11 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (34)

Hoofdstuk VII

Deel 1: 32-814 n. Christus

De regering van Hadrianus en van de Antonijnen.

van 117 tot 180.

Hoewel het onbillijk zou zijn Hadrianus en de eerste Antoninus te rangschikken onder de stelselmatige vervolgers van de gemeente, werden niettemin onder hun regeringen de Christenen menigmaal blootgesteld aan hevige martelingen en de dood. De wrede gewoonte om alle openbare rampen toe te schrijven aan de Christenen, en hun bloed te eisen als een verzoening voor de beledigde goden hield voortdurend aan; en de plaatselijke bestuurders gaven er meestal aan toe, terwijl de onverschillige keizers er zich niet tegen verzetten. Maar onder de regering van de tweede Antoninus, Marcus Aurelius, nam de vervolging behoorlijk toe. Zij beperkte zich niet langer tot de uitbarstingen van de volkswoede, maar werd aangemoedigd door het hoger gezag. De zwakke bescherming, welke de dubbelzinnige edikten van Trajanus, Hadrianus en Antoninus aan de Christenen verleenden, werd ingetrokken, en de geprikkelde hartstochten van de afgodische heidenen werden door de regering niet tegengegaan. Het is belangrijk voor de lezer van de kerkgeschiedenis te zien hoe dit kon plaatsgrijpen onder de regering van een vorst, die zich onderscheidde door geleerdheid, wijsbegeerte en algemene zachtmoedigheid van karakter.

De verlopen zestig jaren van betrekkelijke rust hadden ruime gelegenheid aangeboden voor de verbreiding van het evangelie. Gedurende dit tijdvak maakte het snelle vorderingen op velerlei manieren. Christelijke vergaderingen wonnen in aantal, invloed en welstand op elk gedeelte van het Romeinse gebied. Vele rijken, door liefde gedreven, deelden hun inkomen met de armen, reisden naar streken, waar het evangelie vroeger niet gehoord was, en gingen, na het Christendom daar gevestigd te hebben, naar andere plaatsen. De Heilige Geest kon niet alzo werken zonder de naijver op te wekken en de vijandschap levendig te maken van hen, die de nationale godsdienst voorstonden. Aurelius zag met een boos oog de meerderheid van het Christendom over de menselijke geest boven zijn eigen, heidense filosofie. Hij werd dus een onverdraagzaam vervolger, en spoorde de gewestelijke overheden aan om te verbreken en te onderdrukken, wat hij beschouwde als een geest van weerspannigheid tegen zijn keizerlijk gezag. Maar het evangelie van de genade van God was ver boven het bereik van Aurelius; en noch zijn zwaard noch zijn leeuwen konden zijn zegevierende loop stuiten. Ondanks de bloedige vervolging die hij verwekte of wettigde, werd het Christendom door de ganse bekende wereld verbreid.

Maar er ligt iets diepers ten grondslag aan de verandering in de houding van de regering tegenover de gemeente, dan door het blote historische oog kan worden waargenomen. Wij geloven nu genaderd te zijn tot het einde van het eerste en het begin van het tweede tijdvak van de kerkgeschiedenis.
De Efezische periode van de gemeente kan gerekend worden te eindigen met de dood van Antoninus Pius in het jaar 161; en de Smyrnasche periode begint dan met de regering van Marcus Aurelius. De vervolging in Klein-Azie brak los in 167, tengevolge van de nieuwe edikten van de keizer; en Smyrna leed vooral zeer veel. De met recht hooggeachte Polycarpus, bisschop van Smyrna, werd omstreeks die tijd ter dood gebracht. Maar om onze beschouwingswijze te rechtvaardigen, willen wij in het kort de brieven aan de gemeente van Efeze en die van Smyrna nagaan.

De brief aan de gemeente te Efeze

Openbaring 11 vers 1-7.

Het grote doel van de gemeente in deze wereld was om te zijn “de pilaar en grondslag van de waarheid”. Zij bestond om een lichtdraagster voor God te zijn. Haar symbool was “een gouden kandelaar”, een werktuig, dat het licht draagt. Zij behoorde te zijn een getrouwe getuige van wat God geopenbaard heeft in Jezus, zoals Hij was vroeger op aarde, en zoals Hij is nu in de hemel. Wij leren verder uit deze brief, dat de gemeente, als een getuige in deze wereld, bedreigd werd met terzijdestelling, indien zij in haar eerste staat niet bleef. Maar, helaas! zij faalde, gelijk het schepsel altijd doet. De engelen, Adam, Israël, de gemeente, zij bewaarden hun beginsel niet. “Ik heb tegen u”, zegt de Heer, “dat gij uw eerste liefde verlaten hebt. Gedenk dan, waarvan gij afgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken. En zo niet, Ik kom tot u, en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als gij u niet bekeert”.

Daar was echter nog altijd veel, dat Hij kon prijzen; en Hij prijst werkelijk al wat prijzenswaardig is. Als gemeente bezaten zij volharding; zij hadden gearbeid, en waren niet moe geworden; Zij konden de bozen niet verdragen, hen, die de eerste plaats in de gemeente zochten in te nemen. Maar dat zij zoveel hart niet hadden voor Hem, gevoelt Hij niettemin. “Gij hebt uwe eerste liefde verlaten”. Hij spreekt als iemand, die teleurgesteld is. Zij hadden opgehouden zich te verlustigen in de liefde, die Hij voor hen koesterde, en als gevolg daarvan nam hun liefde voor Hem in dezelfde mate af. De “eerste liefde” is de gezegende vrucht van het op prijs stellen van de liefde van de Heer tot ons. Het getuigenis naar buiten kan misschien voortgaan; maar dat is niet, wat de Heer in de eerste plaats zoekt, hoezeer Hij dat getuigenis waardeert, als het eenvoudig, oprecht en getrouw is. Het meest van alles prijst Hij toch een hart, dat Hem is toegewijd, als de vrucht van Zijn eigen, zelfopofferende en volmaakte liefde.

Hij heeft een bruid op de aarde, die Hij verlangt bezig te zien met geen ander voorwerp dan Hemzelf en die zich rein bewaart voor Hem van de wereld en haar handelingen. God heeft ons daartoe geroepen: niet alleen tot behoudenis en tot getuigenis voor Hemzelf door een godvruchtige wandel; maar om toe te behoren aan Christus, om de bruid te zijn voor Zijn Zoon! Dit behoort onze eerste en laatste, onze voortdurende en kostelijkste gedachte te zijn; want wij zijn verloofd aan Christus, en Hij althans heeft de volheid en getrouwheid bewezen van Zijn liefde tot ons,

De toestand in Efeze en in de kerk over het geheel maakte de tussenkomst van de Heer in getrouwe tucht noodzakelijk. De gemeente, zoals Paulus ze geplant had, was al uit haar eerste staat vervallen. Allen zoeken het hunne”, zegt hij, “niet wat van Jezus Christus is”. En opnieuw: “Allen, die in Azië zijn, hebben zich van mij afgewend”. Zo moest de verdrukking volgen, waarvan in de brief aan Smyrna gesproken wordt. Hoewel de Heer vol is van genade en liefde in al Zijn handelingen met Zijn gevallen en falende gemeente, toch is Hij tevens rechtvaardig, en moet Hij het kwade oordelen. Hij wordt niet gezien in deze brieven als het Hoofd in de hemel van het éne lichaam noch als de Bruidegom van Zijn bruid, maar in zijn rechterlijk karakter, wandelende in het midden van de gouden kandelaars met de tekenen van een rechter aan Zich (zie Openb. 1).

De lezer zal opmerken, dat er een zekere afstand en terughouding is in de toon van de brief aan de gemeente te Efeze. Dit is in overeenstemming met de plaats, die Hij inneemt in het midden van de gouden kandelaars. Hij schrijft aan de engel van de gemeente, niet “aan de heiligen en getrouwen in Christus Jezus, die te Efeze zijn”, zoals Paulus doet in zijn brief.

Er is veel geredeneerd over wat men te verstaan heeft onder de engel. Ik geloof, dat het een persoon was, die zedelijk aldus vereenzelvigd werd beschouwd met de gemeente, dat hij ze vertegenwoordigde. De Heer richt zich tot de engel, niet rechtstreeks, tot de gemeente. De “engel” geeft daarom het denkbeeld van vertegenwoordiging aan. Zo hebben wij, als voorbeeld, in het Oude Testament de engel des Heeren, de engel van het verbond; en in het Nieuwe Testament de engelen van de kleine kinderen, en (in Hand. 12) de engel van Petrus.

De brief aan de gemeente te Smyrna

Openbaring 2 vers 8-11.

Onze belangstelling in de geschiedenis van de gemeente neemt zeer toe, wanneer wij zien, dat de Heer haar opeenvolgende tijdvakken zelf heeft aangeduid. De uitwendige toestand van de gemeente tot aan de dood van de eerste Antoninus – voorzover hij uit de nauwkeurigste bronnen kan worden opgemaakt – beantwoordt op een merkwaardige wijze aan hetgeen wij leren uit de Schrift, en in ‘t bijzonder uit de brief aan Efeze. Er bestond uitwendige vastheid en ijver; zij waren onvermoeid. Het blijkt eveneens, dat er was liefde, reinheid, vroomheid, heilige moed, zelfs volkomen bereidheid om voor de Heer te lijden. Nochtans is uit de Schrift en uit  de geschiedenis duidelijk, dat de valse leeringen opkwamen, en dat velen een streven aan de dag legden om in de gemeente de voorrang te verkrijgen. Het vergeten van zichzelf, om alleen te zorgen voor Christus en Zijn verheerlijking, hetwelk alleen de vrucht is van Zijn genade, was niet meer zoals vroeger aanwezig. Feitelijk ontstond nu de Smynase periode. Voor het gemak van de lezer geven wij hier de gehele brief weer.

“En schrijf aan de engel de gemeente te Smyrna: Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest en weer levend geworden: Ik weet uw verdrukking en uw armoede, – maar gij zijt rijk – en de lastering van hen die zeggen, dat zij Joden zijn, en het niet zijn, maar een synagoge van de satan. Vrees niets van wat gij lijden zult. Zie, de duivel zal [sommigen]van u in de gevangenis werpen, opdat gij beproefd wordt, en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot de dood en Ik zal u de kroon des levens geven. Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint zal op geen enkele wijze van de tweede dood schade lijden”.

Hier komt de Heer het verval tegen met smartelijke verdrukking. Zachtere middelen hadden aan het doel niet beantwoord. Dit gebeurt meermalen; hoewel de gelovigen te Smyrna kunnen gedacht hebben, dat hun “iets vreemds” overkwam. Maar de Heer kende de maat en de zwaarte van hun beproevingen, en had het bestuur over alles. Ook de duur van hun lijden is nauwkeurig bepaald. “Gij zult een verdrukking hebben van tien dagen”. En Hij spreekt tot hen als iemand, die persoonlijk met verdrukkingen had kennis gemaakt. “Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en weer levend geworden”. Hij was door de diepste smart heengegaan, ja, door de dood zelf; want Hij was voor hen gestorven, en weer levend geworden. Zij hadden deze onschatbare Persoon als een toevlucht in al hun beproevingen. En als Hij rondziet en wandelt in het midden van de Zijnen, die lijden, zegt Hij: “Wees trouw tot de dood en Ik zal u de kroon des levens geven”. Zo houdt Hij de martelaarskroon in Zijn hand, gereed om ze te drukken op het hoofd van de getrouwe overwinnaar.

Nu zullen wij, tot de geschiedenis terugkerend, haar overeenkomst met bovengenoemde brief opmerken.

Het tweede tijdvak der kerkgeschiedenis

beginnende omstreeks het jaar 167.

De regering van Marcus Aurelius werd onder het bestuur van God gekenmerkt door vele en grote volksrampen. Wij zien de hand van de Heer in trouwe liefde Zijn eigen, verlost en bemind volk kastijden; maar Zijn toorn was ontbrand tegen hun vijanden. Het oosterse leger onder Verus, terugkerende uit de oorlog met Parthië, bracht naar Rome over de plaag van een besmettelijke, pestziekte, die toen in Azië woedde, en in korte tijd haar verwoestingen aanrichtte door het gehele Romeinse gebied. Ook was er een grote overstroming van de Tiber, die een aanmerkelijk deel van de stad onder water zette, en kolossale hoeveelheden koren van de velden en uit de publieke magazijnen wegspoelde. Deze rampen werden als vanzelf gevolgd door een hongersnood, die honderden wegraapte.

Dergelijke gebeurtenissen konden niet nalaten de vijandschap van de heidenen tegen de Christenen wakker te maken. Zij schreven al hun noden toe aan de wraak van de goden, die door de nieuwe godsdienst ongetwijfeld was opgewekt. Zo begon de vervolging van de Christenen in het Romeinse rijk van de kant van het volk. Het geroep tegen hen rees op uit de lagere klassen tot de stadhouders. “Werp de Christenen voor de leeuwen”, was de algemene roep; en de namen van de voornaamsten in de gemeente werden met onbeteugelde boosaardigheid afgevraagd. Een zwakke of bijgelovige overheid moest wel beven op de stem van zulk een verwoede hoop, en zich tot het werktuig van hun bozen wil maken.

Maar wij zullen, onder de leiding van de verschillende berichtgevers die wij hebben, de bijzonderheden van deze vervolgingen en het gedrag van de Christenen daaronder in ogenschouw nemen.

De vervolging in Azië

In Klein-Azie brak de vervolging met tot nog toe ongekende hevigheid uit. Het christen-zijn werd nu beschouwd als een rechtstreekse misdaad tegen de staat. Daardoor veranderde de gehele toedracht van zaken. In tegenoverstelling met het schrijven van Trajanus en de handelwijze van nog zachtmoediger keizers, als Hadrianus en Antoninus, werden de Christenen. opgespoord als gemene misdadigers. Door het opgewonden volk werden zij uit hun huizen. gesleurd en aan de vreselijkste pijnigingen onderworpen. Weigerden zij standvastig aan de goden te offeren, dan werden zij ter dood veroordeeld. De wilde dieren, het kruis, de brandstapel, de bijl waren de verschillende middelen, waardoor de getrouwen de Heer allerwege omgebracht werden.

De voorzichtige en waardige Melito, bisschop van Sardis, werd zo bewogen door deze ongehoorde barbaarsheden, dat hij voor de keizer verscheen als voorspraak van de Christenen. Zijn woorden werpen veel licht over de wetten, zowel als over het gedrag de overheid. Hier volgen zij: “Het geslacht van de aanbidders van God in dit land wordt vervolgd als nooit te voren volgens nieuwe edikten; want de schaamteloze pluimstrijkers, belust naar de bezittingen van anderen – waartoe deze edikten hun gerede aanleiding geven -, plunderen hun onschuldige slachtoffers dag en nacht. En het zij zo, indien het geschiedt op uw bevel, daar een rechtvaardig keizer nooit tot enigen onrechtvaardige maatregel zal besluiten; wij willen dan met blijmoedigheid ons aan zulk een voor ons vererende dood onderwerpen. Toch wensen wij dit enkele verzoek tot u te richten, namelijk, dat gij onderzoek doet naar de lieden, die de strijd opwekken, en dan onpartijdig beslist, of zij straf en dood, dan wel loslating en vrede verdienen. Indien echter dit nieuwe edikt – een edikt, dat zelfs niet tegen vijandelijke barbaren mocht uitgevaardigd worden – van uzelf afkomstig is, bidden wij u te meer ons niet overgegeven te laten aan zulk een openbare roverij”*.

Er is, naar wij vrezen, geen grond om te geloven, dat dit moedig beroep enige onmiddellijke verlichting voor de Christenen aanbracht. Het karakter en de handelingen van Aurelius hebben de geschiedschrijvers in verwarring gebracht. Hij was een filosoof van de sekte de Stoïcijnen, maar van nature menselijk, welwillend, innemend en godsdienstig, zelfs kinderlijk van aard, volgens sommigen als een gevolg van de opvoeding van zijn moeder; en met dat al was hij een onverzoenlijk vervolger van de Christenen gedurende bijna twintig jaren. En de verwarring is nog groter, als wij de blik slaan naar Azië, want de proconsul van die tijd was geen persoonlijke tegenstander van de Christenen. Toch gaf hij toe aan de woede van het volk en de eisen van de wet. Het geloof ziet echter over keizers en stadhouders en volk heen op de vorst van de duisternis, die de boze mensen regeert, en op de Heer Jezus, die boven allen staat. “Ik weet uw verdrukking en us armoede … vrees niets van wat gij lijden zult … Wees trouw tot de dood en Ik zal u de kroon des levens geven … Wie overwint zal op geen enkele wijze van de tweede dood schade lijden”.

Aurelius met al zijn filosofie, was geheel vreemd aan de liefelijkheid en kracht van die Naam, die alleen de behoeften van het menselijk hart kan vervullen en bevredigen. Al de redenering en de ijdele roem van de filosofie heeft dit nooit kunnen doen. Vandaar de vijandschap van het menselijk hart tegen het evangelie. Zelfgenoegzaamheid, die tot hoogmoed en laatdunkendheid leidt, maakt het voorname deel uit van het stoïcijnse stelsel. Voor ootmoed, gevoel van zonde, behoefte aan een verlosser is daar geen plaats. Hoe ernstiger en oprechter men dit stelsel aanhangt, hoe bitterder en heviger de vijandschap tegen het Christendom wezen moet.

In een rondgaande brief, aan andere christelijke gemeenten door die van Smyrna gezonden, hebben wij een omstandig verhaal van het lijden van hen, die getrouw waren tot de dood. “Door alles toonden zij”, zo luidt deze brief, “dat zij, midden in het lijden, uit het lichaam uitwoonden, of liever dat de Heer bij hen stond en in hun midden wandelde; en steunende op de genade van  Christus, doorstonden zij de hevigste martelingen, die de wereld hun aandeed”.  Enkelen die door een wonderlijke, plotselinge geestdrift aangegrepen werden, snelden in zelfvertrouwen naar de rechters, en maakten zich als Christenen bekend; maar wanneer de overheid op hen aandrong, hun vrees opwekte, hun de wilde beesten liet zien, gaven zij toe en offerden aan de goden. “Wij prijzen daarom”, zo vervolgt de brief, “geenszins de zodanigen, die zich vrijwillig aanboden; want zulks wordt ons niet in het evangelie geleerd”. Niets minder dan de tegenwoordigheid van de Heer Jezus kon de ziel sterken tot het verdragen met kalmte en bedaardheid van de ijselijkste pijnigingen en de akeligste dood. Maar duizenden hebben met zachtmoedigheid, opgeruimdheid, ja zelfs blijdschap, het uiterste doorstaan, wat de macht van de duisternis en die van Rome konden uitdenken. De heidense toeschouwers werden menigmaal tot medelijden bewogen; maar konden nimmer hun bedaardheid van geest, liefde tot hun vijanden en bereidwilligheid tot sterven verklaren.

Na dit algemeen overzicht van de vervolging in Azië, geven wij nu het verhaal van de marteldood van twee uitstekende mannen uit die tijd, namelijk Justinus en Polycarpus.

(*) Neander’s Kerkgeschiedenis. Deel 1.

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord de Waarheid”, Postbus 260 7120 AG Aalten

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW