9 maanden geleden

Anneke Jansz – Historisch verhaal (6)

HOOFDSTUK III – vervolg

Begin van de strijd

 

De zware storm van die middag was uitgewoed. Stil was het nu in de natuur, al ging de maan ook nog schuil achter zware wolken. Spoedig zou hij bij de poort zijn. Moeite, om buiten te komen, zou hij niet hebben. Hoogstens zou de wacht verwonderd zijn, hem zo laat nog uit de stad te zien komen. ’t Hinderde niet. De Meester had hem zijn harde woorden vergeven en daarom … Maar stil! Uit de woning, die hij herkende als die van de schepen, wiens zoon Hans door Anneke was afgewezen, hoorde hij een gerucht als werden de zware sluitgrendels achter de deur weggeschoven. Zonder dat hij vermoedde, wat hem daartoe dreef, verborg hij zich onder een naast het huis zich bevindend poortje. Hij wilde weten, wie, zo laat nog, de straat opging.

Uit zijn schuilhoek zag hij, hoe heel voorzichtig de deur geopend werd en een in een wijde mantel gehulde gedaante, na de straat op- en afgezien te hebben, met behoedzaamheid naar buiten glipte, zacht de deur weer achter zich toesloot en nu snel de richting insloeg, waaruit Maerten zo-even gekomen was.

De veerman onderdrukte met moeite een kreet van verwondering. In de gedaante, hoe vermomd ook, had hij  schepenzoon herkend.

Wat zou die willen? Zou die nog jonge man, die om Anneke zoveel moeite gedaan had, misschien door de Kerk verboden wegen bewandelen?

Maerten volgde hem, hoewel hij zich een ogenblik schaamde, dat hij nu het werk van een verklikker scheen te verrichten. Doch het feit, dat Hans zich onkenbaar had menen te maken, prikkelde zijn nieuwsgierigheid.

Het kostte hem niet veel moeite, de jonge man in ’t oog te houden, al was de afstand tussen hen beiden tamelijk groot. De veerman had immers op zee en op de rivier geleerd, zelfs door de duisternis heen te zien!

Maar welk een wonderlijke weg volgde die jongen toch!Dezelfde straten en stegen was hij daar straks doorgelopen, toen hij uit de Capoenstraat kwam. Zou Hans …

Een vermoeden rees in Maerten op. Scherper spande hij zijn blik. Want was dat vermoeden juist, dan was het een beschikking van de hemel, dat hij juist op de weg van die jongen geplaatst werd. Ja, waarlijk! Hij had zich niet vergist: Hans sloeg de Capoenstraat in en richtte zich, om zich heen spiedend nu, naar de woning van Meester Jansz. Daar stond hij stil en bukte zich en rekte zich uit, als zocht hij een spleet in de luiken, waardoor hij een blik in de kamer van de gehuwden kon werpen.

“Die onbeschaamde!” — kookte het in Maerten en met zijn brede handen tot zware vuisten ineen geknepen beloofde hij het de schavuit, dat hij hem de lust tot onbescheidenheid wel zou doen vergaan. Ja, hij stond reeds op het punt, op Hans toe te snellen en hem van het venster weg te sleuren, toen deze zich oprichtte en in snelle pas zich verder spoedde.

“Waarheen gaat hij nu?” — bromde de veerman. — “Maar al gaat hij nog zo ver, ik volg hem en zal hem doen voelen, dat hij met Anneke Jansz niets te maken heeft.”

Geen ogenblik verloor hij de jongeling uit het gezicht. Als hij plotseling de hoek van een klein straatje omsloeg, vloog Maerten op zijn tenen hetzelfde straatje door. Hij wilde, hij moest het einddoel kennen van die nachtelijke wandeling.

Eensklaps, voor een klein huisje, bleef Hans stilstaan. Maerten zag, hoe hij op de gesloten luiken klopte. Zeker een afgesproken teken! Ja, daar werd de deur geopend en Hans sloop naar binnen.

Voorzichtig liep de veerman nu op het huisje toe. Neen, wie daar woonden, wist hij niet. Maar misschien, dat hij een blik in de kamer kon werpen? Ha, ja, daar schoot een zwakke lichtstraal over het rechtse luik heen. Gelukkig, dat hij een goede lengte had! Nu kon hij, wel voorzichtig maar toch zonder veel moeite, zien, wie zich in de kamer bevonden.

Wát? Was dat Machteld niet, Anneke’s weggejaagde dienstmeisje? Ja, zeker, die was het! En wat was Hans vertrouwelijk met haar. Heel dicht zat hij bij haar en ze lachten samen en spraken …

Maerten spitste zijn oren; zocht naar een opening, waardoor hij in staat zou zijn, het gesprokene te verstaan. Tevergeefs! Op zijn tanden knarsend van woede en spijt, richtte hij zich weer op. Nu hij zijn oren niet gebruiken kon, moesten zijn ogen maar dubbelen dienst doen: mogelijk kon hij de woorden van hun lippen aflezen.

Maar nu deinsde Maerten, ontzet, bijna achteruit. Een ander had Hans’ plaats ingenomen. Een ander … de dokter!

Maertens hersenen werkten koortsachtig snel. De dokter was de gezworen vijand van de Meester. Hans en Machteld waren het ongetwijfeld van Anneke! Dan werd hier een complot gesmeed! Helse gedachten woelden er achter de lachende gezichten van die drie! Zouden ze op dit ogenblik zich misschien reeds inbeelden, dat de gehaten in hun macht waren?

Hij moest bedaard blijven, nu vooral. Geen ritseling mocht zijn tegenwoordigheid verraden. De nagels van zijn vingers sneden in de sterk gebalde vuisten, zijn tanden beten in de lippen … het hinderde niet: als dat rot maar in de mening verkeren bleef, dat ze onbespied waren.

Hoe lang het wachten duurde? Hij wist het niet. Maar al had hij ook heel de nacht moeten wachten — hij zou op post gebleven zijn, tot de samenspanners uiteengingen …

Maerten zag, dat de dokter opstond en Machteld de hand schudde. Wat bleef er in die meisjeshand achter? Enige zilverstukken! Ja, ook Judas ontving die eens voor het verraad jegens zijn Meester. Zou Machteld dan ook niet recht hebben op het loon van het verraad? En zie, daar kwam Hans op Machteld toe en fluisterde haar wat in het oor. Lachend antwoordde ze. Hoopte ze misschien, dat ze bij Hans de plaats innemen zou, die Anneke geweigerd had? Liet ze daarom toe, dat de rijke schepenzoon haar even in zijn armen sloot? Ha, wel een schoon gezicht, dat die twee paren verraders elkanders lippen kusten! …

Aan de overkant van de straat, in de donkerte stijf tegen een muur aangedrukt, zodat niemand hem zou kunnen opmerken, stond Maerten het vertrek van de dokter en Hans gade te slaan. Enkele fluisterwoorden met de achterblijvende Machteld werden er nog gewisseld en toen hoorde hij op gedempte maar toch duidelijk verstaanbare toon Hans zeggen:

“Ik zal u tot uw huis brengen, dokter!”

Toen ze de hoek van de straat waren omgeslagen, wachtte Maerten nog enige ogenblikken. Maar toen, zeker, dat ook Machteld in huis was teruggekeerd, liep hij, zo snel als zijn benen hem konden dragen, door tal van steegjes en straten naar het huis van de dokter. Hij wilde die twee vóór zijn. Mogelijk, dat hij daardoor nog een middel kreeg, om het onheil, dat ontwijfelbaar zeker hen bedreigde, van  Meester en zijn jonge vrouw af te wenden.

Ja, gelukkig! Hij was er het eerst! Snel nu een schuilplaats gezocht, want in de verte hoorde hij reeds de stap van de twee mannen. Was hier nu maar een poort als bij het schepenhuis! Neen, neen, hij zag niets. Ja toch —  Heiligen zij dank! — daar aan die gevel bevond zich een luifel en — o, maar dat had zo moeten zijn! — voor dat huis stond een bank. Dáár kon hij zich verschuilen!

In gewone tijden zou hij met een blik op die bank gezegd hebben, dat hij zich onmogelijk zo klein kon maken, om er onder te verdwijnen. Doch nu drong de nood en … toen Hans en de dokter zachtjes aan naderbij kwamen, hadden ze er in ’t minst geen vermoeden van, dat ze werden gezien en beluisterd.

Maerten bedwong het hijgen van zijn adem: geen woord mocht hem ontgaan. Stil! Hoorde hij Hans al niet?

“Hij is een ketter, dokter! Wat Machteld vertelde, bewijst dat duidelijk. En zij ook! Dáárom hebben ze elkaar genomen!” 

“Ja,” — antwoordde de dokter en in de klank van zijn stem was duidelijk de haat waarneembaar, die hij tegen de Meester voedde. — “Ze zijn het allebei. En ik zal lachen, als ik onder hem ’t vuurtje zie branden.”

“Zacht wat, dokter! Men zou ons kunnen horen. En niemand in Brielle moet het kunnen zeggen, dat ik het graf gedolven heb, waarin zij levend geworpen zal worden.”

De haat, die beiden samenbond, deed hen toeven. ’t Viel hun blijkbaar moeilijk, het gesprek te beëindigen, dat door telkens weer nieuwe wraakgedachten werd gevoed.

“Ik moet ook buiten schot blijven,” — bromde de dokter. — “Maar weet u, wat ik vind? Dat we in Machteld een buitenkansje hebben! Wat weet die veel van Anneke te vertellen! Van flinke dochter, die haar ogen en oren goed  kost gegeven heeft!”

“Ja, en ik geloof, dat ook haar broeder ons van grote dienst zal kunnen zijn.”

“Die gek!” — wierp de dokter verachtelijk tussenbeide. “Geloof me, van de hele geschiedenis bevalt dit mij het minst, dat we die halfwijze Egbert in de arm moeten nemen.”

“Nu, maar hij heeft niets anders te doen dan bij ’t veer uit te kijken, of er ook anderen dan Briellenaars …”

“Toch vertrouw ik het niet. Wie hem een paar duiten geeft, heeft hem. Vandaag dient hij ons en morgen Anneke en … en haar wonderdokter,” — besloot hij schamper.

Zij stonden bij de deur van de dokterswoning. Duidelijk kon Maerten, als hij maar een handbreed zijn hoofd buiten de bank stak, hen zien.

“Hans,” — begon de dokter weer opnieuw, — “daar valt me iets in. Als die Egbert een hele of een halve dag bij ’t veer blijft, zal Maerten Willems een kwaad vermoeden kunnen krijgen. En die kerel is, naar ik gehoord heb, nog al bevriend met de scheerbaas. Hij hangt als een hond aan hem.”

“O, voor Maerten sta ik in!” — was het antwoord van Hans, dat op een toon van zelfbewustheid gegeven werd. — “Ik ken hem als een trouwe zoon van de Kerk. En behalve dat — als hij hoge sprongen gaat maken, zal ik mijn vader …”

Maerten verstond de laatste woorden niet meer, hetzij dat Hans zachter sprak, hetzij dat woede over zoveel slechtheid hem het langer luisteren belette.

O, wat had hij een lust, om die laffe grootspreker, die praalhans, die judas, de kracht van zijn vuist eens te doen gevoelen! Dat zou hem een opluchting geven.

Maar neen, hij moest zich nog steeds bedwingen. De veiligheid van zijn vrienden gebood hem dit.

Hij grimlachte bitter.

Of de veerman te vertrouwen was? Ja, dát was hij. Maar niet door sluipmoordenaars, door lafaards, die zich bedienden van een praatzuchtig meisje en een halfwijze jongen!

Eindelijk toch nam Hans afscheid van de dokter. Deze zag nog even de zich snel verwijderende gestalte van de jongeling na, bromde iets en ging toen zijn huis binnen.

Maerten wachtte, tot Hans de hoek van de straat had bereikt. Toen, overtuigd, dat geen van de samenspanners iets van zijn tegenwoordigheid bemerkt had, verliet hij zijn schuilplaats. Even stond hij stil, rekte zijn stram geworden leden uit, en toen sloeg hij, met grote passen voortgaande, de weg naar de poort in.

“Dat mogen de Heiligen verhoeden!” — mompelde hij, — “dat die schurken de Meester en zijn vrouw te na komen. Een waardig drietal! Te zamen hebben ze in hun hele lijf nog geen durf, om openlijk voor de dag te komen. De nacht gebruiken ze en in de donkerheid broeden ze hun plannen uit. Maar we zullen eens zien, of Maerten Willems ze niet de loef afsteekt! De hond noemde de dokter me, de hond van Meester Jansz. Maar die hond zal van zich afbijten. Ik neem de strijd op. Als ze maar met een vinger de Meester of Anneke zullen aanraken, zal ik ze ranselen, dat ze in hun gehele lijf geen been meer heel voelen …”

De poortwacht verwonderde zich enige ogenblikken later over Maertens korte, afgemeten antwoorden. En toen hij, schertsend, de veerman in een goede luim wilde brengen, beet deze hem toe, dat hij niet kwam voor leuterpraatjes; hij wilde de poort uit.

“Dat kan gebeuren, man,” — zei de poortwachter. — “Hoe eerder u wilt, hoe liever dan. Een koude ontmoeting gehad vanavond? Ja, het vrouwvolk van tegenwoordig …”

Maerten was de poort al uit. Hij liet de man leuteren. Hij had wel wat anders te doen dan zijn tijd hier zoek te brengen. Op middelen moest worden gezonnen, om het voorgenomen verraad tegen te gaan. Dat hij de Meester waarschuwen zou, stond vast. Maar dat was nog niet genoeg. Hij moest beschermd worden ook. En wie zou in Brielle voor een ketter opkomen? Wie zou er, al was hem ook het leven geen oortje waard, zijn ziel in de waagschaal durven stellen?

Zijn ziel? Hu! Maerten rilde. Ook hij was beducht voor zijn zielsbehoud. Maar, goed beschouwd, was het wel kwaad, om onschuldigen te helpen ? Moesten luiaards en nietsdoeners en roddelaars worden geëerd en mensen, die met goed doen door het leven gingen, aan achterbaks verraad worden overgeleverd en in de gevangenis geworpen en verbrand en levend begraven?

Neen, bij alle Heiligen, neen! Dat zou nièt! Hij zou ze helpen en beschermen, hij zou — ondanks Kerk en overheid — voor Meester Jansz en zijn Anneke strijden, al zou het hem ook zijn schuit, ja zelfs ook zijn eigen vrijheid en leven kosten. Hij zou …

Maar hoe? … Maerten vond zijn moeder nog op hem wachten. 

“Wat ben ik ongerust geweest, jongen! Ik dacht niet anders, of …”

“Geen nood voor mij, moeder,” — viel hij haar in de rede. — “Ik moest na het gebeurde de Meester spreken. En u hebt gelijk gehad: hij is ziek. Maar weet u, moeder, wat nog erger is dan die kwaal ? …”

“Dat hij een ketter is?” — onderbrak de oude vrouw.

Even versomberde Maertens gelaat weer.

“Ja, ook dat!” — zei hij toen. — “Doch dát bedoel ik nu eigenlijk niet. Men staat hem naar het leven, hem en Anneke beide.”

“Wat?” — riep ze verschrikt. — “Hoe bedoelt u dat? Wie wil die twee mensen kwaad doen?”

Maerten vertelde nu, wat hij gezien en gehoord had. Onder zijn verhaal kon de oude vrouw haar aandoeningen soms niet bedwingen. En ze moest dan uiten, wat er in haar omging. Ze viel haar zoon bij in zijn sterke veroordeling van de schandelijke voornemens, die Hans en de twee anderen bezielden.

“Wat nu ?” — vroeg ze, toen Maerten aan het eind van zijn mededelingen was gekomen.

“Wel, nogal natuurlijk: ik help de Meester en ik zal zien, of ik ontdekken kan, welke duivelse plannen men met hem voor heeft.”

“Ja, goed zo, doe dat!” — stemde vrouw Willems toe. Maar toen, eensklaps, beving haar de vrees voor Maertens veiligheid en leven en ze riep: “Maar jongen, weet u wel, wat u begint? De plakkaten van de keizer zijn scherp tegen de ketters. Van de Wittenberger monnik moet hij zelf gezegd hebben, dat hij geen mens is, maar een duivel onder de specie van een mens, bedekt met het habijt van een religieuze. En wie zo’n Lutheraan helpt …”

“Maar de Meester is geen Lutheraan, moeder. Hij heeft mij zelf gezegd, dat niet te wezen!” — wierp Maerten tegen.

“Lutheraan of niet, toch is hij een ketter. En het zal dan met hem gaan als met Jan de Bakker en Wendelmoet Klaesdochter 

en …”

“Maar, moeder, hoe heb ik het nu met u? Eerst vindt u ’t heel goed, dat ik de Meester en Anneke helpen ga en nu begint u zo te spreken! Vergeet u nu, dat de Meester u het leven heeft gered, toen de dokter geen lust had, om te komen. Moet ik, nu de dokter hèm naar het leven staat, hèm, die u zo geholpen heeft en nu door dezelfde ziekte als onze Weijntgen …”

“Houd op, Maerten!” zei zijn moeder met bevende stem. — “U hebt gelijk: ik vergat, wie de Meester voor ons is geweest. Maar alleen de vrees voor u deed me zo spreken. Ik zag u ook reeds gevat en in de gevangenis en op de pijnbank!”

Geen nood. Dat zullen ze met mij niet doen. Ze zouden mij eerst moeten hebben en geloof me, dat ze zo dadelijk nog niet met mij klaar zouden zijn, als ze om mij kwamen … Maar praten we daarover niet meer, moeder. U vindt ’t dus goed, dat ik Meester Jansz en zijn vrouw te hulp wil komen? Maar dan moet u mij helpen.”

“Ik ?”

“Ja. Ik heb zó gedacht, dat het beter is, als ze mij nu niet te veel in het gezelschap van de Meester zien. En nu moet er een boodschap naar zijn huis. Gaat u nu naar hem toe. Of neen, beter nog: ga naar Anneke en zeg háár, dat ze voorzichtig moet zijn. Vertel haar maar niets van de dokter en zijn kornuiten; dat zou haar maar hinderen.”

“En verder?”

“I k vermoed, dat er vanavond of morgen wel eens veel mensen in hun huis konden komen. Nu moeten ze maatregelen treffen, dat die vrienden in één ogenblik kunnen verdwijnen … Verder weet ik nog niet, wat er moet gebeuren. Dat zal de naaste toekomst wel leren … Hè, mij dunkt, dat het wel een drukke dag voor me is geweest. En wie weet, wat voor werk ik morgen al niet te doen krijg. Ik wil tenminste trachten nog een ogenblik te slapen.”

Moeder en zon gingen beiden nu ter ruste. Maerten sliep al spoedig. Zijn lichaam had, na de geweldige krachtsinspanning van die middag en de hevige ontroeringen, die daarop gevolgd waren, wel rust nodig. Maar zijn geest rustte niet. Moeder Willems hoorde hem meermalen in de slaap kreunen en een enkele maal zelfs stiet hij, al droomend, een luide kreet uit. De oude vrouw kon niet slapen. De aandoeningen waren haar te machtig geweest. Al de gebeurtenissen van deze avond kwamen haar weer voor de aandacht. En welke droevige herinneringen, welke bange voorgevoelens verbonden zich daaraan niet! De ontdekking van ’s Meesters ziekte … de herinnering aan Weijntgens lijden en dood … en daarbij de Meester en zijn jonge vrouw ketters … die beiden in levensgevaar … Maerten, haar kloeke Maerten, mee in nood van lijden …

Ze kon het op haar bed niet uithouden. En in het donker viel ze neer voor het Mariabeeld in de hoek van de kamer; op de koude stenen knielde ze.

“O, heilige Moeder Gods!” — bad ze, snikte ze — “sta ons bij. Breng de Meester en zijn vrouw weer terug tot de Kerk. En o, bescherm ook mijn Maerten, mijn nog enig overgebleven kind!” 

 

* * *

 

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW