2 jaar geleden

De gemeente van God (9)

IX

Deel II (vervolg).

3) De samenkomsten

Een zelfde kostbare vermaning loopt door het hele praktische leven van de gemeente heen: “Laat alles bij u in liefde gebeuren” (1 Kor. 16:14). Deze liefde die niet kan worden gescheiden van de waarheid (2 Joh. :3), omstrengelt haar band, “de band van de volmaaktheid” (Kol. 3:14), om alle gelovigen heen, vooral wanneer ze als gemeente tot Zijn Naam samenkomen, doordat Hem alleen alle rechten als Hoofd van Zijn lichaam toegekend worden, waar al op gewezen werd. Wij worden ook vermaand: “… laat alles gebeuren tot opbouwing” (1 Kor. 14:26), en wederom is het de liefde die opbouwt (1 Kor. 8:1). “God is niet [een God] van verwarring maar van vrede” (1 Kor. 14:33); daarom moet “alles welvoeglijk en met orde gebeuren” (1 Kor. 14:40).

De gemeente komt in de Naam van de Heer. Hij is de bron van zegen. Zou Hij daar niet zijn, welke waarde zou het dan hebben, dat de gelovigen zich vergaderen? Maar zo vaak we in Zijn Naam vergaderd zijn, hebben we de zekerheid dat Hij naar Zijn belofte in ons midden is.

We worden aangespoord onze onderlinge bijeenkomst niet te verzuimen (Hebr. 10:25). Dat wordt ons niet gezegd in de zin van een ons opgelegde wet. De vermaning vertelt ons eerder, dat het samenkomen voor het leven van het Lichaam van Christus absoluut noodzakelijk is. Dit samenkomen verzuimen, zoals bij meerderen de gewoonte is, betekent onszelf en de broeders en zusters, voor wie wij medeverantwoordelijk zijn, dat te ontnemen, wat voor de gezamenlijke groei nuttig is.

Laten we er echter voor zorgen dat, als we vergaderd zijn, ons het er niet toe brengt de zegeningen te verliezen, die de Heer ons geven wil, door achter te houden wat Hem toekomt. De apostel klaagde bij de Korinthiërs over het feit dat zij niet ten goede, maar ten kwade samenkwamen (1 Kor. 11:17). Hoe bedroevend dat deze mogelijkheid bestaat: dat men tot schade, zelfs tot een oordeel samenkomen kan! (zie 1 Kor. 11:34) Prediker zegt: “Een dode vlieg doet de zalf van de zalfbereider stinkend gisten” (Pred. 10:1) en we weten dat “alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven” (Rom. 15:4).

“Sekten” in de gemeente1 – vertaler leiden tot een dergelijk verlies van de zegen van de Heer. Meningsverschillen die worden getolereerd en niet opgelost worden, jaloezie, openlijke of verborgen bitterheid en wrok en vele andere dingen hinderen de werking van de Geest in de gemeenten en remmen vrijmoedigheid voor de Heer! Laten we ons herinneren aan de altijd actuele vermaning van de Heer Jezus in Mattheüs 5 vers 23 en 24, en laten we ons met onze broeder verzoenen, voordat we voor het altaar van God verschijnen en daar met hem samenkomen!

Een andere oorzaak van ernstige schade is de minachting voor de eer van de Heer in onze samenkomsten. Hij is daar, en daar is heilige grond waarop we de sandalen van onze voeten moeten doen. De Korinthiërs vierden het avondmaal onwaardig, zo waren er velen zwak en ziek onder hen, en een groot deel ontslapen (1 Kor. 11:30).

Bijzondere samenkomsten van de gemeente

Een plaatselijke gemeente kan bijeenkomen op initiatief van één of meerdere broeders die de Heer geroepen heeft om haar onderwijs te geven, hetzij door lezingen of gemeenschappelijke bijbelbesprekingen (Hand. 11:26). Ook kan het zijn dat ze een waarschuwende boodschap van de Heer aan de gemeente te brengen hebben of een boodschap van troost of van andere aard (Hand. 15:30). Ook kan het een broeder op het hart liggen iets over het werk van de Heer te berichten, zoals we het lezen in Handelingen 14 vers 26-27 toen Paulus en Barnabas naar Antiochië terugkeerden: “waar zij aan de genade van God waren opgedragen voor het werk dat zij hadden volbracht. Toen zij nu daar waren aangekomen en de gemeente hadden vergaderd, berichtten zij alles wat God met hen had gedaan en dat Hij voor de volken een deur van geloof had geopend”. Zo’n mededeling en zo’n deelname in het werk van de Heer is zeer waardevol, maar helaas wordt er zelden zo mee omgegaan.

Het schijnt mij toe dat men het karakter van zulke samenkomsten soms verkeerd begrijpt. Vaak aarzelt men om zulke samenkomsten “tot de Naam van de Heer” of “rondom Hem vergaderd” te noemen. Daardoor zouden we -misschien als gevolg van de traditionele gewoonte – de mogelijkheden beperken waarin de gemeente kan samenkomen in de Naam van de Heer Jezus en zo op Zijn tegenwoordigheid kan rekenen. Ongetwijfeld zal de dienstknecht van de Heer, die een samenkomst onder zijn verantwoordelijkheid bijeenroept, dat alleen doen om de dienst, die hij in opdracht van de Heer moet doen, te vervullen. Het is te wensen dat hij zijn verantwoording voor het aangezicht van de Heer gewetensvol afweegt en voelt, dat zo’n samenroeping in werkelijkheid door de Heer gewild is. Evenzo moet elke broeder, die de plaatselijke vergaderingen bezoekt, zich van de ernst van zijn dienst goed bewust zijn.

In al deze gevallen blijft het principe bestaan, dat het de Heer is Die door middel van de “gaven” werkt, die Hij benut onder de leiding van de Heilige Geest.

In dit soort samenkomsten erkent de gemeente dankbaar, dat de Heer haar door middel van zo’n dienstknecht wil opbouwen. Hun verwachting is op de Heer gericht. Iedere aanwezige moet op het hart hebben zowel van tevoren, als ook tijdens de samenkomst in stilte te bidden dat niets zal worden gezegd, dat niet van Hem komt. De spreker is slechts een kanaal en ieder zou moeten bidden, dat hij met de ware bron in verbinding blijft, opdat er helder water zal mogen stromen. Er moet een voortdurende beoordeling plaatsvinden hetgeen mogelijk is dankzij de “zalving van de Heilige” (1 Joh. 2:20) [1] die elke gelovige ontvangen heeft met het doel dat alles wat gezegd wordt in overeenstemming is met het Woord, zodat de Gemeente (die “de pilaar en grondslag van de waarheid” is) met blijdschap het juiste voedsel ontvangt, en zij niet het gevaar loopt verkeerd onderwijs aan te nemen (Hand. 17:11; 1 Thess. 5:19-21; 2 Joh. 9,10).

Het gaat hier, wel te verstaan, om de dienst van de opbouw in de gemeente. Het is duidelijk dat men een evangelisatie-bijeenkomst geen samenkomst van de gemeente noemen kan. Want de evangelisatie wordt voor mensen van de wereld gehouden, waar de evangelist vanzelfsprekend zijn arbeidsveld heeft. Zeker, de verkondiging van de behoudenis kan in elke samenkomst zijn plaats hebben, zelfs in een gemeentelijke. Dat geldt, net zoals in de tijd van Timotheüs, vooral ook in onze dagen, waarin het nodig is dat het werk doen van een evangelist ook in verbinding met andere gaven gedaan moet worden (2 Tim. 4:5). Maar de gemeente komt niet met het speciale doel samen om het evangelie te verkondigen. Toen Cornelius tegen Petrus zei (Hand. 10:33): Wij zijn dan nu allen aanwezig voor God om alles te horen wat u door de Heer is bevolen, was de Heilige Geest zeker krachtig aan het werk. Maar toch gaat het hier niet om de “gemeente”, want behalve Petrus en de broeders die hem begeleidden, had nog niemand van de toehoorders de Heilige Geest ontvangen.

In tegenstelling tot zulke samenkomsten, die door de dienaars van het Woord bijeengeroepen worden, spreekt het Nieuwe Testament uitdrukkelijk van de regelmatige samenkomsten als “gemeente”, waar normalerwijze het leven van een plaatselijke gemeente tot uitdrukking komt. Dergelijke samenkomsten zijn een gemeenschappelijke aangelegenheid van de gemeente gedurende het begin tot het einde van het samenzijn. Allen zijn daartoe geroepen; maar ze moeten niet alleen maar aanwezig zijn, maar er ook werkelijk aan deelnemen. Paulus zegt tegen de Korinthiërs: “… wanneer u als gemeente samenkomt”, of “wanneer u nu op één plaats samenkomt”, of nog anders, “als dan de hele gemeente op één plaats samenkomt” (1 Kor. 11:18-20; 14:23,26).

Dit zijn de wezenlijke samenkomsten van de gemeente. Zij zoekt de tegenwoordigheid van de Heer om de haar toevertrouwde taken uit te oefenen. Ze ziet in geloof op naar Hem alleen, zonder van te voren te weten wie de Heilige Geest voor de dienst gebruiken wil. Niet dat men een opwelling van plotselinge ingevingen moet verwachten, want dat zou alleen maar op een misplaatste werking van het vlees wijzen (1 Kor. 14:23). Integendeel, de samenkomst moet daardoor een rustig, evenwichtig en ontspannen verloop hebben, wat het kenmerk is voor een lichaam dat zich in een gezonde toestand bevindt, dat van binnenuit door de onzichtbare kracht van één Geest bezield wordt.

De gemeente wendt zich tot God

Behalve de voorrechten die we tot nu toe beschouwd hebben, behoort tot een van de meest uitgeoefende handelingen van de gemeente van God het gemeenschappelijk gebed en de gemeenschappelijke aanbidding van God, de Vader, en van de Heer Jezus Christus. In deze samenkomsten wendt de gemeente zich tot God.

Wanneer de gemeente tot God spreekt om Hem iets te vragen (de bidstond) of om Hem lofoffers2 vertaler te brengen, dan hebben alle broeders als priesters dezelfde positie en hetzelfde recht;3 vertaler. Hun priesterschap is – zowel voor de bidstond als voor de eredienst – gegrond op het priesterschap van de verheerlijkte Christus. Iedere broeder kan bidden, een lied opgeven dat door allen gezongen wordt, dankzeggingen uitspreken namens allen. Dat alles echter alleen op voorwaarde, dat het gebeurt in afhankelijkheid van de Heilige Geest, Die in de Gemeente werkt. Wie zo spreekt, is de mond van de gemeente.

Gebeden en dankzeggingen namens de gemeente hebben zeker in alle samenkomsten plaats. Maar de orde die past bij het huis van God houdt in, dat bepaalde samenkomsten bestemd zijn voor het gebed en andere aan de aanbidding toegewijd zijn.

a) De gebedsbijeenkomst

Bij het gemeenschappelijk gebed, zoals bij elk samenkomen in de Naam van de Heer, is, zoals we in Mattheüs 18 zien, de belofte van de tegenwoordigheid van de Heer Jezus verzekerd. Deze tegenwoordigheid juist is het, die de samenkomsten waarde geeft.

Men kan zich dan ook geen plaatselijke gemeente voorstellen zonder bidstonden, evenmin een gelovige die niet persoonlijk bidt. Niet bidden betekent dat men de bron zelf niet opzoekt. Het kan daarom niet genoeg benadrukt worden hoe rampzalig het is, dat de samenkomsten tot gebed zo zwak bezocht worden. Het schijnt op heel veel plaatsen alsof het merendeel van de broeders en zusters geen belangstelling heeft voor gemeenschappelijk gebed, en dit overlaat aan de enkelen die over blijven tot hun eigen verlies en tot schade van de hele gemeente.

Helaas moet ook gezegd worden, dat het eigenlijke karakter van de gebedsbijeenkomst niet altijd gewaarborgd wordt, waardoor zielen afgestoten, in plaats van aangetrokken worden. Meer dan we denken verliest de een of andere, die mond van de gemeente zou moeten zijn, zich in nietszeggende herhalingen waarbij veelvuldig gebruikte uitdrukkingen steeds weer terugkeren; of men vergist zich en vlecht uitgebreide leerstellingen aaneen, alsof we God moeten herinneren aan de waarheid van Zijn Woord, of Hem zelfs daarin willen onderwijzen. Zulke lange en vermoeiende gebeden, zelfs als ze oprecht bedoeld zijn, hinderen andere broeders om praktisch aan het gebed deel te nemen. De ene keer omdat er niet genoeg tijd meer is, maar ook omdat de overvloed van woorden, waartoe zíj niet in staat zijn, hen ontmoedigt. Laten we er toch op letten, dat lange gebeden ‘in de eenzaamheid’4 – vertaler behoren, maar dat zowel voorbeden en dankzeggingen kort en van harte voor de Heer en onze God Vader gebracht worden. Nu is dit al vele malen gezegd, maar het lijkt erop dat het steeds weer wordt vergeten, en zo valt men weer in de oude sleur terug. Hoe verkwikkend en verfrissend echter werkt een duidelijk, kort maar vurig gebed, die in de werkelijk bestaande behoeften die op het hart van allen liggen, uitgesproken wordt.

Een samenkomst tot gebed moet niet zonder voorbereiding zijn. De harten moeten zich erop verheugen in Zijn tegenwoordigheid de gemeenschappelijke behoeften en wensen met dankzegging Hem bekend te maken. De gebedsonderwerpen moeten vooraf worden overdacht en, waar mogelijk, samen besproken zijn. Ja, er is nog meer nodig: het uur van gebed veronderstelt – alsmede iedere gezegende dienst in de gemeente -, een voortdurende gemeenschap met de Heer, liefde voor Hem en de Zijnen, alsmede onderscheidingsvermogen, dat alleen verkregen wordt door een voortdurende oefening (Hebr. 5:14). Daarnaast is volledige overeenstemming onder de broeders gewenst (Matth. 18:19). Zou daarom de bidstond alsmede het voortdurend gebed ‘in de eenzaamheid’4 – vertaler niet juist moeten dienen, dat alles, wat in dit opzicht ontbreekt, in orde komt?

Er moet boven alles de vrije werking van de Heilige Geest ruimte gegeven worden. “Bidt in de Heilige Geest”, zegt Judas (vs. 20; zie ook Ef. 6:16-18). De Heilige Geest komt ons in onze zwakheid te hulp en leert ons ook zo te bidden zoals het hoort. Hij moedigt aan om in vrijmoedigheid in de Naam van de Heer Jezus te bidden.

Aan de achteloosheid ten opzichte van de bidstonden én het veelvoudig afwijken van haar eigenlijke karakter, is de oppervlakkigheid duidelijk herkenbaar. De vele lege plaatsen en de vaak te lange, meer kunstmatig dan inhoudsrijke gebeden, zijn een bewijs van gebrekkig geestelijk leven. Maar wat voor nut heeft het hierover te klagen? We willen ons in plaats daarvan steeds weer laten aansporen door voorbeeld en vriendelijke aanwijzingen onze samenkomsten niet te verzuimen, en de samenkomst tot gebed, rekening houdend met de tegenwoordigheid van de Heer, als een kostbare gelegenheid te beschouwen; een gelegenheid om alle behoeften van de gemeente van God, en wat met de verheerlijking van de Naam van de Heer Jezus in verbinding staat, voor Hem uit te spreken en alle hulp met dankzegging van Hem te vragen (Fil. 4:7). Hij moedigt ons daartoe aan met de woorden: “Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd” (Hebr. 4:16). Hebben we niet allemaal ervaren en ervaren telkens weer, dat we een bijzondere zegen ontvingen, toen we ons ondanks de ongunstige omstandigheden opmaakten de gebedsbijeenkomst te bezoeken? Hij helpt ons zo graag en heeft nooit nagelaten, Zijn zwakke kinderen bemoedigend te belonen voor een kleine opofferende trouw. Hoe goed is de Heer!

b) De aanbidding

Het huis van God is het huis waar “geestelijke offeranden” (1 Petr. 2:5) worden aangeboden. Aanbidding is het hoogste voorrecht en de schoonste opdracht van de gemeente van God; het is eredienst in de ware zin van het woord. Net zoals alle kinderen van God priesters zijn om voorbede te doen, zo zijn ze het ook om offers van lieflijke geur aan te bieden als aanbidders in geest en waarheid, want de Vader zoekt deze voor Zichzelf (Joh. 4:23). Lof en dank wordt gebracht aan God door Jezus Christus, die de zwakheid van onze offergaven (Gen. 28:38) heiligt. De inhoud van de aanbidding zijn de heerlijke onderwerpen die de Heilige Geest de gelovigen voor ogen stelt: de liefde van God, de Persoon van Christus in Zijn goddelijkheid en Zijn mensheid, Zijn lijden, Zijn eeuwige heerlijkheid. Van een dergelijke aanbidding is God het onderwerp, Jezus Christus de inhoud en de Heilige Geest de kracht.

Zeker wordt iedere gelovige geroepen om God te allen tijde te loven (Ps. 34:2). Maar ons hoogste voorrecht en de hoogste en schoonste opdracht is, zoals ik al zei, onze gemeenschappelijke lof, die van de verrezen Christus uitgaat en waarvan Hij het Middelpunt is. Hijzelf neemt ook plaats “in [het] midden van de gemeente” om zijn God lof te zingen, Wiens naam Hij verkondigt aan Zijn broeders (Hebr. 2:12). De gemeente is het “geestelijk huis”; en de grootsheid van dit “lofoffer” (Hebr. 13:15) is niet minder dan de gelukzaligheid van de aanbidders, wanneer deze offers uit gereinigde, met dank vervulde harten komen.

Ten aanzien van het tijdstip, waarop de gemeente zich voor de eredienst vergaderen moet, hebben we geen uitdrukkelijke aanwijzing, noch omtrent andere samenkomsten. Maar na wat het Nieuwe Testament meedeelt, is het duidelijk voor iedereen wiens geest vernieuwd is, en wiens geweten ware gevoelens voor datgene heeft, wat de Heer verwacht, dat de dag van de Heer het juiste moment is. Deze eerste dag van de week is de dag van de opstanding van de Heer. Op de avond van deze dag kwam Hij en stond in het midden van de bijeengekomen discipelen (Joh. 20:19), Schriftplaatsen zoals Handelingen 20 vers 7 en 1 Korinthe 16 vers 2 geven te kennen, dat christenen uit de tijd van de apostel Paulus deze dag als daartoe bestemd erkenden, om zich te vergaderen tot het breken van het brood. Maar we leren ook van hen, dat aan de zondag een zin en een betekenis gegeven is, die met de sabbat niets gemeen heeft.

De juiste uitgeoefende “aanbidding” ontvouwt zich in vrijheid van de Geest. Elke werkzaamheid van het vlees veroorzaakt een dissonant, in de samenkomst tot aanbidding meer dan in een andere bijeenkomst, hetzij door een voorbereide ordening van aanbidding door menselijke leiding of door ongebreidelde drang. De Geest werkt door middel van een onzichtbare lijn die door de gelovigen wordt waargenomen en zich in lofliederen, dankzeggingen en in het voorlezen van gedeelten uit het Woord openbaart. Dit alles voegt Hij in een levendige harmonie samen en op een hoogte die overeenstemt met de geestelijke toestand van de gemeente. Er is een samenklank van vele tonen die alle meewerken om aan het één-zijn met haar onzichtbare, maar altijd aanwezige Hoofd, uitdrukking te geven.

Niemand mag bij een dergelijke aanbidding inactief blijven. Ieder kan en moet  de Heer iets brengen, tenzij zijn hart niet met Hem bezig was, maar met de dingen van de wereld. Als ons hart niet ook in de week bezig is met Hem en Zijn liefde, veeleer gevuld met aardse dingen, van zorgen en onrust, of zelfs van de dingen van deze wereld, dan kan het op zondag niet met gevulde “korven van de eerstelingen van alle vruchten” tot de Heer naderen (zie Deut. 26:1-11). Bij een ware aanbidding zijn de stille momenten geenszins lege pauzes die ongeduldig zouden moeten maken, maar als het huis dat met de geur van de zalf was gevuld, die Maria op de voeten van de Heer uitgoot, zonder een woord te zeggen (Joh. 12:3); zo kan ook in stille momenten de atmosfeer met een zwijgende aanbidding vervuld zijn. Het gaat niet over pauzes die ertoe bestemd zijn om tussen de gesproken woorden adem te halen; de woorden onderbreken veelmeer de stille aanbidding, doordat zij datgene tot uitdrukking brengen, wat de Geest zojuist in de harten tot heerlijkheid van God de Vader en de Zoon gewekt heeft. Door het lezen van het Woord wordt de lofprijzing opnieuw aangewakkerd en de Geest de gelegenheid gegeven om de leiding van het loven uit te oefenen. Het is alleen zinvol als elke regel uit gewoonte vermeden en alle vertrouwen in mensen opgegeven wordt. Wij dienen door de Geest van God en roemen in Christus Jezus en vertrouwen niet op het vlees (Fil. 3:3).

De tafel van de Heer is niet de plaats waar de gaven, zelfs de beste voor de dienst van het Woord, zich moeten ontvouwen, tenzij dan tegelijk de “Levieten”2 te “dienen” én de gemeente in hun aanbidding te ondersteunen. Het is altijd de “gemeente”, die zich door deze of gene broeder uitdrukt; maar als een broeder iets anders zou uitspreken dan wat de gemeente gevoelt, wordt de werking van de Geest, zelfs als hij hoge waarheden uitspreekt, verstoord. Zou men enkelen of zelfs slechts één enkele broeder de taak “de leiding” van de aanbidding op willen leggen, of iemand zou aanspraak maken op deze leiding, dan zou de gemeente zeker van de haar beoogde zegen beroofd worden. Er heeft ook nooit iemand de “geestelijke wijding” ontvangen, om bij de uitdeling van het avondmaal de dankzegging uit te spreken. Maar al is het heel natuurlijk dat deze dienst vooral een oudere broeder toekomt, zo moeten we daarvan niet een gewoonte of een voorschrift maken.

De maaltijd van de Heer is het hoogtepunt van de eredienst. Bij de aanbidding herinneren wij ons alle resultaten van de dood van Christus. De maaltijd van de Heer spreekt van de dood van de Heer. Het wordt in het Pascha van het Oude Verbond uitgebeeld. Er is niets wat meer verheven is. Vergaderd op de eerste dag van de week om het brood te breken, net als toen de heiligen van Troas (Hand. 20:7) deden, gedenken we aan de tafel van de Heer de hoogste openbaring van de Goddelijke liefde. Als we dit sterker zouden voelen, zouden we bang zijn te veel woorden te gebruiken, en de dankzeggingen zouden korter zijn; want de maaltijd van de Heer spreekt voor zichzelf!

Dit is immers de gedachtenismaaltijd van de dood van Christus, waarbij we de onvergelijkbare en onvervangbare taal van het door Hem ingestelde teken spreken laten. Hij brengt ons door deze tekenen (brood en beker) Zijn dood in herinnering; we eten van het brood en drinken uit de beker tot Zijn gedachtenis (Luk. 22:19 en 1 Kor. 11:24,25).

Dit is het meest krachtige getuigenis voor Christus, door hen, die niet meer de wereld toebehoren, maar die hun Heer verwachten. De Schrift zegt: “… verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt” (1 Kor. 11:26). Daarom kunnen we nooit genoeg zorgvuldigheid toepassen op een waardige viering van de maaltijd, we worden aangespoord: “Maar laat men zichzelf beproeven” – niet alleen met het oog op wat hij gedaan heeft, maar ook met betrekking tot zijn hele hart. Zo wordt de gemeente van de volledige vrijheid van de Geest verzekerd om de Heer aan Zijn tafel te omringen.

Het is de tafel van de Heer, niet de onze. Het is zeer verontrustend dat niet allen, die “de Zijnen zijn”, zich verenigen en op Zijn uitnodiging ingaan. Niemand van allen die Hem toebehoren, heeft een geldige reden om van de tafel van de Heer weg te blijven. Als iets in het leven van een gelovige hem van deelname aan de tafel van de Heer weerhoudt -, hoe kan hij het volhouden, dat dit belangrijker is dan het hoogste van alle genoegens? Nogmaals, daarom: “En laat men zichzelf beproeven, en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker” (1 Kor. 11:28). Er staat niet: “En zo houdt hij zich terug”.

Tegelijkertijd genieten we de gemeenschap in de representatie van het “ene lichaam” aan de tafel van de Heer volgens 1 Korinthe 10 vers 15-17. Wanneer deze gemeenschap ons voor ogen staat, sluiten we alle kinderen van God mee in, omdat ze allen gewassen zijn in Zijn bloed en zo de leden van dit lichaam vormen. Of aan- of afwezig zijn, hetzij bekend of onbekend, we zien hen allen in Hem verenigd. Het feit dat we alleen in de eenheid van het lichaam aan Zijn tafel vergaderd kunnen zijn, verplicht ons “de eenheid van Geest te bewaren in de band van de vrede” (Ef. 4:3). Hoe armzalig schijnen ons in dit licht de vele twisten die vaak uit onverschilligheid niet in orde gebracht worden, en de meningsverschillen die de gemeenschap verstoren! Hoezeer moest het bewustzijn van Zijn heilige tegenwoordigheid de gemeente aanleiding geven zich van alle “zuurdeeg” uit te zuiveren (1 Kor. 5:7,8), wat een gebod van de Heer is. Dit gebod gaat tot de verplichting “doet de boze uit uw midden weg” (1 Kor. 5:13), wanneer alle andere middelen hen terug te brengen, uitgeput zijn. Deze praktische reiniging, ten eerste dat ieder afzonderlijk dit aanhoudend door zelf-oordeel met zich meedraagt, alsmede dat dan de gemeente er zorgvuldig op let, is essentieel wanneer de Zijnen als een heilig priesterschap geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus, zullen aanbieden (1 Petr. 2:5; verg. ook vs. 9). In het Oude Testament stond het koperen wasvat tussen de tent van ontmoeting en het altaar. Aäron en zijn zonen, de priesters, wasten daarin hun handen en hun voeten, als zij de tent van de ontmoeting ingingen, en als ze het altaar naderden, om niet te hoeven sterven (Ex. 30:17-21; verg. ook Ex. 40:30-32). Hoe ernstig is dit?

De gemeente ontvangt van God

Wanneer de gemeente als zodanig bijeenkomt om het Woord van God te beschouwen, ontvangt zij zegen van de Heer. Hij gebruikt voor de opbouw de broeders, die Hij daartoe gaven heeft gegeven. Deze broeders zijn dan niet de “mond van de gemeente”, die zich als zodanig tot God wendt, het is veeleer met het oog op hen met name: “Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God” (1 Petr. 4:11). De spreker is ook hier afhankelijk van de leiding van de Geest. Een dergelijke activiteit heeft haar plaats in de samenkomsten waar het Woord verkondigd wordt en bij aanbidding. De Heilige Geest maakt gebruik van het Woord van God om de harten te doen opleven, om het geweten te verscherpen en de zielen in de door Hem gewenste hartentoestand te brengen. Het middel daartoe kan een profeet, dat is een broeder, die een profetische dienst uitoefent, een leraar of een herder zijn, overeenkomstig de huidige behoeften.

In het algemeen komt deze werkzaamheid van de Geest voor het zogenaamde “uur van opbouwing” waarover 1 Korinthe 14 spreekt. Maar het zal goed zijn erop te wijzen, dat volgens het onderwijs van dit hoofdstuk ook gebeden, lofliederen en dankzeggingen bij deze samenkomsten ingezet kunnen worden en tot opbouwing meewerken, zoals reeds hierboven bij de “geestelijke gaven” is gezegd. In het algemeen zou het zeker een gevaar betekenen, wanneer men de verschillende samenkomsten systematisch wil organiseren of schematiseren [5. – noot vertaler]. Dit kan ertoe leiden dat de activiteit van de Geest wordt beperkt.

Helaas is het een feit dat bij deze samenkomsten van de plaatselijke gemeente onze verwachting te weinig op de Heer gericht is, om van Hem te ontvangen. Dit is zowel de oorzaak als ook het gevolg van een grote geestelijke zwakte.

Of het komt zover, dat de samenkomsten waarin men alleen op de Heer wacht, helemaal niet meer gehouden worden – Op sommige plaatsen hebben de gemeenten behalve het breken van het brood, geen andere bijeenkomsten meer dan zulke, waar doorreizende buitenlandse broeders spreken. Zij beroven zichzelf van de voeding, totdat zij van ondervoeding omkomen. Wat kan men zeggen van een lichaam, dat het niet noodzakelijk acht om zich te voeden? -, of zulk samenkomen van de plaatselijke gemeente wordt door iets heel anders vervangen, namelijk door een samenkomen waarin deze of gene broeder de gehele dienst overneemt. Men verwacht zo alles van mensen. Op deze wijze vinden helaas in vele plaatsen samenkomsten plaats, die door de leiding van boven tot ware opbouwing zouden moeten dienen. Men zou ze meer onder de tot een speciaal doel bijeengeroepen samenkomsten rekenen, die in een eerder stadium behandeld zijn; alleen dat ze routinematig en regelmatig op deze manier worden uitgevoerd. Ze kunnen wellicht af en toe ook heel nuttig zijn. Maar de plaatselijke gemeente loopt gevaar om te eenzijdig en daarom onvoldoende gevoed te worden, zelfs als het onderwijs waardevol zou zijn. Bovendien is te vrezen dat de “gemeente” meer en meer vervalt in apathie en, zonder het te beseffen, meer gebaseerd is op mensen dan op de Heer alleen. Dit leidt ertoe om het ontstaan van een “geestelijkheid” voeding te geven. De gemeente zou dan op zich geen levensvatbaar lichaam meer zijn, maar daardoor uitsterven. De activiteiten van gekwalificeerde en vooral van boven afhankelijke broeders daarentegen zullen zo nooit werkzaam zijn. Integendeel, hun dienst zal, omdat de Heilige Geest de volledige vrijheid van handelen gelaten wordt, alleen zeer nuttig zijn, en er bestaat geen gevaar dat de andere middelen tot opbouwing, vermaning en vertroosting onderdrukt worden.

Of er nu speciale gaven zijn of niet, het is voldoende om te rekenen op de Heer, wanneer men in Zijn naam vergaderd is. Hij geeft boven bidden en denken wat tot troost, vermaning en de opbouwing nodig is. De broeders, van wie de gaven erkend worden, zullen dit met inzicht toepassen; maar hun erkenning verplicht hen niet te spreken, wanneer ze niets te geven hebben. In een dergelijk geval worden, indien nodig, andere gaven openbaar. De Heer zal naar Zijn wijsheid telkens broeders verwekken, die de bediening van profetie (1 Kor. 14:1,3) uitoefenen kunnen, om op duidelijke en objectieve wijze de gemeente te dienen. Twee of drie kunnen geroepen worden in dezelfde samenkomst om te spreken. Wat een zegen wanneer meerdere broeders na elkaar de verschillende kanten van een onderwerp uitleggen! Vijf woorden, net zoals de vijf gerstebroden bij de spijziging van de menigte, kunnen een groter effect hebben dan lange voordrachten. Hoeveel gaven blijven ongebruikt, doordat ze, deels uit een verkeerde nederigheid van de betreffende broeder, deels vanwege de overvolle activiteit van de andere begaafde broeder, teruggehouden worden!

Er bestaat kennelijk het gevaar dat de “vrijheid van de Geest” het vlees een gelegenheid biedt om zich te roeren, doordat ieder denkt recht te hebben om te spreken. Dit komt helaas soms voor (deze zaak is al eerder aangeroerd in het gedeelte “vrijheid en afhankelijkheid”). Als iemand in dat, wat hij zegt, zichzelf behaagt, is hij zonder nut voor de toehoorder; dan behoort zijn toespraak daar niet. Een ieder beproeve zichzelf of hij werkelijk wat hij zeggen wil, van de Heer door de Geest ontvangen heeft, of dat hij iets van zijn eigen gedachten tot gelding brengen wil. Ook “de geesten van de profeten zijn aan de profeten onderworpen” (1 Kor. 14:32). Aan de andere kant moet de geestelijke gezindheid van de vergadering altijd aanwezig zijn, of: altijd opgewekt worden. Wanneer zij in goede toestand is, zal men hem, die niet tot opbouwing spreekt, er opmerkzaam op maken; en als hij niet hoort, zal men hem het zwijgen opleggen tot welzijn van de gemeente. De christelijke vrijheid mag er ook niet toe leiden, dat men een gezonde kritiek voor zich houdt, maar het moet op een gelegen tijdstip uitgesproken worden, als er iets niet tot opbouwing gebeurt. Zeker moet men geduld hebben, en wat er te zeggen valt, moet met broederlijke liefde en vriendelijkheid naar voren gebracht worden, nadat men de zaak waaronder de kudde lijdt, vele malen in gebed voor de Heer gebracht heeft. Hij kan het uit de weg ruimen, zonder dat we gedwongen zouden zijn om in te grijpen. Dat alles moet echter gebeuren voor het welzijn van de gehele gemeente en tot verheerlijking van God. In plaats daarvan wordt helaas vaak onbezonnen in families of in niet passend gezelschap kritiek uitgeoefend, zonder liefde en inzicht. Dit leidt tot rampzalige gevolgen.

Hier moet nog even kort opgemerkt worden, dat bij het samenkomen tot opbouwing evenals bij de dienst van aanbidding een moment van stilte niet wil zeggen: inactiviteit. De Heilige Geest zal ook in de loop van een stilte werken. Wanneer echter de stilte te lang voortsleept en duidelijk leeg blijft, dan wordt dat als benauwend ervaren, en ons geweten moet worden wakker geroepen, dat we innerlijk tot de Heer roepen, dat Hij ons Zijn Woord schenken zal.

Het belangrijkste bij alles is de heilige tegenwoordigheid van de Heer te ervaren. Hij is het die vergadert. Het doet er weinig toe of er gesproken of niet, als alleen de harten zich met Hem verenigd voelen. Dan is er overmaat noch beperking, en men zal menselijk ingrijpen, door iets op voorhand te organiseren of door een soort van orde op te stellen, niet nodig achten. Het is zeer opmerkelijk dat in het onderwijs, dat ons in 1 Korinthe 14 gegeven wordt, (want in Korinthe heerste veel wanorde door het misbruik van de genadegaven die vaak niet tot opbouw van de gemeente, maar tot genoegdoening van hun bezitters toegepast werden) met geen woord gerept wordt over een organisatie of over de noodzaak van menselijke leiding, die ertoe bestemd zouden zijn zulk een wanorde te voorkomen. Alles wordt aan de Geest overgelaten, waarvan allen afhankelijk moeten blijven. De Korinthiërs waren uit het heidendom gekomen, dat door eigenaardigheden in de geestelijke wereld werd gekenmerkt; zij kenden de grootste waarde toe aan glanzende gaven. Maar de God van orde en vrede vermaant hen alleen met de woorden: “Maar laat alles welvoeglijk en met orde gebeuren” (1 Kor. 14:40). Zij toonden zich als kinderen; en Hij laat hen en ons zeggen: “Broeders, weest geen kinderen in uw overleggingen, maar weest kleine kinderen in de boosheid, en wordt in uw overleggingen volwassenen” (1 Kor. 14:20).

Behandelen wij ook niet vaak de kostbare hulpbronnen, die aan de gemeente geschonken zijn, met kinderlijke lichtzinnigheid?

God geve dat we, als we samenkomen, met vastberadenheid in geloof aan de beide grote voorrechten vasthouden, die de grondslag vormen van een goddelijk samenkomen: de persoonlijke aanwezigheid van de Heer Jezus en de werkzaamheid van de Heilige Geest in de gemeente. Alle overige details in het leven van een plaatselijke gemeente, die we niet nodig achten om in dit deel te noemen, regelen zich vanzelf, als we ons door deze beide feiten in alles leiden laten.3

 

NOTEN:
1. Dat wil zeggen dat de Heilige Geest de bron van elke kennis is.
2. De Levieten waren door de Heer uitgekozen om “de dienst – de bediening en de dienst van het dragen van de tent van de ontmoeting te verrichten” (Num. 4:47). Vergelijk ook Num. 3:11-13,41).
3. Bijvoorbeeld, de stiptheid: willen de Heer laten wachten? Verder de kleding: Vergaderen we ons voor de mensen of voor de Heer? Of ook, ten aanzien van de vergaderruimte: Zouden we de Heer wellicht minder gepast herbergen, dan we zelf zouden willen wonen? En aan de andere kant: Veroorlooft Zijn tegenwoordigheid versiering en luxe, die slechts voor de bevrediging van het vlees dienen? Enzovoorts, enzovoorts.
NOTEN VERTALER:
1. D.z. partijen of scholen die gegrond zijn op een éénzijdige (al of niet juiste) leer; de grondbetekenis van het woord is ‘keuze’, in de zin van een gekozen favoriet (meest eigenwillige) mening; verg. Gal. 5:20 en 2 Petr. 2:1.
2. Dat is de eredienst.
3. Het recht van priesters.
4. ‘In de stille eenzaamheid’: in ons persoonlijk gebed op een stille plaats, tijdens onze ‘stille tijd’.
5. Schema: ontwerp voor zekere werkzaamheden.

 

© Bibelkommentare.de
Uit: “Messager Evangélique” (Vevey, 1948/1949).
André Gibert

 

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol