9 april 2023
Maria Magdalena was bij degenen die aan de voet van het kruis stonden toen de Heer Jezus werd gekruisigd (Joh. 19:25). Hoe goed is het voor ieder van ons als volgelingen van Christus om tijd door te brengen aan het kruis, stil te staan en de verlossing van de Heer te zien. Daar kijken we naar Degene die mij liefhad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven! Het kruis plaatst al het andere in perspectief (1 Kor. 1:18-31). Het is het kruis waarin we alleen in moeten roemen (Gal. 6:14)! We mogen de Man van Golgotha nooit uit het oog verliezen! Maar Maria stopt niet bij het kruis, en dat zouden wij ook niet moeten doen!
In Johannes 20 vers 1 – 2 lezen we: “Op de eerste [dag] van de week nu kwam Maria Magdalena ’s morgens vroeg, toen het nog donker was, naar het graf en zij zag de steen van het graf weggenomen. Zij liep dan snel en kwam bij Simon Petrus en de andere discipel die Jezus liefhad, en zei tot hen: Zij hebben de Heer weggenomen uit het graf, en wij weten niet waar ze Hem hebben gelegd.”
We zien hier haar genegenheid voor haar Heer. Ze kon niet wachten tot het licht werd en ging ’s ochtends vroeg, toen het nog donker was, naar het graf. Misschien verwonderde ze zich onderweg wel over de enorme steen die daar was neergelegd en het zegel van Pilatus dat erop was aangebracht.
Maar toen ze aankwam, zag ze dat de steen was weggenomen! Die was niet weggenomen om Jezus naar buiten te laten, maar om hen binnen te laten! Alle obstakels die ze had kunnen bedenken waren weggenomen! De opstanding van Christus verwijdert alle obstakels die ons op afstand houden! Ze was hierdoor overweldigd en rende weg om het aan Petrus en Johannes te vertellen, opnieuw haar hart voor Hem tonend: “Zij hebben de Heer weggenomen uit het graf, en wij weten niet waar ze Hem hebben gelegd.”
Petrus en Johannes rennen dan naar het graf. Johannes, die Petrus voor was, stopt bij de opening bij het zien van de linnen kleding, maar Petrus gaat het graf binnen. Ze zagen de linnen kleren daar liggen, en de zweetdoek die om het hoofd van onze Heer was geweest, was opgevouwen en apart gelegd.
En Maria Magdalena? Ze keert terug naar het graf en kijkt wenend naar binnen. Haar hart is vol diepe genegenheid voor haar Heer. Terwijl Maria in het graf kijkt, verschijnen er twee engelen, één aan het hoofd en één aan de voeten.
Dit lijkt op wat we lezen over de Cherubijnen boven het verzoendeksel (Ex. 25:17-19). Zij plaatsten haar voor de allesbepalende waarheid van de opstanding, de waarheid dat er hoop is omdat Jezus leeft!
Toen ze haar vroegen waarom ween je, antwoordde ze: “Omdat ze mijn Heer hebben weggenomen en ik weet niet waar ze Hem hebben gelegd.”
Toen ze dit had gezegd, draaide ze zich om en zag Jezus daar staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. Luister naar deze allereerste woorden van de herrezen Christus. Jezus zei tegen haar: “Vrouw, waarom ween je? Wie zoek je?” Haar verdriet was zo groot, dat het haar niet schockte, dat ze met engelen sprak. Haar verdriet was zo groot, dat ze Hem die ze zocht niet herkende. Ze veronderstelde, dat Hij de tuinman was en zei tegen Hem: “Heer, als U Hem weggedragen hebt, zeg mij waar u Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.” Toen sprak haar Meester, haar Herder, haar aan bij haar naam. Ze draait zich om en herkent de stem van haar Herder: “Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni! – dat wil zeggen: Meester!”
De reactie van haar natuurlijke hart was om zich aan Hem vast te klampen, maar Hij geeft haar een andere, heel belangrijke waarheid: “Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar mijn Vader; maar ga heen naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader en [naar] mijn God en uw God.”
Vanwege een opgestane Christus hebben we niet alleen een nieuwe hoop, maar zijn we ook in een nieuwe relatie met God als onze Vader gebracht. Dit is de gemeenschap die we nu genieten als volgelingen van Christus: “En onze gemeenschap nu is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus” (1 Joh. 1:3).
Hoe vaak kijken u en ik naar het lege graf? Denken wij na over het feit, dat Hij niet in dat graf is? Maar meer nog dan dat, leren we dat er een nieuw verzoendeksel is. Hebreeën 4 vers 14-16: “Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is door gegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij de belijdenis vasthouden. Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde. Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.” En daar genieten wij gemeenschap met de Vader en Zijn Zoon. Hij is in staat om ons verdriet om te zetten in vreugde en onze tranen in blijdschap!
© Anchors for Life
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW