2 jaar geleden

Altijd goede moed (3)

Lezen: 2 Kor. 4:7-5:8

Wij hebben goede moed, veroorzaakt door onze zwakheid

Wij zijn slechts vaten, en wel aardse vaten, zwak en kwetsbaar; maar het gevoel van zwakheid veroorzaakt nooit een gebrek aan vertrouwen wanneer je verblijft in Gods tegenwoordigheid. God heeft eenvoudige en kwetsbare vaten uitgekozen, om Zijn heerlijkheid in hen te vestigen. Hij vult hen met de onuitsprekelijke rijkdom van Zijn eigen licht; en Hij heeft Zijn licht ontstoken, opdat het straalt! En als het licht schijnt uit het hart en leven, dan toont het de wereld – zij het ook op een zwakke wijze – de realiteit van Gods heerlijkheid in het aangezicht van Jezus Christus. Mochten toch de aardse vaten dit licht in een grotere glans bevatten. Het huidige ongeloof getuigt met zijn eigen mond en leven, dat de menselijke geest niet in staat is de Schriften te begrijpen. Zonder de Geest van God blijft het Woord van God in de hand van de mens een gesloten boek. Maar God zond Zijn Geest in de Zijnen, opdat er kracht van hen uitgaat tot Zijn verheerlijking op de aarde. Hij verandert niets aan het aarden vat, om dat te bereiken. Zou Hij dat doen, dan zou het vat misschien meer eer krijgen dan de inhoud. De uitbundigheid van de kracht is uit God en niet uit ons.

De zwakte van het vat blijft. Omstandigheden veranderen niet door de bekering. Er zijn christenen die verwachten dat ze door de wedergeboorte gouden vaten worden; maar zelfs als de schat waardevoller is dan goud, bezitten wij het “in aarden vaten”. Dus terwijl we de plaats als vaten behouden, bewerkt God, dat Christus uit ons schijnt, en dat bewijst dat de goddelijke schat in ons is. Omdat God ons daartoe bereid heeft, hebben we nu “altijd goede moed”.

Wij hebben goede moed in de beproevingen van het leven

Verdriet en pijn zijn het erfgoed van de mensenkinderen. De beproevingen moeten worden doorstaan, lijden is hun deel; en de christen heeft naast de beproevingen, waaraan alle mensen deel hebben, ook nog beproevingen die van een andere aard zijn. Hij heeft de Geest van God in zich, en daarmee heeft hij ogen, die zonde en verdriet zo zien zoals God het ziet. Hij heeft de gezindheid van Christus, en daarmee is hij in staat het hart van zijn Heer en Zijn wensen voor Zijn volk te kennen en het afwijken van de mens van Christus tot op zekere hoogte te begrijpen. Bovendien wordt hij geroepen voor Christus te lijden, in een wereld die tegen Christus is en ook altijd was. Maar zal lijden zijn triomfgezang het zwijgen opleggen?Hoor wat zulken zeggen, die geleden hebben zoals christenen in onze dagen dat zelden moeten: “in alles verdrukt, maar niet benauwd; geen uitweg ziende, maar niet geheel zonder uitweg; vervolgd, maar niet verlaten; neer geworpen, maar niet omgekomen” (2 Kor. 4:8). Nee, deze beproevingen riepen in hun leven een welriekende geur tevoorschijn. Deze mensen waren als kruiden, die, wanneer zij klein gestoten worden, haar geur ontvouwen zoals het gras, dat, wanneer het wordt gesneden, de lentelucht met een zoete geur vervult. Zoals zij het sterven van Jezus in hun lichaam omdroegen, zo werd ook het leven van Jezus, Zijn schoonheid en Zijn genade, in hun sterfelijk lichaam geopenbaard.

In de hemel, in verheerlijkte lichamen, zal van de Zijnen de geur van Christus uitgaan, maar ook op de aarde, in zwakke, sterfelijke lichamen, moet de openbaring van Jezus’ leven in ons te zien zijn. Men zal moeten toegeven, dat degenen wier harten het meest weten van de verheerlijkte Christus, ook in hun leven het meeste van de gekruisigde Christus laten zien. Het kennen van een verheerlijkte Christus is als het zeil van een boot, dat de hemelse wind vangt en de boot hemelwaarts versnelt; het omdragen van het sterven van Jezus in het lichaam is de stabiliteit van de ziel, die hen in golven en stormen staande houdt. Het hart dat met de Persoon van de Verheerlijkte vervuld is, is vervuld met een Voorwerp, dat de kracht en de energie van het goddelijke leven oproept en ons naar de hemel en Christus drijft. Het hart dat vervuld is met Christus’ dood – door Wie voor mij de wereld gekruisigd is en ik voor de wereld (Gal. 6:14) en door Wie de oude mens met Christus gekruisigd is (Rom. 6:6) – is met een sterke en op Christus gelijkende geest vervuld, die de stappen daarheen leidt, dat zij de weg volgen, die de Heer hier op aarde gegaan is. Het is een praktisch woord dat we in het lichaam het sterven van de Heer Jezus – de dood aan het kruis – omdragen, zodat het leven (het karakter) van Jezus in ons sterfelijk lichaam openbaar zou mogen worden.

Ze groeien dagelijks door het lijden en verdriet, worden steeds meer aan hun Meester gelijk, openbaren het leven van Jezus in de alledaagse dingen, en in dit lijden en vervolgingen hoort men weer het door God gegeven woord van hun lippen: “Daarom hebben we altijd goede moed”.

Wij hebben goede moed wanneer de marteldood dreigt

Zelfs dat doet hun vertrouwen niet wankelen. Uren strijd, beproevingen, moeilijkheden waren het deel van deze nobele mannen en ze moesten het aanzien hoe sommige harten zich van Christus afwendden en er bij anderen van Gods volk problemen waren, en vooral dreigde de marteldood. “Want wij die leven, worden altijd aan [de] dood overgegeven om Jezus’ wil” (2 Kor. 4:11). Maar hun roep van de overwinning van het geloof nam daardoor niet af. Aan het einde zou de tegenwoordigheid van Hem staan, Die voor hen stierf. “Daarom hebben we altijd goede moed”.

Wij hebben goede moed in het aangezicht van de dood

Laten we de dood rustig tegemoet zien; hij kan ons binnenkort achterhalen. Hoe zullen wij de “koning van de verschrikkingen”, zoals de wereld hem noemt, begroeten, die God, als Hij spreekt over Zijn volk, beschrijft als een slaap? Met deze woorden: “Want wij weten, dat als onze aardse tent waarin wij wonen, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, een eeuwig [huis] in de hemelen”! (2 Kor. 5:1). “Wij weten”! Wat een zekerheid; en weer is het vertrouwen gebaseerd op God. De vervallende tent wordt uitgewisseld tegen het gebouw van God. Het is waar dat God ons lichaam uit stof gemaakt heeft en dat we aan Hem ons bestaan op aarde te danken hebben, maar de zonde heeft de schoonheid van onze tent verdorven. Ze is tot verval gekomen. De dood zal het afbreken. Wat dan? In de aarde gelegd, zal het niet meer gevonden worden. Maar een bestendig gebouw zal opstaan, een huis dat elke verloste geest wordt, een eeuwig huis in de hemel. God heeft een opstandings-lichaam voor ons in de toekomst en een huis in de heerlijkheid, die op ons wachten.

En God Zelf heeft het bewerkt. Ja nog meer: Als de dood komt, zullen we ons verblijf in het lichaam verlaten1 (2 Kor. 5:8) en bij de Heer zijn; dan zal Jezus Zelf op een bijzondere manier in het uur van de dood bij ons zijn. Want net zoals de zwakheid van het kind de speciale zorg van zijn moeder nodig maakt, zo roept de zwakheid van de Zijnen in het uur van hun dood op een opmerkelijke wijze de tedere zorg van de Heer voor hen tevoorschijn. Het kan gebeuren, dat, wanneer de voeten van een gelovige aan de oevers van de Jordaan komen, het hart de koude voelt als in diens water. Hij mag weten van de vergeving en zeker zijn van de heerlijkheid, en toch misschien ontbreekt het hem aan de vreugde om naar huis te gaan. Ik herinner me een voorbeeld daarvan.

De zuster die ik bedoel, had al jarenlang de zegeningen van het christelijk leven gekend en had geen twijfels over haar redding en zei toch, toen de dood naderde: “Alles lijkt zo donker en eenzaam”. Het woord: “Ik ben met u” was het dat de duisternis in licht en eenzaamheid in vreugde veranderde. “Ik ben nu niet alleen”, zei ze, “Jezus is bij mij. Zijn Persoon en ook Zijn werk vullen nu mijn ziel”. En zo stak zij de rivier over, wiens waterkracht door Zijn dood voor de Zijnen 1800 jaren geleden (nu ruim 2000 jaren) brak.

De apostel kon in zijn diepe vertrouwdheid met de Persoon van de Heer Jezus zeggen: “Maar we hebben goede moed en willen liever ons verblijf in het lichaam verlaten en bij de Heer inwonen” (2 Kor. 5:8). En ook wij mogen, wanneer we zien waartoe God ons bereid heeft, tot uitdrukking brengen: “Daarom hebben wij altijd goede moed” (2 Kor. 5:6a).

H. Forbes Witherby, © Bibelstudium.de

NOTEN VERTALER:
1. Eigenlijk ‘liever uit het lichaam uitwonen’; verg. ‘uitwonend’ in vs. 9.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol