, gemaakt worden. Het wordt hier ook nauwkeurig – zoals we kunnen lezen – weergegeven. Mozes heeft dit alles ook nauwkeurig zo gemaakt. Dit deed Mozes omdat hij eerbied had voor God en God graag wilde gehoorzamen. Van de nauwkeurigheid kunnen we iets lezen in Exodus 36. Bezáleël en Ahóliab hebben hierin een grote rol gespeeld. “Bezáleël nu, de zoon van Uri, den zoon van Hur, van de stam van Juda, maakte al, dat de HEERE aan Mozes geboden had”. Bezáleël had daarbij de hulp van Ahóliab. “En met hem Ahóliab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan, een werkmeester en vernuftig kunstenaar …” (zie Ex. 38:22-23). De inzet en gehoorzaamheid van Mozes en van allen die aan de bouw van de tabernakel hadden meegeholpen, kunnen we ook terug vinden in de volgende uitdrukking die herhaaldelijk terugkomt, namelijk: Naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had. “Naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had, alzo hadden de kinderen Israels het ganse werk gemaakt. Mozes nu bezag het ganse werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, gelijk als de HEERE geboden had; alzo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen” (Ex. 39:42-43). Wie de bouwers geroepen heeft en hoe zij aan hun bekwaamheid kwamen, vinden we onder andere in de volgende teksten: “Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Zie, Ik heb met name geroepen Bezáleël, de zoon van Uri, den zoon van Hur, van de stam van Juda. En Ik heb hem vervuld met de Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; Om te bedenken vernuftigen arbeid; te werken in goud, en in zilver, en in koper, En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk. En Ik, zie, Ik heb hem bijgevoegd Ahóliab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan; en in het hart van een ieder, die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb” (Ex. 31:1-6).

Wat kunnen we hier veel van leren. Het is goed om te bedenken dat ook deze woorden uit het Woord van God geïnspireerd zijn door de Heilige Geest en dus daarom ook gezag op ons hebben en betekenis voor ons hebben. Zoals we begrijpen kunnen niet in letterlijke betekenis. Het zijn immers gelijkenissen. “Daarmee duidt de Heilige Geest aan, dat de weg tot het heiligdom nog niet bekend gemaakt is, zolang de eerste tabernakel nog stand houdt. Deze is een gelijkenis voor de tegenwoordige tijd …” (Hebr. 9:8-9). Toch leert ons het Nieuwe Testament dat de dingen uit het Oude Testament voor de gelovige van vandaag haar betekenis heeft. Daartoe ook de volgende schriftplaats. “Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften hoop zouden hebben” (Romeinen 15:4). Mozes deed het precies zó als God hem had getoond. Doen wij dat ook? Heeft God ons ook niet in Zijn Woord getoond HOE Hij wil dat de Zijnen – dat zijn zij die duur gekocht en betaald zijn met het kostbare bloed van de Heer Jezus – samenkomen? Jazeker!!! De Hebreeën onder andere laat ons daarvan dingen zien, de offerdienst. We hebben het hier in Hebreeën 9 over het heiligdom. Dit heiligdom kennen wij ook. Daar mogen wij naar binnen gaan om offers van lof en dank en aanbidding te brengen, persoonlijk en gemeenschappelijk. Waarom mogen wij naar binnen gaan? Omdat de voorhang gescheurd is en daardoor de hemel nu open is. Die voorhang waarover we lezen in Mattheüs 27 is gescheurd van boven naar beneden. Dit duidt erop dat de opening door God Zelf gemaakt is en wel op grond van het volbrachte verzoeningswerk van de Heer Jezus. Nadat Hij had gezegd: “Het is volbracht!”

Een lied zegt:

“De voorhang is gescheurd, de hemel is nu open;
het leven in het licht is thans ons eeuwig lot.
De toorn, die op ons was, is op U aangelopen;
Uw liefde is groot, o Lam van God.

en …

U hebt tot in de dood geleden
aan het kruis, aan het kruis;
de voorhang scheurde tot beneden
door het kruis, door het kruis.
Wij mogen vrij naar binnen gaan
voor God in ‘t heiligdom nu staan.
Want Hij nam heel Uw offer aan,
aan het kruis, aan het kruis.

Om een beter beeld te krijgen wat de betekenis van het heiligdom is, willen we wat verder ingaan op wat we in Hebreeën 9 vinden. Eerst citeren we het gehele hoofdstuk; dan kunnen we steeds daarop terugkijken. Voor de uitleg wordt er onder andere een verklaring gebruikt van de bekende bijbelleraar broeder J.N. Voorhoeve.

Hebreeën 9 vers 1-28:
1. “Het eerste [verbond] had dan ook inzettingen voor de dienst en het wereldlijk1 heiligdom. 2.2 waarin de kandelaar was en de tafel en de toonbroden; deze wordt het heilige genoemd. 3. En achter het tweede voorhangsel was een tabernakel, het heilige der heiligen geheten. 4. Deze had een gouden wierookvat3 en de ark van het verbond, rondom met goud overdekt, waarin de gouden kruik was, die het manna bevatte en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het verbond; 5. en daarboven de cherubs van de heerlijkheid, die het verzoendeksel4 overschaduwden; hierover zullen wij nu niet in bijzonderheden spreken. 6. Waar deze dingen nu zo ingericht zijn, gaan wel de priesters steeds in de eerste tabernakel om de diensten te volbrengen, 7. maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offert voor zichzelf en voor de afdwalingen5 van het volk. 8. [Daarmee] duidt de Heilige Geest aan, dat de weg tot het heiligdom6 nog niet bekend gemaakt is, zolang de eerste tabernakel nog stand houdt. 9. Deze in een gelijkenis7 voor de tegenwoordige tijd, waarin zowel gaven als slachtoffers geofferd worden, die hem die de dienst verricht, naar het geweten niet kunnen volmaken, 10. die alleen [bestaan] in spijzen, dranken en verschillende wassingen: inzettingen voor het vlees, tot op de tijd van het herstel opgelegd. 11. Maar Christus, gekomen als Hogepriester van de toekomstige goederen, door de grotere en volmaaktere tabernakel niet met handen gemaakt, (dat is niet van deze schepping), 12. ook niet met8 het bloed van bokken en kalveren, maar met Zijn eigen bloed, is eens voor altijd ingegaan in het heiligdom, en heeft een eeuwige verlossing verworven. 13. Want als het bloed van bokken en stieren en de as van een jonge koe, gesprenkeld op de onreinen, heiligt tot de reinheid van het vlees, 14. hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? 15. En daarom is hij Middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu de dood heeft plaats gevonden tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen zouden. 16. (Want waar een testament9 is, daar is het nodig, dat de dood van de erflater vaststaat; 17. want een testament wordt van kracht, als de dood is ingetreden, daar het nimmer kracht heeft, zolang de erflater leeft). 18. Daarom is ook het eerste [verbond] niet zonder bloed ingewijd. 19. Want toen door Mozes naar de wet elk gebod tot het hele volk gesproken was, nam hij het bloed van kalveren en bokken met water, scharlaken wol en hysop en besprenkelde zowel het boek zelf als het hele volk, 20. en zei: ‘Dit is het bloed van het verbond dat God u geboden heeft’.10 21. En evenzo besprenkelde hij de tabernakel en alle vaten van de dienst met het bloed. 22. En met bloed worden bijna alle dingen naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving. 23. Het was dus nodig, dat de zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn hierdoor gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere slachtoffers dan deze. 24. Want Christus is niet ingegaan in het met handen gemaakte heiligdom, een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; 25. ook niet opdat hij Zichzelf dikwijls zou offeren, zoals de hogepriester elk jaar ingaat in het heiligdom met vreemd bloed; 26. anders had Hij van de grondlegging van de wereld af dikwijls moeten lijden. Maar nu is Hij eenmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard om de zonde teniet te doen door de offerande11 van Zichzelf. 27. En zoals het de mensen beschikt is éénmaal te sterven en daarna het oordeel, 28. zo zal ook Christus, éénmaal geofferd om de zonden van velen te dragen, de tweede maal zonder zonde12 verschijnen tot behoudenis aan hen die Hem verwachten”.

De tabernakel met al wat erbij hoort is óók volgens de bijbel zelf een type van het Oude Testament. De volgende teksten bevestigen dit ook.

  • “Dezen dienen het voorbeeld en de schaduw van de hemelse dingen …” (Hebr. 8:5).
  • “… de zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn …” (Hebr. 9:23);
  • “Want daar de wet een schaduw heeft van de toekomstige goederen, niet het beeld van de dingen zelf …” (Hebr. 10:1).

De tabernakel, de tent van God in de woestijn, werd gemaakt (zie o.a. Ex. 26:1-30) en bestond uit 3 delen, namelijk uit:

  1. De voorhof: hier mocht het ‘gewone’ volk komen;
  2. het heilige: hier mochten alleen de priesters komen;
  3. het heilige der heiligen: hier mocht alleen de hogepriester komen.

Het geheel was omgeven door een omheining.

God wilde graag onder Zijn volk wonen en daartoe moesten zij een heiligdom maken en wel naar het voorbeeld wat God wijzen zou. “En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone. Naar al wat Ik u tot een voorbeeld van deze tabernakel, en een voorbeeld van al zijn gereedschap wijzen zal, juist alzo zult gij dat maken” (Ex. 25:8-9). We hebben er al bij stil gestaan, dat dit ook inderdaad gebeurd is (zie ook Hebr. 8:5). Elk van deze onderdelen en de omheining alsmede de voorwerpen en materialen die gebruikt werden bij de dienst én de verschillende offers die gebracht werden, hebben dus ook nu nog hun betekenis voor onze tijd. Maar nogmaals: van een letterlijke toepassing is uiteraard geen sprake, omdat deze dienst behoorde bij het oude verbond, bij het volk Israël. Dat maakt ook Hebreeën 9 wel duidelijk. Dit hoofdstuk begin al met te stellen dat er een ‘eerste’ verbond was. Vers 1 zegt: “Het eerste verbond had dan ook …”, verleden tijd dus. Hebreeën 8 spreekt ook over een “beter verbond en betere beloften”. En “als dat eerste onberispelijk geweest was, zou er voor een tweede geen plaats gezocht zijn” (Hebr. 8:7). We gaan daar nu niet verder op in. Wel voegen we hier een verklaring in van Hebreeën 9.


Als de volmaaktheid door het Levietische priesterschap gekomen was, dan zou er geen ander priesterschap naar de ordening van Melchizédek nodig geweest zijn; als het eerste verbond gehouden was, dan hoefde er geen tweede, geen nieuw verbond te komen; zo had Paulus13 gezegd. Was er een priesterschap naar de ordening van Melchizédek, dan verviel het Levietische; en kwam er een nieuw verbond, dan is het eerste dus oud gemaakt en de verdwijning nabij. Dit was klaar en duidelijk. Maar nu diende aangetoond te worden, om welke reden die oude bedeling niet kon blijven. Welnu, daartoe gaat de schrijver over in dit negende hoofdstuk. Hij toont aan, dat onder het eerste verbond niemand toegang had in de tegenwoordigheid van God, daar God achter de voorhang was verborgen; dat er van een gereinigd geweten geen sprake was, omlat het bloed van stieren en bokken de zonden niet kon wegnemen; en dat er geen volkomen verlossing was aangebracht.

Voordat hij evenwel hiertoe overgaat, spreekt hij tamelijk uitvoerig over de tabernakel en zijn inrichting. Wel zegt hij, dat hij over deze dingen nu niet van stuk tot stuk wenste te spreken, maar toch is het merkwaardig, dat hij dit alles hier opnoemt. Het is, alsof hij de schoonheid en heerlijkheid van de tabernakel, als door God Zelf aldus gegeven en ingericht, voor hun ogen wil stellen, om hun dan daarna een des te diepere indruk te geven van de schoonheid en heerlijkheid van de hemelse dingen, van welke deze inrichtingen de zinnebeelden waren. En tevens wil hij er zijn lezers van doordringen, dat, hoe schoon die tabernakel ook was, en in welke heerlijke dingen daarin ook gevonden werden, hij, nu de werkelijkheid van dit alles in Christus gekomen was, geen betekenis meer had, en dat, wie er bij bleef staan en aan bleef vasthouden, geen door God gewild en gegeven heiligdom meer had, maar een wereldlijk heiligdom. Want als God het door Hem gegeven heiligdom oud heeft gemaakt, en aan de verdwijning prijs geeft, dan is het in niets onderscheiden van de heiligdommen, door de mensen opgericht. Op dezelfde wijze spreekt Paulus, onder andere in de Brief aan de Kolossers, over de wet, die door God gegeven, maar door Christus uit het midden weggenomen, “de eerste beginselen van de wereld” bevat.

Opmerkelijk is het, dat hier niet gesproken wordt over de tempel, die spoedig zou verdwijnen, maar over de tabernakel. De oorzaak daarvan is, dat de tempel van Salomo ons herinnert aan de duizendjarige heerlijkheid, terwijl de tabernakel ons doet denken aan de reis door de wildernis14. En de toestand van de Christenen is aan die van Israël in de woestijn gelijk. Gods volk is nog niet ingegaan in het land, maar wandelt nog als pelgrim en vreemdeling op aarde; en de Brief aan de Hebreeën, zoals wij al meermalen opmerkten, beschouwt het volk van God uitsluitend als reizende door deze wereld naar het hemelse Kanaän. Hoewel de tabernakel al lang verdwenen was, en Paulus zelfs dingen opnoemt, die tot de tempel behoren, zo spreekt hij toch opzettelijk over de tabernakel, omdat anders het doel, dat de Heilige Geest in deze Brief voor ogen heeft, zou verloren zijn, daar wij als Christenen niet gelijk zijn aan Israël in het land, maar aan Israël in de woestijn.

Na de beschrijving van de schoonheid en voortreffelijkheid van de tabernakel en van hetgeen hij bevatte (vs. 1-5), stelt Paulus allereerst voor, dat, zolang de eerste tabernakel stand hield, de weg tot het heiligdom nog niet geopenbaard was. Niemand mocht in het heilige der heiligen ingaan. In de eerste tabernakel, namelijk het heilige, gingen de priesters te allen tijde in om de dienst te volbrengen (vs. 6); maar in de tweede, het heilige der heiligen, mocht niemand ingaan om te aanbidden. Alleen de hogepriester moest eenmaal per jaar op de grote verzoendag in het heiligdom ingaan, maar niet om God te vereren, maar om door het bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de afdwalingen van het volk, verzoening te doen. Het volk mocht niet verder komen dan in de voorhof; de priesters mochten alleen in het heilige ingaan; en de hogepriester niet meer dan eenmaal per jaar in het heilige der heiligen, om voor zich en voor het volk verzoening te doen (vs. 7). Geen mens op aarde had dus toegang tot de tegenwoordigheid van God. Zolang de zonde niet was te niet gedaan, en de zonden niet waren verzoend, kon niemand voor God bestaan. Zelfs de hogepriester moest, zou hij niet sterven, door de wolken van de wierook de ark van het verbond, waar God tussen de cherubijnen Zijn troon had, bedekken. Waarmee, zo zegt Paulus, “de Heilige Geest dit aanduidt, dat de weg tot het heiligdom nog niet geopenbaard is, zolang de eerste tabernakel nog stand houdt” (vs. 8).

Maar nu is de weg tot het heiligdom geopenbaard. De voorhang is gescheurd en de hemel is open. “Christus, gekomen als Hogepriester van de toekomstige goederen, door de grotere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt, (dat is niet van deze schepping), ook niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met Zijn eigen bloed, is eens voor altijd ingegaan in het heiligdom, en heeft een eeuwige verlossing verworven” (vs. 11-12). Elke hinderpaal is weggenomen; ieder gelovige is toegelaten tot de tegenwoordigheid van God, en heeft voortdurend toegang tot Hem in dat licht, waarin Hij Zelf is. Welk een volkomen verlossing! Want hoe zouden wij in Gods heilige tegenwoordigheid, in het licht, kunnen ingaan, indien niet alles wat ons van Hem scheidde, volkomen was weggenomen? Hoewel ons hier niet wordt geleerd, zoals in de Brief aan de Efeziërs, dat wij meegezet zijn in Christus in de hemelse gewesten, daar onze vereniging met Christus niet in onze Brief wordt behandeld, zo wordt hier toch het heerlijke feit vastgesteld, dat wij toegang hebben tot God in het heiligdom, en met vrijmoedigheid kunnen ingaan in Gods heilige woning, waar niets kan binnenkomen, wat met Hem in strijd is.

Maar er is meer. Wij hebben niet slechts de toegang tot het hemels heiligdom, maar wij zijn ook, krachtens het volbrachte werk van Christus, in een toestand gebracht, die ons geschikt maakt om met vreugde van dit ons recht gebruik te maken. Christus heeft ons naar het geweten volmaakt, zodat wij zonder enige vrees, zonder iets, wat ons hindert of bezwaart, in het heiligdom kunnen ingaan. Bedenken wij wel, dat een volmaakt geweten heel wat anders is dan een onnozel geweten, hetwelk, gelukkig in zijn onschuld, het kwaad niet kent, maar evenmin weet, wie God is in Zijn heiligheid. Een volmaakt geweten kent God; het is gereinigd; het heeft de kennis van goed en kwaad overeenkomstig Gods licht, en weet, dat het naar de heiligheid van God Zelf van alle zonden is gereinigd. Het bloed van bokken en kalveren nu kon hen, die de dienst pleegden, naar het geweten niet volmaken; evenmin waren daartoe in staat al de instellingen van de wet en de verschillende wassingen; deze konden alleen het vlees reinigen, zodat men uitwendig tot God kon naderen; een werkelijke reiniging van de zonde, waardoor de ziel in Gods tegenwoordigheid kan verkeren, met een geweten, dat niet beschuldigt, omdat de zonde te niet is gedaan, kon door deze offeranden en wassingen niet tot stand gebracht worden (vs. 9-10.) Maar dank zij Gods genade! Christus heeft het werk volbracht, en is ingegaan voor ons in het hemels en eeuwig heiligdom, de getuige, aldaar van de wegneming van de zonde, zodat het geweten van zonde is weggedaan, daar wij weten, dat Hij, die onze zonden gedragen heeft, in Gods tegenwoordigheid is, nadat Hij een volkomen verzoening voor de zonde had teweeggebracht. Dus is er niet slechts reiniging van onze zonden teweeggebracht, maar reiniging van ons geweten, zodat wij in vrijheid en blijdschap van het hart kunnen verschijnen voor Hem, die ons zo onuitsprekelijk heeft liefgehad.

Maar niet alleen dit, maar Christus, die eens voor altijd in de hemel is ingegaan, blijft daar voor eeuwig; Hij is ingegaan in het hemelse heiligdom krachtens een eeuwige verlossing, krachtens Zijn bloed, dat voor altijd zijn waarde en kracht behoudt. Het werk is volkomen volbracht, en verliest zijn algenoegzaamheid nooit. Als de zonde is weggenomen; als God is verheerlijkt en Zijn gerechtigheid is bevredigd; zo kan de waarde van dit werk nooit zijn kracht verliezen, en behoudt zijn geldigheid voor altijd. De verlossing die teweeggebracht is, is geen tijdelijke noch voorbijgaande, maar een eeuwige.

Drie gevolgen van het volbrachte werk van Christus worden ons dus hier voorgesteld:

  • een vrije toegang in de tegenwoordigheid van God;
  • een gereinigd geweten
  • een eeuwige verlossing.

Maar behalve deze drie gevolgen van het volbrachte werk van Christus worden nog drie andere belangrijke punten in deze verzen behandeld. Allereerst: Christus is Hogepriester van de toekomstige goederen. Wanneer de Heilige Geest hier spreekt van “de toekomstige goederen” (vs. 11), dan is het uitgangspunt Israël onder de wet vóór de komst van Christus. Als de Messias komen zal in Zijn koninkrijk, dan zullen deze toekomstige goederen aan Israël worden geschonken. Hadden wij deze goederen al, nu het Christendom gekomen is, dan kon er nu geen sprake zijn van toekomstige goederen, maar dan moesten wij zeggen: wij bezitten ze. Onze tegenwoordige verhouding tot Christus is evenwel een hemelse; Hij is Hogepriester in een grotere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is niet van deze schepping; Hij is in de hemel, en wij hebben dáár onze plaats.

NOTEN:
1. Lett. “het heiligdom, een wereldlijk”.
2. Dit is het voorste gedeelte.
3. Of misschien reukaltaar.
4. Of genadetroon (hetzelfde Griekse woord als in Rom. 3:25).
5. Lett. “onwetendheden”. Dat zijn zonden door onwetendheid.
6. Of “in het heilige der heiligen”.
7. Hetzelfde word “gelijkenis” als in Matth. 13:3.
8. Of “door”.
9. Het woord vertaald door “verbond” en door “testament” is hetzelfde, eigenlijk een beschikking.
10. Ex. 24:8.
11. Lett. “het slachtoffer”.
12. Eig. “gescheiden van de zonde”, dit is niets meer te doen hebbend met de zonde ten opzichte van de Zijnen.
13. Er wordt er hier van uitgegaan dat Paulus de schrijver van de Hebreeënbrief is.
14. “Wildernis” is woestijn.

 

Wordt D.V. vervolgd.

 

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW