1 jaar geleden

De gemeente van God (5)

Vervolg deel I.

(III) Wat te doen met de huidige stand van zaken?

De verschillende christelijke gemeenschappen

De gemeenschappen in het hedendaagse algemene Christendom kan men onderverdelen in drie hoofdgroepen.

De eerste twee groepen noemen zich officieel ‘kerk’. Er zijn georganiseerde gemeenschappen met statuten en reglementen. Ze hebben een geestelijkheid die van de gewone gelovigen wordt onderscheiden. Hierin lijken de twee groepen op elkaar.

a) De kerken met de katholieke belijdenis

De Rooms-katholieke Kerk beweert dé kerk te zijn, de enige die er is. Ze maakt er aanspraak op de katholieke kerk, dat is de universele kerk, genoemd te worden. Maar dezelfde aanspraak maken ook de grote Oosterse Kerken die de Romeinse paus niet erkennen. Buiten deze staan de door hen zo genoemde “ketters”. In het beste geval geeft men toe, dat deze als ze goed gelovig zijn, aan de ziel van de kerk deelhebben; maar men spreekt tegen dat zij tot de kerk behoren. Deze katholieke kerken geloven, dat zij, en zij alleen, de gehele christelijke kerk vormen, en dat de anderen, de afvalligen, in haar schoot terug moeten keren. Zij beweren – en dat is heel belangrijk voor hen – dat zij, de kerken, tot het verkrijgen van de redding absoluut noodzakelijk zijn; want hen is door het toedienen van de sacramenten het uitdelen van de goddelijke genade toegekend, en daartoe is de geestelijkheid met bovennatuurlijke kracht uitgerust, die sinds de apostelen door de “priesterwijding” aan hen wordt overgedragen.

Het is niet onze bedoeling om hier hun leer nader toe te lichten of om ze allemaal te weerleggen. De vaststelling is niet moeilijk, dat deze hoog aangeschreven eenheid in werkelijkheid een groot aantal verschillende modellen en vormen vertoont. Maar we moeten met klem benadrukken, dat de Schrift nooit de gemeente als een instelling beschrijft die het heil schenkt. Integendeel, het erkent slechts één uit gelovigen bestaand organisme, die in afhankelijkheid van boven de gemeente beheert. Dit is een fundamenteel verschil.

b) De protestantse kerken

De andere groep, die zich “kerk” noemt, is een religieuze organisatie die zich meestal sinds de Reformatie van de voorheen genoemde groepen afgescheiden heeft, om van elkaar onafhankelijke kerken op te richten, onderscheiden van de rest van de christenheid. Men zou ze daarom ‘deelkerken’ kunnen noemen, want elk omvat slechts een deel van de totaliteit van de gelovigen. Of ze nu nationaal zijn of niet, dat verandert niets aan hun principe. Zij erkennen voor het grootste deel, dat wat men noemt “de onzichtbare kerk’; gegrond op Christus, waarvan alleen God de leden kent. Maar zij achten het noodzakelijk om naar beste kunnen en afhankelijk van de verschillende tijden en landen gemeenschappen te vormen, en in aantal zoveel als mogelijk is bijeen te brengen, hen te onderwijzen en tot het vieren van de eredienst te leiden. De grondslag van hun aaneensluiting is deze of gene geloofsbelijdenis; de gelovigen worden als lid ingeschreven. Men kan wel stellen dat deze kerken de versnippering bestendigen. Elke kerk heeft zijn eigen leven; niettemin erkennen zij ook buiten haar grenzen anderen als ware christenen. Wat ook de persoonlijke wandel van hun priesters, hun predikers of hun volgelingen is, een wandel waarop vaak niets valt aan te merken, zo ontkent hun kerkelijke grondslag toch, dat wat een “systeem” is, in werkelijkheid de eenheid van alle christenen.

De beide genoemde groepen – de een maakt voor haar alleen aanspraak op de eenheid, de ander verbreekt het – bestaan uit een mengsel van ware christenen en louter belijders. De doop wordt de betekenis tot het invoeren van het christendom toegeschreven, en de eerste deelname aan het avondmaal voert tot alle rechten van de betreffende kerk in.

c) De gelovigen buiten de legerplaats

De derde hoofdgroep bestaat uit christenen die uit de eerder beschreven groepen weggegaan zijn, om zich in overeenstemming met de leer van het Woord van God te vergaderen, zonder geestelijkheid en zonder speciale statuten, maar in de Naam van de Heer Jezus. Waarschijnlijk zijn deze er te allen tijde geweest. Maar toen de Geest van God meer dan honderd jaar geleden1 waaide en de gemeente tot bewustzijn van de nabije komst van haar Bruidegom wakker riep, ontwaakte in vele zielen de vraag: Waar bevindt zich de ware gemeente in de huidige verwarring? Zo werden zij ertoe gebracht uit alle kerkelijke legerplaatsen uit te gaan tot Christus. Deze lijken op de gemeente in Philadelphia.

Maar de vijand, die nooit rust, is onder de gelovigen actief geweest, en het is hem gelukt om heel veel verwarring te stichten. Vooral daardoor, dat de mens een groot aantal christelijke gemeenschappen naar eigen goeddunken vormde, zonder er rekening mee te houden dat de Heilige Geest slechts één gemeente, dat is de gemeente van de levende God, gesticht heeft, waartoe alle wedergeboren christenen behoren.

We kunnen er zeker van zijn dat er altijd een pad is, dat “wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben” (zie 1 Kor. 2:9); en dit pad is voor degenen, die het Woord van God gehoorzaam willen zijn, niet moeilijk te vinden.

God verdraagt nog altijd het christendom, en we hebben de middelen en de instructies die Hij ons geeft om voort te gaan zonder te dromen van een herstel, dat, zoals hierboven vermeld, in strijd is met de leer van de apostelen. Het zou immers steeds aan de belangrijkste fundamenten ontbreken: de apostelen en de tekenen die volgden op hun prediking in die tijd. De apostelen hebben de grondslag tot de bouw van het huis van God gelegd (1 Kor. 3:10; Ef. 2:20). Zij hebben hun opdracht vervuld, en er is nergens in de Schrift sprake van, dat iemand in hun plaats zou treden. Het was zaak voor de gemeente om trouw te blijven. Zij heeft gefaald. De begintoestanden van het huis van God worden niet weer hersteld. Daarom, als we zeggen dat we ons vergaderen als de eerste christenen, is dat niet volledig juist.

Maar wat blijft er voor ons over?

Wat christenen vandaag de dag moeten doen, is hetzelfde wat de eerste christenen geboden werd: het Woord gehoorzamen. Het is het hele Woord van God dat we vandaag in handen hebben; het Woord, dat in overeenstemming met de goddelijke inspiratie aan ons overgeleverd is. De grondslag die gelegd is, is onwrikbaar, en we moeten op deze grondslag, dat is Christus Zelf, staan, op de Christus van de evangeliën evenals van de brieven, op de leerstellige basis van de apostelen. We kunnen niet op een fundament van het menselijk denken, theologische leerstellingen of filosofische systemen bouwen. “Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt, dat is Jezus Christus” (1 Kor. 3:11). God heeft nooit opgehouden te werken, Christus gaat verder met te bouwen, en het geestelijk huis in 1 Petrus 2 vers 5 wordt verder opgebouwd tot de voltooiing ervan. Gelijktijdig is het op aarde zichtbare Huis aan de verantwoordelijkheid van de mens overgegeven (1 Kor. 3:12,13). Of de dienaar wil of niet wil, hij bouwt erop. “Maar laat ieder uitkijken hoe hij erop bouwt” (1 Kor. 3:10), met welke bouwmaterialen, volgens welke aanwijzing en met welke kracht. Zal onze arbeid het vuur van de beproeving doorstaan?

Moeten we ons door de taken die aan de gelovigen gesteld zijn, laten ontmoedigen? Laten we ons ervan bewust zijn, dat ons ten allen tijde drie grote onveranderlijke middelen beschikbaar zijn:

  • de persoon van Jezus, het Middelpunt van ons samenkomen;
  • het Woord van God, en
  • de Heilige Geest, de geest van kracht, liefde en bezonnenheid (2 Tim. 1:7).

Er is al vaak op gewezen, dat Haggai gezonden werd om de gelovigen aan te moedigen om het huis des HEEREN te bouwen. Dit huis was zeker niet gelijk aan de tempel van Salomo; maar daar toe behoorde het altaar, dat op de voormalige plaats stond. Haggaï riep de joden toe: “Wees sterk, heel de bevolking van het land … want Ik ben met u … het woord … en Mijn Geest Die in uw midden stond” (zie: Haggaï 2:4-5). Hoeveel te meer zullen deze goddelijke middelen voor de gelovigen van de tegenwoordige tijd, wanneer ze gehoorzaam zijn willen, werkzaam blijven! Ze staan ons net als in de dagen van de vroege christenen ter beschikking en zullen nooit falen, zolang de gemeente op aarde zijn zal. “Wees sterk … zegt de HEERE, … werk door!” (Haggaï 2:5).

De onveranderlijke kenmerken van een gemeente van God

Met betrekking tot ons samenkomen worden we aangespoord om niet te verzuimen elkaar te vermanen, en dat zoveel te meer naarmate u de dag ziet naderen (Hebr. 10:25).

We kunnen er zeker van zijn dat de taken die de Heer Zijn gemeente opgedragen heeft, en de voorrechten die Hij geeft, te allen tijde dezelfde zijn. Hoewel de gemeente niet heeft voldaan aan de haar toevertrouwde zending, zo zijn wij vandaag zeker niet ontheven van de taak Christus  te verheerlijken, van de eenheid van Zijn lichaam te getuigen en de Heer te verwachten.

Voor degenen die samenkomen tot de Naam van de Heer, die de eigenschappen van de gemeente van God dragen, is het essentieel dat iedereen doordrongen is van wat de Heer van hem verwacht. Zij komen als “gemeente van God” samen. Op hun aantal komt het niet aan, maar op het karakter van hun samenkomen, niet het aantal, maar de Geest waarin ze samenkomen, is cruciaal.

Welke eigenschappen moet nu een samenkomen hebben, om als “gemeente van God” herkend te worden? Mij schijnt vooral het volgende essentieel te zijn.

  • Alleen gelovigen (bekeerden) kunnen deel hebben (2 Kor. 6:14-18);
  • zij worden vergaderd tot de Naam van de Heer Jezus (Matth. 18:20); zij erkennen alleen het gezag van de Heer Jezus (Openb. 1:1);
  • Ze kennen geen andere leiding dan die van de Heilige Geest (1 Kor. 12:4-13);
  • zij zijn aan de onderwijzing van het gehele Woord onderworpen;
  • zij tolereren bewust niet dat de Naam van de Heer in verband wordt gebracht met het kwaad (1 Kor 5:5-8; 2 Tim. 2:20-22).

Deze kenmerken kunnen aanwezig zijn, indien de harten zijn vervuld met de “liefde uit een rein hart en uit een goed geweten en uit een ongeveinsd geloof” (1 Tim. 1:5). Alleen uiterlijk zijn plaats innemen in de gemeente, is waardeloos.

Welke positiebepaling volgt uit deze eigenschappen?

Het kan niet anders zijn, dat de positie, die voor de gelovige uit het in acht nemen van bovengenoemde Schriftplaatsen blijkt, door de overigen niet begrepen en verkeerd ingeschat wordt; zij heeft ook alleen waarde in trouwe gehoorzaamheid aan het Woord, in nederigheid en in een oprechte liefde voor alle gelovigen.

Beantwoordt de gelovige aan deze eigenschappen, dan is het vanzelfsprekend dat hij zich buiten de hiervoor besproken eerste twee groepen van de christelijke kerken bevindt. En wel omdat de ene, en inderdaad ten onrechte, zichzelf verheft door de enige ware gemeente te willen zijn, en de andere de eenheid van de gemeente bewust vernietigt. Want het is een kwestie om de eenheid van de gehele gemeente van Christus te erkennen én voor te stellen, en tegelijkertijd zich van de systemen van de twee groepen – alsook van alle menselijke denominaties – af te zonderen, hoewel leden van het lichaam van Christus zich binnen haar kunnen bevinden.

Het principe van zulk samenkomen is de eenheid van het lichaam van Christus; dit is het enige, dat met betrekking tot de gemeente in het Woord gevonden kan worden. Aan deze eenheid wordt aan de tafel van de Heer uitdrukking gegeven volgens 1 Korinthe 10 vers 16,11. Alle gelovigen nemen deel aan het ene brood; zij allen zijn tezamen één brood, één lichaam. Of allen aanwezig zijn of niet, vermindert voor degenen die tegenwoordig zijn niet het voorrecht om zich met alle gelovigen verbonden te weten. De tafel van de Heer is niet alleen voor degenen die gewoonlijk hun plaats innemen, maar voor alle ware gelovigen. Het kan echter alleen de tafel van de Heer zijn, waar Zijn rechten en verordeningen in acht genomen worden; anders was het een samenkomen aan de tafel van een sekte of van een afgescheiden groep en daarmee niet om de representatie van de eenheid van het lichaam van Christus. Alle gelovigen dienen aan deze tafel plaats te nemen; en degenen die zich rondom Hem vergaderen, zouden smart moeten voelen over het feit, dat de plaatsen leeg zijn van hen die wegblijven, en zich liever tot een andere wenden. Als we van een bekeerling zeggen, dat hij “zijn plaats innemen” wil, is deze uitdrukking volkomen juist. Maar we hebben niet het recht om te zeggen, dat we tot deze of gene gemeente behoren, in die zin dat we daaronder een gemeenschap bedoelen die van andere plaatselijke gemeenten onafhankelijk is. We twijfelen er niet aan dat veel christenen genieten van het avondmaal ter herinnering aan de dood van de Heer, onder welke godsdienstige gezindte dit ook gebeurt. Maar “de tafel van de Heer” kan alleen op de grondslag van de eenheid van het lichaam van Christus gebaseerd zijn, waartoe alle kinderen van God met hetzelfde recht behoren.

Hieruit volgt ook dat de plaatselijke gemeenten daar, waar de tafel van de Heer volgens deze beginselen bestaat, gemeenschappelijk verantwoordelijk zijn, want ze bevinden zich allen in dezelfde “gemeenschap van het bloed en het lichaam van Christus” (1 Kor. 10:16). Dergelijk samenkomen is de betreffende uitdrukking in elke plaatselijke vergadering, die deel uitmaakt van de grote eenheid van de gemeente van God op de gehele aarde. De apostel wendde zich tot “de gemeente in Korinthe”, Efeze, enzovoorts, alsof hij tot de gehele gemeente van God sprak.

De gemeente heeft de opdracht om de tafel van de Heer voor elke verontreiniging te beschermen. Voor dit doel heeft zij het gezag van de Heer ontvangen. Omdat Hij tegenwoordig is, kan zij deze opdracht vervullen.

Men zal men tegenwerpen: Dus jullie beweren dat je een gemeenschap van gelovigen bent, die in de praktische uitoefening van het samenkomen aan de tafel van de Heer volmaakt bent? We antwoorden daarop, dat we dit noch beweren, noch dat het zo is. Maar volgens de leer van 1 Korinthe 11 vers 28-34, wordt ieder die aan de tafel van de Heer gaat, vermaand om zichzelf te onderzoeken. Als iemand deze zelfbeproeving verzuimt, en daaruit geleidelijk een toestand ontwikkelt, die tot openbare oneer van de Heer en tot ontheiliging van Zijn tafel leidt, dan heeft de “gemeente” de opdracht de betreffende persoon, een broeder of zuster, te waarschuwen en terecht te wijzen. Heeft het werk van de liefde voor het welzijn van de betrokkene en de hele “gemeente” het gewenste resultaat, dan wordt de Heer verheerlijkt. Anders wordt de gemeente gehouden om afhankelijk van de toestand van de zaak te handelen volgens de ernstige voorschriften van de apostel Paulus (verg. 1 Kor. 5:1-8 en vs. 12-13). “Doet de boze uit uw midden weg”. “De heiligheid is een sieraad voor Uw huis, HEERE, tot in lengte van dagen” (Ps 93:5).

Hetzelfde principe van de eenheid van het lichaam leidt daarheen, om de beslissing van een plaatselijke gemeente om het binden of ontbinden volgens Mattheüs 18 vers 18 in alle andere gemeenten volledig te erkennen en te achten, “zodat er geen splitsing in het lichaam is”. Men kan daarom geen  samenkomen als “gemeente” erkennen, waar het principe van gehoorzaamheid ten opzichte van de geboden van de Schrift niet bestaat, waar boosheid in de leer of wandel willens en wetens wordt getolereerd. Ligt niet in de niet-naleving van de duidelijke instructies van het Woord van God, de oorzaak van zoveel pijnlijke “scheidingen” onder degenen, die eens buiten de religieuze systemen samenkwamen? Een beetje zuurdeeg doorzuurt het hele deeg. Daarom: “Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent, u bent immers ongezuurd” (1 Kor. 5:6,7). Ongetwijfeld ontbreekt het bij de uitoefening van de tucht in de gemeente vaak aan het nodige geduld en zachtaardigheid ten opzichte van hen die dwalen en fouten maken, en we lopen gemakkelijk gevaar onze persoonlijke gedachten op de plaats van de gedachten en bedoelingen van de Heer te stellen, onze eigen wil de overhand te laten krijgen. Maar Hij kan niet toestaan dat Zijn naam Die aan Zijn tafel verbonden wordt, met het kwaad in verbinding komt.

We vatten hetgeen gezegd is nog eens samen:

  1. Als we geen sekte willen zijn, moeten we nooit de eenheid van het lichaam van Christus, die aan de tafel van de Heer wordt uitgedrukt, uit het oog verliezen. En terwijl we de huidige toestand van het christendom – laten we niet vergeten dat ook wij daarvan deel uitmaken – betreuren, mogen we ons met dankbaarheid in de voorrechten verheugen, die volgens de Schrift voor de gemeente van God tot het einde toe behouden zal blijven.
  2. Als we niet “aan het lichaam en bloed van de Heer schuldig” willen zijn, moeten we onszelf zowel beproeven, alsook in de gemeenschappelijke tucht waakzaam blijven, opdat de gemeenschap met Hem en met elkaar in waarheid behouden wordt. Dat wil zeggen: “de eenheid van de Geest bewaren” (Ef. 4:3).

Op welke manier kan men aan deze principes voldoen? Het geheim ligt bij hen die van harte de belangen van de Heer wensen te behartigen en vervuld zijn van liefde tot Hem en de Zijnen. Geestelijke nederigheid en trouw op alle terreinen zijn daartoe noodzakelijk.

Het getuigenis dat de Heer voor de laatste dagen verwekt had, is zoals al het andere in verval. Hij alleen is en blijft “de trouwe en waarachtige getuige” (Op. 3:14). Maar de aan de gemeente te Philadelphia gegeven beloften blijven bestaan. Laten we daarom voortdurend biddend, daarnaar verlangen, om als zulken bevonden te worden, tegen wie de Heer zegt: “… u hebt kleine kracht en u hebt Mijn woord bewaard en Mijn Naam niet verloochend … houd wat u hebt, opdat niemand uw kroon neemt” (Openb. 3:8,11).

Slot deel I.

NOOT VERTALER:
1. Deze publicatie verscheen in 1948/1949. Als de schrijver het heeft over meer dan honderd jaar geleden, moet men dus begrijpen dat het gaat over 1848/1849. Uitgaande van het jaar 2016 spreken we dus over meer dan 168 jaar geleden.

 

© Bibelkomtare.de
Uit: “Messager Evangélique” (Vevey, 1948/1949).
André Gibert

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol