14 jaar geleden

De eindtijd (2)

Een enorm cartoon-conflict tussen Denemarken en de Moslimwereld escaleert. De twaalf spotprenten over de Islam-stichter Mohammed brengt de hele moslimwereld in beroering. Vooral militante moslims van de Islamitische Jihad hebben het niet meer. Geweld wordt niet geschuwd door deze aangeslagen moslims. Wat mij betreft is dit ook absoluut niet respectvol jegens de moslims en onnodig getreiter. Men weet hoe heetgebakerd vooral dit deel van de wereldbevolking zijn kan. Overigens spotten met andere geloofsovertuigingen getuigt mijns inziens daarvan, dat men zelf zo leeg is als maar wat. Wat wel opvalt is dat het gespot met de Christenen en het Christendom in de westerse wereld lang niet zoveel stof op doet waaien. Zou dat misschien komen omdat het Christendom in het westen toch al op zijn retour is en juist in de moslimlanden groeit? Hoe het ook zij … het is vele duizenden malen erger als men Hem verwerpt aan wie alle dingen toebehoren. Zijn plannen echter zullen volledig vervuld worden! God heeft een plan met deze wereld, met Zijn volk Israël en met Zijn gemeente die Hij verwierf door het bloed van Zijn Zoon. Wilt u meer weten van Zijn en uw toekomst …

De laatste jaarweken van Daniël

“Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven. Weet dan, en versta: van dat het woord uitging, om te doen weerkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, de Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen weer gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn; en een volk van de vorst, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromende vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vast besloten verwoestingen. En hij zal velen het verbond versterken, één week; en op de helft van de week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vast besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste” (Daniël 9:24-27).

Deze zeker niet gemakkelijk te begrijpen tekst willen we nu verder bekijken. Hij is namelijk van groot belang voor het begrijpen van al deze profetische uitspraken, die gaan over de korte tijd tussen de opname van de gemeente en het begin van het Duizendjarig Vrederijk. Dit gedeelte geeft ons de sleutel voor het begrijpen van deze periode waarin zoveel gebeurd.

In plaats van omvangrijke verklaringen geef ik de tekst zeer vrij met eigen woorden en geïnterpreteerde aanvullingen weer:

  • Vers 24: “Zeventig weken van jaren (dat het hier gaat om weken en niet om dagen, wordt ondersteund door Leviticus 25:8 en ook door de aanduiding van de 69 voorbije weken in vers 26), dus 490 jaren, zal het nog duren, Daniël, wat betreft het volk Israël en de stad Jeruzalem. Daarna zal de voortdurende minachting van de wetten van God door het volk Israël ophouden en de voortdurende zonden van het volk een einde hebben. Het volk zal [net zoals alle ware Christenen vandaag de dag] door de kruisdood van Christus aanname vinden bij God. Tegelijkertijd zal God een eeuwig Rijk [dat betekent in deze tekst: het Duizendjarig Vrederijk], waarin gerechtigheid heerst, invoeren. Alle vroegere profetieën zullen dan in vervulling gaan. De tempel [uit Ezechiël 40-48] zal gebouwd worden en weer Gods aardse huis zijn”.
  • Vers 25: “Weet dan, en let op: deze 490 jaren beginnen op het tijdstip, waarop het plan opkomt, de stad Jeruzalem weer op te bouwen [wat daadwerkelijk in het 445ste jaar voor Christus is gebeurd, toen Nehemia voor de koning Artasasta kwam en hem zijn wens voorlegde, de stad Jeruzalem op te bouwen; zie Nehemia 2]. Vanaf dit tijdstip gerekend tot aan de tijd van de Messias [d.i. de gezalfde, Grieks: Christus] zijn het 7 en 62, dus 69 jaarweken of 483 jaren. De stad Jeruzalem zal in benauwdheid der tijden opgebouwd worden”.
  • Vers 26: “En na die 62 weken zal de Messias uitgeroeid [gekruisigd] worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn; en een volk van de vorst, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, hetgeen ook in de eindtijd een betekenisvolle rol spelen zal. De verderving zal gebeuren als een zondvloed. Jeruzalem zal met de aardbodem gelijkgemaakt worden [wat in het jaar 70 na Christus is gebeurd, toen de Romeinse veldheer Titus de stad innam en de tempel zou verderven]. God zal het volk, dat zich in deze tijd in het land Palestina bevindt, verstrooien over alle windstreken. Dan wordt er een lange tussentijd ingeluid, waarover hier niet wordt gesproken. Maar ten tijde van de eindtijd zal er opnieuw een heftige strijd uitbreken; tot het einde toe zal er krijg zijn, vast besloten verwoestingen”.
  • Vers 27: “Het Romeinse rijk zal in de vorm van een “verenigd Europa” weer verschijnen en een geweldige heerser hebben. Deze heerser zal een zevenjarig vriendschapsverbond [of: verdedigingsverbond] met velen sluiten [het merendeel van het joodse volk, dat dan volledig van God zal zijn afgevallen], die eveneens een zeer opvallende heerser in hun midden zullen hebben: de antichrist. De antichrist zal een nauwe bondgenoot van de “Romeinse heerser” zijn. Maar in het midden van de laatste weken [van jaren, die nog ontbreken aan de 70 weken, dus na 3,5 jaar] zal de offerdienst die in Jeruzalem door de joden zal zijn ingevoerd, tot een plotseling einde komen [dat is het ogenblik, waarop satan uit de hemel neergeworpen wordt en de antichrist zich in de tempel neerzet en zich laat aanbidden als God; vergelijk Openbaring 12 en 2 Thessalonika 2]. Omdat deze verschrikkelijke afgodendienst wordt ingevoerd in plaats van de offerdienst, zal God een verwoester in het land Palestina brengen, die het gericht van God over de goddeloze joden zal brengen en hen zo zal verdelgen. Door God is dat alles vast besloten, zodat er geen ontkomen zal zijn”.

We vatten van dit gedeelte nu de wezenlijke punten samen:

  1. Een periode van 490 jaar wordt voor het volk Israël voorspeld. Na deze tijd begint het Vrederijk.
  2. Na 483 jaar treedt er een onderbreking van deze periode in, en wel na de dood van de Messias.
  3. Zeer zeker worden na de kruisiging van de Messias nog de stad Jeruzalem en de tempel door de Romeinen verwoest.
  4. Na deze onderbreking van onbepaalde duur wordt er een zevenjarig verbond tussen een “verenigd Europa” en Israël (mogelijkerwijze al onder de leiding van de antichrist) gesloten.
  5. Na afloop van 3,5 jaar zal aan de offerdienst in Jeruzalem een einde komen, en wel door het plaatsnemen van een gruwel in de tempel.
  6. In het verdere verloop volgt vernietiging en verwoesting vanwege het feit dat de gruwel zijn positie inneemt.

De opkomende vraag, waar we nu nog bij stil willen staan, is: Wanneer komt dit verbond van 7 jaar tot stand? We hebben gezien dat de tijd van in totaal 490 jaar uitmondt in het Vrederijk. Daarmee is voldoende duidelijk dat de profetieën met betrekking tot dit verbond nog niet vervuld zijn daar het Vrederijk ook nog niet is aangebroken.

Zou het kunnen zijn, dat dit verbond ongeveer dan tot stand komt, wanneer ook de opname van de gemeente plaats vindt? Hoewel er daarover geen nauwkeurige aanwijzingen voor zijn in de Heilige Schrift, is het toch aannemelijk dat met de afloop van de periode van de gemeente van God op de aarde, dus met haar opname, God onmiddellijk de verbinding met Zijn aardse volk weer opnemen zal, en wel op die manier, dat de Geest van God onder dit volk mensen naar het eeuwige geloof in God voert. Wanneer vandaag de dag er joden zijn die zich oprecht tot God bekeren, worden zij door Hem tot de Christelijke gemeente gerekend. Dat maakt een overlapping in de periode, waar mensen tot de gemeente gevoegd worden en gelijktijdig tot het levende geloof in Christus komen en toch joden blijven, onmogelijk (vergelijk Galaten 3:28 en Kolosse 3:11).

Het zou ook zeker zo kunnen zijn, dat de opname enige tijd voor deze laatste jaarweken zal plaatsvinden. Bedenkelijk is echter dat het komen van de Heer Jezus tot opname van de gemeente en dan tot oprichting van het Rijk in de Heilige Schrift als één komen wordt gezien, wanneer het ook in onderscheidenlijke fasen plaats vindt. We kunnen en willen met betrekking tot het tijdstip van de opname ons niet vastleggen, als we er ook aan vasthouden, dat ze vóór het gericht zal gebeuren.

Kom hier op!

“Hierna zag ik, en zie een deur [was] geopend in de hemel, en de eerste stem die ik gehoord had als van een bazuin, die met mij sprak, zei: Kom hier op en Ik zal u tonen wat hierna gebeuren moet” (Openbaring  4:1).

We hebben ons al met de “miniatuur-kerkgeschiedenis” in Openbaring 2 en 3 bezig gehouden. Met de laatste daar genoemde gemeente, “Laodicea”, vindt dit verhaal haar afsluiting. Onmiddellijk nadat de apostel Johannes de tekst voor de brieven aan de zeven gemeenten had ontvangen, wordt hem bevolen, in de hemel te komen.

Johannes ziet dan in de hemel God zitten op een troon, omgeven door 24 oudsten (hoofdstuk 4) en dan ziet hij hoe een Lam als geslacht (een beeld van onze Heer Jezus Christus; vergelijk Johannes 1:29), Dat het met zeven zegels gesloten boek van de raadsbesluiten en wandel van God met deze aarde uit de handen van Hem neemt, Die op de troon zit (hoofdstuk 5), om de zegels één voor één te openen (hoofdstuk 6). Iedere keer gebeuren daarbij diep schokkende gebeurtenissen op de aarde (zie aanhang III). In een inlassing (hoofdstuk 7) worden 144.000 verzegelde joden (een symbolisch getal) en een grote menigte volkeren – niet te verwarren met gelovigen, die al opgenomen zijn – uit alle natiën beschreven. Beide groepen worden in de grote verdrukking bewaard en gaan levend het Vrederijk in. Nadat het Lam het zevende zegel heeft geopend, beginnen de zeven bazuingerichten (hoofdstuk 8). De afsluiting van de gerichten worden dan uitgebeeld in de zware schaalgerichten in Openbaring 16, die vlak voor het komen van Christus tot het oprichten van het Vrederijk met grote heftigheid de aarde zullen treffen.

Een vergelijking met Mattheüs 24 maakt de gevolgtrekking, dat de in Openbaring  6 beschreven gebeurtenissen in de eerste helft van de laatste jaarweken uit Daniël en de van hoofdstuk 8 tot hoofdstuk 16 beschreven gebeurtenissen in de tweede helft van deze weken zal plaatsvinden, aannemelijk.

Mogen we de in de “opname” van Johannes in de hemel een verwijzing naar de opname van de gemeente zien? De geschiedenis van de aarde is met Openbaring 3 immers afgesloten en in hoofdstuk 6 bevinden we ons tijdelijk reeds aan het begin van de laatste jaarweken uit Daniël. Dat is voor ons een verdere aanwijzing voor de opname van de gemeente vóór de gerichten.

Overigens maakt de Heer Jezus onderscheid tussen “het begin van de wee’s” en “het einde” (Mattheüs 24:1-14). Misschien mogen we de conclusie trekken dat die gehele tijd van de zeven jaarweken identiek is aan het “uur der verzoeking”, waar de tijd van de tijd van “grote verdrukking” betrekking heeft op de laatste 3,5 jaar. Het begrip de “grote verdrukking” zullen we nog in een afzonderlijk hoofdstuk uitweiden.

Voordat we ons met een van de belangrijkste personen die een hoofdrol spelen in de eindtijd, bezig houden – de antichrist -, moeten we ingaan op een gebeurtenis, die meer dan alle andere het gebeuren in de laatste 3,5 jaren predikt en tegelijk de tijd van het grote monster inleidt: het is de val van satan uit de hemel. Daartoe lezen we Openbaring 12:

De val van satan uit de hemel

“En er kwam oorlog in de hemel: Michaël en zijn engelen streden tegen de draak, en de draak streed en zijn engelen; en hij was niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk verleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen … Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergekomen met grote grimmigheid, want hij weet dat hij maar een korte tijd heeft” (Openbaring 12:7-9,12).

De samenhang tussen deze verzen is als volgt: Aan het begin van dit hoofdstuk wordt het volk Israël in beeld gezien als een vrouw, die kort voor de bevalling staat. Zij krijgt een zoon, van wie wordt gezegd, dat Hij de volkeren met een ijzeren roede zal weiden, maar dan wordt Hij tot God en zijn troon opgenomen. Uit een vergelijking met Psalm 2 is gemakkelijk te ontdekken, dat deze Zoon Christus is, Die uit het volk Israël is voortgekomen en Die na Zijn kruisdood door middel van Zijn hemelvaart tot God terugkeerde. Over de vrouw staat er dan, dat ze in de woestijn vluchtte, waar zij door God 1260 dagen – dat is 3,5 jaar – werd bewaard (zie verder in het hoofdstuk “De grote verdrukking”). De reden voor de vlucht van de vrouw is, zoals we uit de verzen 13-17 kunnen opmaken, de vervolging door de draak die op de aarde was neergeworpen. Daardoor wordt duidelijk, dat met het neerwerpen van de satan en zijn demonen (dat zijn gevallen engelen, die zijn kant gekozen hebben) de grote verdrukking begint.

Overigens wordt over de engel Michaël vier maal in de bijbel gesproken; in Daniël 10, 12, in de brief van Judas en hier. De schriftplaatsen tonen aan dat hij in het bijzonder voor het volk Israël opkomt. Michaël en zijn engelen zijn het, die met de draak en zijn demonen vechten.

De draak wordt hier met enkele van zijn verschillende namen genoemd:

  1. De DRAAK: gezien als despotische heerser en verderver, vooral wat betreft zijn vijandschap tegen het volk Israël (hij wordt overigens alleen in Openbaring “de draak” genoemd).
  2. De OUDE SLANG: de listige verleider sinds Genesis 3.
  3. De DUIVEL: letterlijk “de door-elkaar-brenger”, die alle ordeningen van God wil verstoren en tenslotte:
  4. De SATAN: de vijand van God.

Satan had tot aan dit ogenblik toegang tot de hemel, waar hij zelfs voor God kon staan, om daar de uitverkorenen van God aan te klagen. Zeer indrukwekkend wordt een dialoog tussen God en satan in de eerste twee hoofdstukken van het boek Job beschreven; deze hoofdstukken geven ons een inzicht in satans handelen met de mensen, maar ook in het handelen van God, Die tenslotte alle lotgevallen op aarde en de op haar levende mensen in Zijn hand houdt.

Satan is voortaan dus de toegang tot de hemel, tot de troon van God ontzegd. De enige plaats waar hij zich op kan houden, is de aarde. De aarde en de zee wordt een “wee” toegeroepen, want de duivel is op de aarde geworpen en hij zal met grote woede uitrazen. Hij weet, dat hij nog maar 3,5 jaar vrij kan werken voordat hij gebonden zal worden gedurende duizend jaar en in de afgrond geworpen zal worden (Openbaring 20:1-3). Hij zal daarom, samen met zijn demonen, proberen de bewoners van de aarde door een ongekende verleiding in opstand tegen God te brengen.

Deze vijandschap zal zich echter voornamelijk tegen een klein volk richten: het oude volk Israël. Zoals hij ongeveer 2000 jaar geleden heeft geprobeerd Christus door de kindermoord van Herodes uit de weg te ruimen, zo zal hij ook proberen dit volk te gronde te richten, wat betekent: zijn vijandschap zal zich richten tegen de joden, die in God zullen geloven, want het overgrote deel van dit volk zal zich immers gewillig onder de heerschappij van de antichrist voegen. Op dit moment zal er dus een verschrikkelijke vervolging beginnen voor deze gelovigen.

De antichrist

“Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden, want [die dag komt niet], als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf, die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij gaat zitten in de tempel van God en zichzelf vertoont, dat hij God is. Herinnert  gij u niet, dat ik u dit gezegd heb, toen ik nog bij u was? En nu, gij weet wat [hem] tegenhoudt, opdat hij geopenbaard wordt op zijn tijd. Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al. Alleen hij, die [hem] nu tegenhoudt, [zal dit doen], totdat  hij zal weggenomen zijn. En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer Jezus zal verteren door de adem van Zijn mond en vernietigen door de verschijning van Zijn komst; [hem], wiens komst naar de werking van de satan is, met allerlei kracht en tekenen en wonderen van de leugen, en met allerlei verleiding van de ongerechtigheid voor hen die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aangenomen hebben om behouden te worden. En daarom zendt God hun een werking van de dwaling, om de leugen te geloven, opdat allen geoordeeld worden, die de waarheid niet hebben geloofd, maar een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid” (2 Thessalonika 2:3-12).

In Daniël 9 hebben we ons al kort met de antichrist beziggehouden. Deze persoon zal een centrale rol spelen in de eindtijd. Een van de duidelijkste teksten daarover vinden we hier in de tweede brief aan de Thessalonikers.

In Thessalonika waren er gelovigen, die gehoord hadden, dat de gerichtsperiode (hier: “dag van de Heer”) al zou zijn aangebroken. Paulus wijst dat zeer beslist af en laat zien, dat die tijd nog niet aangebroken kon zijn, omdat de volledige afval nog niet had plaatsgevonden. Het bijzondere kenteken van deze afval is namelijk het openbaar worden van de antichrist, die hij in deze brief “de mens van de zonde, de zoon van het verderf” noemt en enkele verzen verder “de wetteloze”.

De antichrist zal gaan zitten in de tempel en zich laten aanbidden als God. De afval wordt hierdoor ingeleid, dat de antichrist verschijnt. En hij kan niet verschijnen, totdat dat, “wat hem tegenhoudt”, uit de weg geruimd is. Met vele uitleggers denk ook ik, dat dat de aanwezigheid van de gemeente van God is, waarin de Heilige Geest woont. Na de opname van de gemeente zal het boze als een stortvloed uitmonden in een dijkbreuk en dat niet in het minst door de buitengewone werking van de antichrist. Hij zal in de kracht van satan in alle macht en alle tekenen en wonderen der leugen werken en op deze manier grote menigten van mensen in volledige afval van God trekken.

Zijn einde wordt hier ook beschreven: De Heer Jezus zal hem door de adem van Zijn mond verteren, zoals we later bij de overdenking van Openbaring 19:19-21 in details zullen zien.

Hier wordt ons zeker nog een uiterst belangrijke bijzonderheid meegedeeld, die we niet willen overslaan. De verzen 10-12 maken duidelijk, dat mensen die in de tegenwoordige tijd van de genade het evangelie van de Heer Jezus Christus niet aannemen – hier de “liefde tot de waarheid” genoemd -, in deze verschrikkelijke periode van afval geen gelegenheid meer zullen hebben, zich tot God te bekeren. God zelf zal hun harten verharden door “een werking van de dwaling”, zodat zij niet anders kunnen dan de leugen te geloven. Ze zullen het offer van een verschrikkelijke verleiding zijn.

Hierin ligt de ernstige waarschuwing, dat een mens zich niet tot God kan bekeren wanneer hij maar wil, maar alleen als God hem de gelegenheid daartoe aanbiedt.

We hebben al kort overdacht, dat de antichrist koning in Israël zal zijn en een bondgenoot van de heerser van het “verenigd Europa”. Ten onrechte hebben in het verleden velen de toekomstige heerser van Europa en de antichrist als een en dezelfde persoon gezien. Daardoor worden vele profetische uitspraken zeer vaag gemaakt. Uit Openbaring 13 blijkt overduidelijk, dat het gaat om twee verschillende personen. We zullen over de heerser van Europa, die in de Openbaring over het algemeen “het dier” wordt genoemd, later nog iets zeggen.

De antichrist is de persoon, van wie de Heer Jezus heeft gezegd: “Ik ben gekomen in de naam van Mijn Vader en gij neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen” (Johannes 5:43). De verwachting van een Messias speelt tegenwoordig onder de orthodoxe joden een grote rol. Het volk van de joden heeft tweeduizend jaar geleden zijn ware Messias afgewezen, maar in de eindtijd zal het merendeel van het volk Israël de antichrist als zijn Messias aannemen.

Nu willen we ons nog bezig houden met het gedeelte over de antichrist in Openbaring 13:11-16. Daar ziet de schrijver Johannes de antichrist in het beeld van een dier, dat twee hoornen heeft als een lam – hij komt dus onder de dekmantel van de Messias, het ware Lam van God – maar spreekt als een draak: hij is de spreekbuis van satan.

De antichrist zal dus niet alleen politieke macht uitoefenen, maar tegelijkertijd het religieuze hoofd van een Christus-vijandelijk jodendom van de laatste dagen zijn. Hij zal over het jodendom heen de mensen in de ban van satanische leringen brengen, wat hieruit duidelijk wordt, omdat de antichrist in het verdere verloop van de Openbaring telkens de “valse profeet” wordt genoemd. Hij zal zijn gehele macht en zijn invloed gebruiken om God te onteren en Zijn Christus te kleineren.

Samengevat willen we zijn verschillende namen nog een keer herinneren:

  1. De koning: Zo wordt hij in Daniël 11:36-39 genoemd. Hij zal in de eindtijd het hoofd van de regering van Israël zijn en door het overgrote deel van het volk worden erkend als de beloofde Messias.
  2. De mens van de zonde, de zoon van het verderf, de wetteloze: Zo noemt Paulus hem in 2 Thessalonika 2:3 en 8 en hij zegt ons daar, dat hij zich boven alles wat God heet of een voorwerp van verering is, zal verheffen. Hij zal zich laten vereren als God en zich in de tempel neerzetten.
  3. De antichrist: Zo noemt de apostel Johannes hem in zijn eerste brief, hoofdstuk 2:18 en 22. De valse profeet: Dat is zijn naam vanaf Openbaring 13 en in het verdere verloop van dit boek: hoofdstuk 16:13; 20:10.

Nadat we het nu al meerdere malen over de tijd van de “grote verdrukking” hebben gehad, is het nu tijd om de Bijbel te openen over dit punt.

Wordt D.V. vervolgd.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW