3 weken geleden

De eerste decennia van het christendom (39)

Handelingen 19 vers 21-40; 20 vers 1-16

Hoofdstuk 19 vers 21-40

Vers 21-22

Nu kwam er een einde aan de tijd van de apostel in openbare dienst. Paulus nam zich voor naar Jeruzalem te gaan nadat hij door Macedonië en Achaje was getrokken, en zei: “Nadat ik daar ben geweest, moet ik ook Rome zien.” Maar hij bleef nog een tijdje in Azië nadat hij Timotheüs en Erastus naar Macedonië had gestuurd.

Dit verlangen van hem om Rome te zien was in overeenstemming met de gedachten van God. Toen hij in Jeruzalem gevangen werd genomen, zei de Heer tegen hem: “De volgende nacht nu stond de Heer bij hem en zei: Heb goede moed, want zoals je in Jeruzalem van Mij hebt getuigd, zo moet je ook in Rome getuigen” (Hand. 23:11). Maar Paulus wist niet onder welke omstandigheden hij daar zou komen.

Vers 23-41

Gedurende de gehele tijd, dat de apostel in Efeze werkzaam was, stond de Heer niet toe dat Satan hem vervolgde of een openlijke tegenstand tegen hem teweeg bracht. Maar nu, toen het werk voltooid was, stond Hij hem toe een storm op te wekken, die echter slechts Satans machteloosheid toonde. De gelovigen hadden de door het licht van het Evangelie blootgelegde afgodendienst verlaten, en het gevolg was dat de fabrikanten van artikelen van deze heidense cultus hun omzet zagen slinken. Satan maakte gebruik van Demetrius, en deze verzamelde de kunstenaars en werklieden aan wie hij werk had verschaft door zilveren tempels voor Artemis te maken, en zei tot hen, onder andere: “… en u ziet en hoort, dat deze Paulus een aanzienlijke menigte, niet alleen van Efeze maar bijna van heel Asia, heeft overreed en afkerig gemaakt door te zeggen dat [goden] die met handen worden gemaakt, geen goden zijn.”

Deze “overreding” was niets anders dan de kracht van het Woord van de ware God, waarvan de uitwerking te allen tijde merkbaar is. Zo hadden ook de Joden vastgesteld dat de Heer “hen leerde als iemand die gezag heeft, en niet als hun schriftgeleerden” (zie Matth. 7:29). Zelfs de heersers van het volk waren verbaasd toen zij naar de ongeletterde en ongeschoolde discipelen luisterden (Hand. 4:13). De vijand is bang voor de kracht van het Woord.

Om de steun van de menigte te winnen, benadrukte Demetrius het belang van deze grote godin die door de hele wereld werd vereerd. Als zij haar aanzien zou verliezen, zou dat leiden tot het verlies van al hun verdiensten. Toen werden zij woedend en riepen uit: “Groot is de Artemis van de Efeziërs!” Hierop werd de hele stad in verwarring gebracht. Eensgezind haastten zij zich naar het theater en voerden de Macedoniërs, Gajus en Aristarchus, de reisgenoten van Paulus, weg.

Paulus wilde onder het volk gaan, maar de discipelen hielden hem tegen. Het zou hem alleen maar schade hebben berokkend en niets voor het evangelie hebben betekend. Ook sommige van de Asiarchen1, die de leiding hadden over de godsdienstige plechtigheden en de openbare spelen, haalden hem over en verzochten hem zich niet naar het theater te begeven. Deze mannen worden “zijn vrienden” genoemd. Dit betekent niet dat zij reeds christenen waren, maar zij waren erg onder de indruk van de leer van de apostel. God gebruikte hen en de discipelen om Paulus te beschermen tegen het kwaad waarmee hij te midden van een woedende menigte, die eigenlijk niet wist waar het allemaal om ging, geconfronteerd zou kunnen worden.

De Joden duwden een zekere Alexander naar voren, die zich tegenover het volk wilde verdedigen. Maar zodra zij beseften dat hij een Jood was, schreeuwden zij ongeveer twee uur lang: “Groot is de Artemis van [de] Efeziërs!” Jeremia 50 vers 38 zegt: “Zij gedragen zich als een waanzinnige door verschrikkelijke afgoden.” Wat een machteloze afgoden om op zo’n manier te verdedigen! De verantwoordelijkheid van Alexander had waarschijnlijk geen ander doel dan de Grieken duidelijk te maken, dat ook de Joden, hoewel zij geen andere godheden erkenden dan de ware God, zich tegen de leer van Paulus verzetten. Maar aangezien de Grieken de Joden verafschuwden, deed hun tussenkomst het tumult alleen maar toenemen.

God maakte gebruik van de wijsheid van de stadsschrijver om de rust te herstellen. Hij verklaarde dat de opgepakte mannen geen tempelrovers waren en evenmin hun godin hadden gelasterd, en toonde aan dat deze zaken niet mochten worden vermengd met materiële belangen, die voor het gerecht moesten worden geregeld. Als er een verzoekschrift is vanwege andere zaken, zei hij, moet dat in de wettige vergadering worden beslist. Nadat hij op deze wijze alles op zijn plaats had gezet, ontbond hij de vergadering.

Het onderwijs van Paulus had de vijand geen enkele aanleiding gegeven om aan te vallen. Hij had het Woord van God verkondigd en het volk de wonderbare resultaten van het werk van Jezus Christus voorgesteld. Hij was niet van plan de goden aan te vallen die door de Efeziërs zo werden vereerd. Dit is een voorbeeld voor ons om na te volgen overal waar wij van de waarheid moeten getuigen. Het Woord heeft zijn eigen kracht en zal dwalingen in het juiste licht plaatsen. Wij moeten trachten ons door de waarheid te laten opbouwen, en niet zonder haar hulp valse opvattingen trachten te vernietigen, vooral wanneer de mensen die dingen beschouwen, welke zij als heilig beschouwen. Maar als men ondervraagd wordt door hen die verlicht willen worden, zal de Heer wijsheid verschaffen om te antwoorden.

Hoofdstuk 20

Vers 1-6

Paulus nam afscheid van de christenen in Efeze en vertrok naar Macedonië. Onderweg zocht hij de discipelen op en vermaande hen met vele woorden. Wij hebben reeds opgemerkt dat Paulus er niet tevreden mee was te weten, dat de mensen aan wie hij het evangelie verkondigde, gered waren. Toen, evenals nu, ging het er ook om de gemeente van God op te bouwen, en de apostel wijdde er al zijn zorg aan. Hij schreef aan de Kolossenzen (Kol. 1:24,25): “… en vul in mijn vlees aan wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus voor Zijn lichaam, dat is de gemeente, waarvan ik een dienaar geworden ben …” De Heer had geleden om haar te kopen en Paulus leed om haar te versterken. Nadat het op verschillende plaatsen was gevormd, werkte hij aan haar opbouw en versterking, opdat het zou wandelen in overeenstemming met de hoogte van haar roeping en de kenmerken van haar Heer als getuigenis zou voorstellen aan de wereld. Hij droeg zorg voor alle gemeenten (2 Kor. 11:28). Hij kende de waakzaamheid van de vijand van Christus, die van elke ontrouw van gelovigen misbruik weet te maken om het “getuigenis van onze Heer” te schaden (2 Tim. 1:8). Wie bij de verkondiging van het evangelie slechts één doel voor ogen heeft, namelijk de zielen naar de hemel leiden, schiet ver tekort ten opzichte van de gedachten van de Heer; want Hij stierf om “de verstrooide kinderen van God tot één te vergaderen” (Joh. 11:53). Hij heeft voorzieningen getroffen voor de vorming van de gemeente naar Zijn gedachten, tot het ogenblik waarop Hij haar in volmaakte schoonheid aan Zichzelf zal voorstellen. Men mag dus het evangelie niet scheiden van de waarheid over de gemeente zoals wij die kennen uit de geschriften van de apostel.

Vanuit Macedonië bereikte Paulus Griekenland, waar hij drie maanden verbleef. Daarna wilde hij naar Syrië en Jeruzalem vertrekken, maar God legde hem een hindernis op zijn weg door de vijandigheid van de Joden, zodat hij gedwongen was naar Macedonië terug te keren, waar hij nog van nut zou zijn. Paulus handelde behoedzaam en stelde zich niet onnodig bloot aan de aanvallen van de Joden. – Met alle zekerheid dat God ons zal beschermen, moeten wij ons niet blindelings aan gevaren blootstellen. Kijkend naar Zijn discipelen zei de Heer: “Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als de slangen en oprecht2 als de duiven. Maar pas op voor de mensen” (Matth. 10:16,17).

Een aantal broeders vergezelde de apostel; Sópater tot in Asia, maar zes anderen, die in het vierde vers genoemd worden, en waarschijnlijk ook Lukas, de trouwe metgezel, gingen hem vooruit en wachtten hem in Troas op. Het noemen van hun namen toont de belangstelling die de Heer heeft voor hen die op enigerlei wijze in Zijn werk werkzaam zijn. Deze broeders omringden de grote apostel en dienden hem bij het werk dat hem zoveel leed van de zijde van de mensen berokkende. Elk werk voor de Heer, gedaan met het verlangen om Zijn naam bekend te maken, voor Zijn belangen op te komen en de waarheid te verkondigen, is kostbaar in Zijn ogen en zal op Zijn tijd beloond worden. Onder de zes broeders bevond zich Timotheüs, van wie de apostel getuigde dat hij, als een kind zijn vader, hem diende in het evangelie (Fil. 2:19-22).

Nuttige informatie over deze reis, die in deze verzen slechts kort wordt samengevat, vinden we in de brieven aan de Korinthiërs en aan de Romeinen. Toen Paulus in Efeze was, schreef hij de eerste brief aan de Korinthiërs en liet die door Titus bezorgen (2 Kor. 2:13; 7:12-14). Vanuit Efeze zond hij Timotheüs en Erastus naar Macedonië, terwijl hij nog enige tijd in Asia bleef (Hand. 19:21.22). Toen hij zelf op weg was naar Macedonië, maakte hij zich zorgen over de Korinthiërs en over het effect van zijn eerste brief. Hij kwam naar Troas en hoopte daar Titus te vinden met nieuws uit Korinthe. Maar toen hij hem daar niet aantrof, had hij geen rust in de geest en was daarom niet in staat het Woord in die stad te verkondigen, hoewel hem in de Heer een deur van het evangelie geopend was (2 Kor. 2:12,13). Uiteindelijk ontmoetten zij elkaar, wij weten niet waar; Paulus schreef zijn tweede brief aan de Korinthiërs en kwam naar Griekenland. Van dit alles vermeldt het verslag van Handelingen alleen wat wij in de eerste twee verzen van ons hoofdstuk vinden. Tijdens zijn verblijf van drie maanden in Griekenland schreef Paulus de brief aan de Romeinen die de aankondiging bevat van zijn komende reis naar Jeruzalem, bij welke gelegenheid hij de bijdrage van de gemeenten in Macedonië en Achaje wilde afgeven voor de behoeftigen in Jeruzalem (1 Kor. 16:1-4; 2 Kor. 8 en 9). Na de vervulling van deze taak en de voltooiing van het werk op zijn vroegere werkterreinen, was hij voornemens door te reizen naar Rome en vandaar naar Spanje. Waarschijnlijk heeft hij dat land echter nooit bereikt (Rom. 15:23-33).

Vers 7-12

In Troas, waar Paulus de vorige keer niet had kunnen blijven omdat hij Titus ging ontmoeten, bleef hij slechts zeven dagen, en op de eerste dag van de week kwamen zij bijeen om brood te breken. Wij hebben hier dus een duidelijke vermelding van het feit, dat ook toen de gemeenten op die dag bijeenkwamen om brood te breken. Hoewel aanvankelijk, naar het schijnt, dagelijks brood werd gebroken (Hand. 2:46), wordt hier toch de dag van de Heer, waarvan het belang in Johannes 20 vers 1 wordt onderstreept, genoemd als de dag waarop Zijn gedachtenis moet worden gevierd in het breken van het brood. “Toen wij nu op de eerste [dag] van de week vergaderd waren om brood te breken,” wordt hier gezegd. Het gebeurde dus niet af en toe, maar regelmatig. Deze ene passage is genoeg om ons aan te sporen vandaag hetzelfde te doen. In het Woord wordt nergens gezegd dat het avondmaal pas na lange tussenpozen moet worden gevierd.

Terloops zij opgemerkt, dat ons in drie evangeliën wordt bericht over de instelling van het avondmaal; in onze passage hebben wij een voorbeeld van deze viering en in 1 Korinthe 11 het onderwijs erover.

In het besef dat hij de gelovigen in deze streken waarschijnlijk niet meer zou terugzien, maakte Paulus van de gelegenheid gebruik om tot na middernacht het Woord te verkondigen. Hij wist hoe belangrijk zijn onderwijs was aangaande de gemeente, waarvan het geheimenis alleen aan hem was geopenbaard; ook had hij de indruk, dat zijn bediening op deze gebieden nu ten einde liep. De gelovigen van die tijd hadden nog niet het voorrecht van onderricht door het geschreven Woord; zij bezaten met betrekking tot de waarheden van de vergadering alleen dit mondelinge onderricht.

In die tijd kwam het reeds voor, dat zelfs bij zeer belangrijke verkondigingen van het Woord, de belangstelling door slaperigheid werd beperkt. Het heeft de Geest van God behaagd ons de omstandigheden te beschrijven die de slaap van Eutychus begunstigden: vele fakkels brandden in die bovenzaal. Door Paulus kwam God de geteisterde man in barmhartigheid te hulp. De jongeman kwam weer tot leven.

Paulus ging toen door met het Woord te verkondigen tot de dageraad. De omstandigheden maken dit gemakkelijk te begrijpen. Vroeg in de morgen vervolgde Paulus zijn reis.

Vers 13-16

Op bevel van Paulus gingen zijn metgezellen hem vooruit in het schip naar Assos; hijzelf wilde hen te voet volgen. Ongetwijfeld voelde hij de behoefte om in stilte verder te trekken. Voor iedere dienaar van de Heer is het een absolute vereiste om heel vaak stille ogenblikken door te brengen in de tegenwoordigheid van God, ver van elke afleiding. De Goddelijke dienaar trok zich ook terug in de eenzaamheid om de hele nacht in gebed door te brengen (Luk. 5:16; 6:12). Vanuit Assos gingen Paulus en zijn medewerkers via Mityléne, Chios, Samos en Trogyllium naar Miléte. De apostel wilde niet in Efeze blijven, waar een bezoek meer tijd zou hebben gekost dan hij beschikbaar had, omdat hij op de dag van Pinksteren in Jeruzalem wilde zijn. Daarom liet hij de oudsten van Efeze naar Miléte komen.

 

NOOT:
1. ‘Asiarchen’ zijn overpriesters(godsdienstige ambtenaren) van Asia en/of afgevaardigden van de landdag van de Romeinse provincie Asia in de hoofdstad Efeze.
2. Of ‘eenvoudig, argeloos.’

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1961 – Bladzijde 77; auteur: gemeenschappelijke bijbelstudie.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW