8 jaar geleden

Christenen en ziekten

Steeds weer hoort men stemmen, die beweren, dat christenen niet ziek behoeven te zijn. Er wordt gezegd: “Als u slechts genoeg geloof hebt, kunt u allen genezen worden. Dat is het volle evangelie. Niemand hoeft te lijden”. Wat moet men daarvan nu denken? Is ziekte een kwaad, dat verdragen moeten worden? Wat voor betekenis hebben ziekten in het leven van een gelovige?

Enkele jaren geleden sprak ik met een broeder in geloof uit de charismatische beweging1, die zich als ongelovige met het HIV-Virus besmet had. Hij was ervan overtuigd, dat de ziekte bij hem niet uitbreken zou. Hij kon zich niet voorstellen, dat God hem zou laten lijden. Had de goede God hem niet zegen beloofd? – Maar wat gebeurt er, als de ziekte op een dag toch haar tol eist? Zal hij aan God twijfelen, omdat hij Zijn beloften niet schijnt waar te maken? Of zal aan zichzelf twijfelen, omdat hij wat men noemt niet genoeg in de beloften van God geloofd heeft? Een ernstige geloofscrisis en een emotionele instorting zouden dan rechtstreeks voorgeprogrammeerd zijn.

Dat maakt ook duidelijk hoe belangrijk het is, duidelijk en weloverwogen over het thema ziekte en genezing na te denken. Wij willen daarom enkele argumenten bekijken, die gebruikt worden, om te “bewijzen’, dat gelovigen niet ziek behoeven te zijn en altijd op genezing rekenen kunnen.

Heeft God genezing beloofd?

In de context van de charismatische beweging wordt gezegd: De Bijbel behelsd grote beloften, dat wij genezen kunnen worden. Tekstplaatsen als Exodus 15 vers 26 of Exodus 23 vers 25 spreken een duidelijke taal. In Deuteronomium 7 vers 15 staat: “De HEERE zal alle ziekte van u weren”. Zie verder Psalm 103 vers 3, Jesaja 29 vers 18 alsmede Jesaja 35 vers 4 en 5. En Markus 11 vers 24 zegt toch, dat de in het geloof biddende alles ontvangt – zijn genezingen daarbij niet ingesloten?

Als we de Schrift juist willen uitleggen, moeten we er acht op geven, aan wie haar uitspraken rechtstreeks gericht zijn. Het is belangrijk te vragen: Gaat het in deze tekstplaats om Israëlieten die onder de wet zijn, of gaat het om christenen die niet onder de wet staan (Rom. 6:14). Dat moet men onderscheiden. Paulus schrijft: “Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat zegt tot hen die onder de wet zijn …” (Rom. 3:19).

De aangevoerde tekstplaatsen uit de boeken van Mozes richten zich direct tot de Israëlieten. Zij zullen niet ziek worden, als zij Gods geboden gehoorzamen. Deze Oudtestamentische belofte, die voor het aardse volk van God gold, mogen we niet eenvoudigweg op christenen toepassen, aan wie hemelse zegeningen behoren (Ef. 1:3).

Wie de belofte van genezing op zichzelf toepassen wil, moet om consequent te blijven alles, wat de wet zegt, op zichzelf betrekken. Bijvoorbeeld de aanwijzingen over het dierlijk slachtoffer, die in de boeken van Mozes een grote plaats innemen, of ook de verschrikkelijke vervloekingen (Deuteronomium 28:15 en volgend). Men doet het Woord van God geweld aan, wanneer men uit de wet dat uitkiest, wat iemand bevalt, en het als voor christenen verplichtend verklaart. Dat wij het Oude Testament als door Gods Geest geïnspireerd achten en waardevol onderwijs daaruit putten, is duidelijk (2 Tim. 3:16; Rom. 15:4), maar dat is iets anders, dan christenen onder de wet te willen stellen.

De aangevoerde tekstplaatsen uit de psalmen en profeten wijzen op het duizendjarig vrederijk, wanneer God Zijn volk Israël van ziekte en gebreken bevrijden zal. De “krachten van de komende eeuw” (Hebr. 6:5) zullen zich onder hen ontvouwen, zodat blinden ziende en ook andere wonderbare dingen gebeuren zullen. Dat heeft echter niets met de tegenwoordige tijd te maken, waarin God Zich uit alle naties een volk voor Zijn naam vergadert, dat erop wacht, de Heer tegemoet opgenomen te worden.

En de woorden uit Markus 11 vers 24 zullen ons zeker niet toestaan, dat wij alles krijgen, wat wij wensen en met woorden van het gebed bekleden. Het angelpunt van dit vers is het geloof. Het geloof is de geestelijke bekwaamheid Gods gedachten op te nemen. Wanneer wij een belofte voor genezing in het Nieuwe Testament zouden hebben, zouden wij zeer zeker vrijmoedig en vol vertrouwen om genezing kunnen vragen en zouden verhoord worden. Maar wij christenen hebben geen toezegging, dat wij van alle ziekten bevrijd worden. Daarom kan ons geloof ook niet daarop steunen.

Heeft Christus onze ziekten aan het kruis gedragen?

Soms wordt gezegd: “De Heer Jezus heeft aan het kruis zowel de zonden van de gelovigen alsook hun ziekten gedragen. Wie in Jezus Christus en Zijn werk gelooft, wordt van zijn ziekten  net als van zijn zonden vrij. Want er staat geschreven: “Voorwaar, onze ziekten heeft Hij [Jezus] op Zich genomen, ons leed heeft Hij gedragen … Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen” (Jes. 53:4,5 – HSV).

In deze beide verzen staat het dragen van het lijden en het verbrijzeld worden vanwege de zonden inderdaad dicht bij elkaar. Maar dat bewijst niet, dat beide aan het kruis op Golgotha gebeurd zijn. De Schrift leert iets anders. In Mattheüs 8 vers 16 en 17 lezen we: “en Hij [Jezus] dreef de geesten uit met een woord en Hij genas allen die ziek waren; opdat vervuld zou worden, wat gesproken was door Jesaja de profeet, toen hij zei: ‘Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen’”. Dat maakt duidelijk: de Heer Jezus droeg de ziekten en het lijden van de mensen, toen Hij hen in Zijn dienst op aarde genas. Hij genas niet eenvoudig, doordat Hij in goddelijke majesteit een wonder volbracht, maar Hij maakte Zich innerlijk één met de zieken – Hij droeg de ziekten en het lijden van de mensen op Zijn hart. Zo vervulde zich Jesaja 53 vers 4! Onze zonden droeg Hij in de drie uren van de duisternis aan het kruis, toen Hij om onze overtredingen verwond en om onze misdaden verbrijzeld werd.

Jesaja 53 vers 4 spreekt ook van Zijn dienst onder Zijn volk en Jesaja 53 vers 5 van Zijn werk aan het kruis. Dat wordt daardoor onderstreept, dat Petrus in 1 Petrus 2 vers 24, als hij van het verzoeningswerk van Christus spreekt, zich alleen op vers 5 uit Jesaja 53 richt en niet op vers 4.

Op te merken is nog, dat in Jesaja 53 het toekomstige Joodse overblijfsel spreekt, dat bewonderend en met berouw op de dienst van de Heer Jezus onder Zijn aardse volk terugblikken zal. Het gaat ook in Jesaja 53 er niet direct daarom, dat de Heer de ziekten en smarten van christenen gedragen heeft. Toch mogen wij, wanneer we ziek zijn, natuurlijk met het bijzondere medeleven van de Heer rekenen. Hij was weliswaar Zelf niet ziek, maar heeft smarten gehad en heeft de ziekten van de mensen gedragen, die Hij genezen had, en Hij weet uit ervaring, wat lijden is.

Laten we vast houden: Christus heeft onze zonden aan het kruis gedragen. Wie in Zijn werk gelooft, mag zeker zijn van de vergeving (Hebr. 10:17,18). Maar Christus heeft niet onze ziekten aan het kruis gedragen.

Komt elke ziekte van de duivel?

Sommigen beweren: Iedere ziekte komt van de duivel. Christus is gekomen om de werken van de duivel te verbreken (1 Joh. 3:8), daarom behoeft geen christen ziek te zijn.

Deze vlieger gaat niet op. Want ten eerste zegt 1 Johannes 3 vers 8 niet, dat de werken van de duivel vandaag al allen verbroken zijn. Dat zal pas dan zo zijn, als er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde is, waarin alles in overeenstemming met God zijn zal.

Ten tweede kunnen ziekten niet eenvoudig aan de duivel toegeschreven worden, ook wanneer het waar is, dat hij in de hof van Eden de mensen tot zonde verleid heeft en als gevolg daarvan smart, dood en ziekte in de wereld gekomen zijn (Gen. 3). De reden ervoor, dat er dan ook ziekten zijn, ligt dus in de zondeval, die de gehele schepping mee in het ongeluk gestort heeft (Rom. 8:22,23).

Maar het is de duivel niet gegeven, de mensen naar believen met ziekten te slaan. De Schrift toont slechts enkele gevallen, waar de duivel mensen – en ook alleen dan, wanneer God het toeliet – ziek gemaakt heeft. We denken aan Job, die door satan met zweren gepijnigd werd (Job 2:4-7). Ook de door demonen bezeten man, die niet horen en spreken kon, is een vergelijkbaar geval (Mark. 9:25). Maar zo iets mag niet veralgemeniseerd worden. Zacharias bijvoorbeeld kon een tijdlang niet spreken, omdat God hem voor zijn ongeloof tuchtigde (Luk. 1:20,64).

Vele bijbelplaatsen tonen, dat God ziekten zendt: Hij sloeg de Egyptenaren met zweren (Ex. 9:9-10) en de Asdodieten met gezwellen (1 Sam. 5:6); Hij liet een zoon van David doodziek worden (2 Sam. 12:15); Hij zond Joram een zware ziekte van de ingewanden (2 Kron. 21:15) en strafte Uzzia met melaatsheid (2 Kron. 26:20).

Als God ziekten zendt, hoe kan men dan beweren dat elke ziekte van de duivel komt en geen gelovige ziek behoeft te zijn? En zelfs wanneer bij een ziekte de duivel zijn hand in het spel heeft (wat wij echter in de regel helemaal niet weten), leren we juist bij Job, hoe men zich in deze situatie gedragen moet: Hij nam alle leed uit Gods hand aan en vertrouwde Hem (verg. Job 1:21; 2:10).

Zendt de goede God boze ziekten?

Er wordt gezegd: Kinderen van God hoeven niet ziek te zijn, omdat de goede God hen alleen maar het goede geeft. Wij, die boos zijn, geven onze kinderen goede gaven en houden het kwade verre van hen (verg. Matth. 7:11). Zou God iets minder vriendelijk zijn?

Dat mag op het eerste oog aannemelijk klinken, maar is helemaal verkeerd. Hoewel God ook “niet van harte mensenkinderen verdrukt en bedroeft” (zie Klaagl. 3:33), zo doet Hij het soms toch. Ouders die hun kinderen opvoeden, geven hen immers ook niet alles, wat de kinderen mooi en aangenaam vinden. Gods handelen heeft niet ten doel, dat Zijn kinderen een zo aangenaam en eenvoudig mogelijk leven hebben. Hij heeft meer dan hun lichamelijk welzijn op het oog (hoewel Hij ook dat vaak schenkt).

Wij mogen weten: God wil door ziekte veel goeds in ons leven bewerken. Hij wil bereiken, dat wij:

  • Zijn Zoon meer verheerlijken (Joh. 11:4);
  • onszelf en Hem beter leren kennen (Job 42:5,6);
  • meer volharden (Jak. 1:2-4);
  • meer geheiligd leven (Hebr. 12:4-17);
  • afhankelijker van de Heer worden (2 Kor. 12:7-10);
  • ons in geloof bewaren (1 Petr. 1:6,7);
  • onze hoop op Hem richten (Rom. 5:1-5);
  • boete doen en daarom niet met de wereld veroordeeld worden (1 Kor. 11:29-32);
  • bekwaam worden anderen te troosten (2 Kor. 1:3-4);
  • ons met eeuwige dingen bezig houden (verg. 2 Kor. 4:17).

Christenen kunnen ziek zijn

Natuurlijk worden christenen ziek. Dat kan men aan zichzelf en om zich heen ondervinden. Dat is zo, omdat onze lichamen, in tegenstelling tot onze zielen, nog niet verlost zijn (Rom. 3:24; 8:23). De verlossing van het lichaam zal gebeuren, wanneer de Heer Jezus terugkomen zal, “Die het lichaam van onze vernedering veranderen zal tot gelijkvormigheid aan het lichaam van Zijn heerlijkheid, overeenkomstig de werking van de macht, waarmee Hij in staat is ook alle dingen aan Zich te onderwerpen” (Fil. 3:21). Dan zullen we niet meer een zwak, natuurlijk lichaam hebben, maar een geestelijk lichaam, die door ziekte en dood niet aangetast kan worden (1 Kor. 15:43, 53-54).

Nu echter “zuchten” wij nog in de “tent van ons lichaam”, die vervalt en tenslotte afgebroken wordt (2 Kor. 5:1-4). Ziekten, ouderdomsgebreken en dood overkomt alle mensen op deze aarde. Christenen vormen geen uitzondering. Zij worden ouder, zij sterven – en ze worden ook ziek. En dat niet daarom, omdat zij niet genoeg geloof hebben, maar omdat hun lichamen nog niet verlost, maar deel van de gevallen schepping is.

De Schrift spreekt van vele gelovigen, die ziek waren, zonder dat Gods Woord hen op de een of andere manier concrete zonden of gebrekkig geloof ten laste legt. Hier enkele voorbeelden:

  • Paulus (2 Kor. 12:7,8);
  • Epafroditus (Fil. 2:27);
  • Trofimus (2 Tim. 4:20);
  • Timotheüs (1 Tim. 5:23);
  • Lazarus (Joh. 11:1-3).

Ook vandaag zijn er vele trouwe gelovigen, die ziek zijn. Sommigen tobben een leven lang met bepaalde gebreken. Anderen worden na een zekere tijd weer gezond, soms misschien zelfs op een bijzondere manier, door een wonder van God. Maar de ervaring bevestigt, dat christenen niet daarop rekenen kunnen, dat zij altijd gezond blijven of weer genezen worden.

Wat te doen bij ziekte?

Wat doen christenen wanneer zij ziek zijn? Zij zoeken de nabijheid van God en vertrouwen erop, dat hen “alle dingen meewerken ten goede” (Rom. 8:28). Zij schamen zich niet, om genezing te bidden, maar zij doen het in het bewustzijn, dat niet hun wil, maar de wil van God gebeuren zal. Zij maken dankbaar gebruik van de hulp van artsen en medicijnen (verg. Matth. 9:12; Kol. 4:14). In bijbelse tijden deden balsem (Jer. 46:11), klompen vijgen (Jes. 38:21), olie (Luk. 10:34; Jak. 5:14), en wijn (1 Tim. 5:23) goede diensten; vandaag zijn er andere medicamenten en geneeswijzen, die artsen aanraden. Als we deze raad opvolgen, zo stellen we ons vertrouwen toch niet op mensen, zoals Asa het gedaan had (2 Kron. 16:12). Wij mogen veelmeer God vertrouwen, die de bemoeienissen van de artsen zegenen moet, wanneer we gezond worden moeten. Wat er ook gebeurt: Wij mogen ons in elke situatie aan de genade van de Heer overgeven (2 Kor. 12:9). Wanneer God ziekte inzet, om in ons het goede te bewerken, willen we dit niet met “gezondheid tot elke prijs” uit de weg gaan.

Sommigen raden zieken, dat zij niet of niet alleen naar de dokter moeten gaan, maar ook iemand moeten opzoeken, die de gave van genezingen heeft. Deze wondergenezers kunnen zogenaamd iedereen helpen, die op God vertrouwt. Omdat dit een complex thema is, willen wij ons daarmee in een van de volgende uitgaven bezig houden en nauwkeuriger bespreken, wat de Schrift over het thema “wondergenezingen” te zeggen heeft.

NOOT:
1. Ongeveer 50 jaar geleden (± 1960) ontstond de charismatische beweging, dat als het gedachtengoed van de pinksterkerken in vele christelijke kringen binnengebracht werd. In deze beweging spelen twee genadegaven (Grieks charisma) een grote rol: het spreken in talen en de wondergenezingen {zie ook Wikipedia – vertaler}.

Gerrit Setzer

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, R. Mol