13 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (3)

De gemeente van God en het koninkrijk der hemelen zijn niet hetzelfde. Het vereenzelvigen van deze twee dingen heeft al grote verwarring veroorzaakt in de kerkgeschiedenis …

Deel 1: 32 – 814 n. Christus

Christus de enige bouwmeester van Zijn gemeente

Het gebouw, waartegen list noch geweld van de vijand iets vermag, is Christus’ eigen werk. hoewel wij ook van andere bouwmeesters lezen. “Op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen” (Mattheüs 16:18). Het is goed, dat wij duidelijk zijn op dit punt, zodat wij niet verwarren hetgeen de mens bouwt met wat door Christus Zelf gebouwd wordt. Als dit onderscheid niet wordt gemaakt, moet de grootste verwarring heersen, zowel aangaande de waarheid van God, als aangaande de tegenwoordige toestand van het Christendom. Het is dus van belang hier te herinneren, dat Christus de enige Bouwmeester van Zijn gemeente is; alhoewel Paulus en Apollos en alle ware evangeliepredikers dienaars zijn, door wie zondaars tot Christus komen. Het werk van de Heer in de zielen van hen, die tot het geloof komen, is volmaakt. Het is een wezenlijk, geestelijk, persoonlijk werk. Door Zijn genade in hun harten komen zij tot Hem Zelf, als tot een levende steen en worden gebouwd op Hem, die uit de doden is opgestaan. Zij hebben “gesmaakt dat de Heer goedertieren is”. Zodanig zijn de levende stenen, met welke Christus Zijn heilige tempel bouwt en de poorten van de hades zullen die nimmer overweldigen. Alzo zijn Petrus, en al de apostelen, en alle ware gelovigen, gebouwd tot een geestelijk huis. Wanneer Petrus van dit huis spreekt in zijn eerste brief, zegt hij niets van zichzelf als bouwmeester. Het is Christus, die hier de Bouwmeester is. Het is Zijn werk, en het Zijne alleen. “Ik zal bouwen”.

Laten we nu eens zien uit Gods Woord wat de mens bouwt, welke bouwstoffen hij gebruikt, en op welke wijze hij te werk gaat. In 1 Korinthe 3 en 2 Timotheüs 2 worden ons deze dingen meegedeeld. “Een groot huis” wordt door middel van mensen opgetrokken, hetwelk echter in zekere zin tegelijk de gemeente, het huis van God, is, zoals wij in 1 Timotheüs 3 lezen van “het huis van God, dat is de gemeente van de levende God”. Er wordt ook over gesproken als het huis van Christus, “Wiens huis wij zijn” (Hebreeën 3:6). Het huis als zodanig werd echter op een treurige wijze verdorven door de menselijke zwakheid en verkeerdheid. Het gezag van Gods Woord werd door velen terzijde gesteld, en de menselijke wil werd oppermachtig. Het gevolg van de menselijke filosofie, toegepast op de eenvoudige instellingen van Christus, werd weldra smartelijk openbaar. Hout, hooi en stro kunnen nooit “behoorlijk samengevoegd” worden met goud, zilver en kostbare stenen. Het huis werd groot in de wereld, zoals het mosterdzaad een boom wordt, waarin velen een geschikt verblijf vinden. Verbinding met het “grote huis” verschaft iemand aanzien in de wereld, in plaats van, zoals de Meester, veracht en verworpen te worden. De aartsbisschop in vele landen volgt in rang op de koning. En de belijdende kerk is niet alleen uitwendig groot, zij maakt grote aanspraken, en poogt het zegel van God op haar eigen, onheilig werkstuk te drukken. Dit is haar grootste verdorvenheid, en de bron van haar blindheid, verwarring en wereldse gezindheid. Paulus, als een uitverkorene van de Heer om Zijn werk te doen, legde de grondslagen van het gebouw van God in Korinthe, en anderen bouwden daar op. Zij bouwden echter niet allen met Goddelijke bouwstoffen. Het ware fundament was gelegd, en ieder “zie toe, hoe hij er op bouwt”. In verbinding met het wezenlijke fundament kon iemand goud, zilver en kostbare stenen bouwen, en een ander hout, hooi en stro. Dat wil zeggen: de een kon de gezonde leer onderwijzen, en naar levend geloof zoeken bij allen, die in gemeenschap wensten te komen; de ander kon ongezonde leringen voortbrengen, en in de gemeenschap personen toelaten, in wie geen levend geloof gevonden werd, maar in plaats daarvan de loutere uitwendige waarneming van inzettingen. Hierdoor kwam het mensenwerk en zijn gebrekkigheid naar binnen. Nochtans kon degene, die gebouwd had, zelf behouden worden, als hij het geloof in Christus deelachtig was; zijn werk alleen werd verbrand. Wij geven voor de lezer de desbetreffende Bijbelplaats, die zeer duidelijk is. “Naar de genade van God, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en een ander bouwt er op maar een ieder zie toe, hoe hij er op bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen, dan wat er ligt, dat is Jezus Christus. Als nu iemand op dit fundament bouwt: goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi, stro, – ieders werk zal openbaar worden. Want de dag zal het aan het licht brengen, omdat hij in vuur geopenbaard wordt, en hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven. Als iemands werk, dat hij daarop gebouwd heeft, zal blijven, zal hij loon ontvangen; als iemands werk zal verbranden, zal hij schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch zó als door vuur … Als iemand de tempel van God verderft, God zal hem verderven” (1 Korinthe 3:10-17).

Wij kunnen verder, met betrekking tot de uitspraak van de Heer: “op deze rots zal ik Mijn gemeente bouwen”, opmerken, dat Hij toen nog niet begonnen was met bouwen. Hij kondigt aan, wat Hij voornemens is te doen. Hij zegt niet: Ik heb gebouwd, of Ik ben bezig te bouwen, maar Ik zal bouwen; en hij begon daarmee op de Pinksterdag. Maar er is een andere waarheid, zeer nauw verbonden met de geschiedenis van de gemeente, wat haar toestand en haar karakter op deze aarde betreft, die wij moeten beschouwen, voordat we haar werkelijke geschiedenis vervolgen, namelijk hetgeen vervat is in de woorden:

De sleutels van het koninkrijk der hemelen

Hier worden wij verwezen naar het reeds vermelde “grote huis” van uitwendige belijders. Wij moeten tevens in gedachtenis houden, dat, hoezeer nauw aan elkaar verbonden, het koninkrijk der hemelen en het grote huis niettemin onderscheiden zijn. De hele wereld behoort rechtens aan de Koning. “De akker is de wereld”. Zijn knechten gaan uit om te zaaien. Hetgeen ontstaat is een groot huis of met andere woorden de Christenheid1. Wanneer, echter al hetgeen slechts in naam Christelijk is, zal worden te niet gedaan, dan zal het koninkrijk gevestigd worden in kracht en heerlijkheid. Dit zal het duizendjarig rijk zijn.

Voortgaande tot Petrus te spreken, zegt de Heer: “En Ik zal u geven de sleutels van het koninkrijk der hemelen”. De gemeente, te bouwen door Christus, en het koninkrijk der hemelen, te openen door Petrus, zijn zeer verschillende dingen. Het behoort tot de grote, maar algemene vergissingen van de Christenen deze uitdrukkingen met elkander te verwisselen, alsof zij hetzelfde zou betekenen. En godgeleerde schrijvers van alle eeuwen, van de grondgedachte uitgaande, dat tussen deze twee generlei verschil is, hebben zowel de gemeente als het koninkrijk zeer verward voorgesteld. De uitdrukking “koninkrijk der hemelen” staat met bedeling in verband, gelijk de bijna gelijkluidende “koninkrijk Gods” een zedelijke strekking heeft. En tenzij wij bekend zijn met de verschillende “bedelingen” van God, is het onmogelijk zijn Woord recht te snijden. Hetgeen Christus Zelf bouwt en hetgeen de mens, als een werktuig, te voorschijn brengt door prediking en doop, moet niet met elkaar verward worden. De gemeente, als het lichaam van Christus, wordt gebouwd op de belijdenis, dat Hij de Zoon van de levende God is, in de opstanding verheerlijkt. Iedere waarlijk bekeerde ziel is verbonden met Christus Zelf, alvorens zij op enigerlei wijze verbonden is met de gemeente. Het koninkrijk der hemelen is een ruimere kring, en omvat elke gedoopte, de gezamenlijke Christenbelijders, hetzij ware of valse.

Christus zegt niet tot Petrus, dat Hij hem de sleutels zal geven van de gemeente, noch van de hemel. Had Hij dit gedaan, dan zou er enige schijngrond gegeven zijn voor het stelsel van het pausdom. Hij zegt alleen: “Ik zal u geven de sleutels van het koninkrijk der hemelen” of van de nieuwe bedeling. Sleutels, zoals terecht opgemerkt is, strekken niet om tempels te “bouwen”, maar om deuren te “openen”; en de Heer gaf aan Petrus de eervolle opdracht om de deur van het koninkrijk te openen, eerst voor de Joden (Handelingen 2), daarna voor de heidenen (Handelingen 10). De taal van Christus aangaande de gemeente luidt geheel anders. Zij is eenvoudig, schoon, nadrukkelijk en ondubbelzinnig: “Mijn gemeente”. Wat ligt er niet in deze twee woorden besloten! Indien het hart in gemeenschap is met Christuste ten opzichte van Zijn gemeente, zal er enig begrip wezen van Zijn genegenheden voor haar, gelijk die in menselijke taal moeilijk uit te spreken zijn. “Mijn gemeente!” wie vermag voor te stellen, hoezeer het hart van Christus daarin betrokken is? Wederom deze andere twee woorden: “deze rots”. Het is, alsof Hij zei: De heerlijkheid van Mijn Persoon, en de kracht van Mijn opstandingsleven maken de onbewegelijke grondslag uit van “Mijn gemeente”. En dan: “lk zal bouwen”. Uit deze zeven woorden tezamen is duidelijk, dat alles in Christus’ eigen handen is, voor zover het de gemeente geldt als “Zijn lichaam, de volheid van Hem, die alles in allen vervult” (Efeze 1).

De opening van het koninkrijk der hemelen

Het beheer over het koninkrijk droeg de Heer, zoals wij gezien hebben, in het bijzonder aan Petrus op. De uitdrukking zelf van “koninkrijk der hemelen” is ontleend aan het Oude Testament (zie Daniël 2 en 7). In Daniël 2 hebben wij het koninkrijk; in Daniël 7 de koning. Van de evangelisten is het alleen Mattheüs, die bepaald voor Israëlieten schrijft, bij wie wij het koninkrijk der hemelen vermeld vinden.

De invoering van het koninkrijk der hemelen in kracht, en heerlijkheid op de aarde, in de persoon van de Messias, maakte de natuurlijke verwachting uit van iedere Godvrezende Jood. Johannes de doper, als voorloper van de Heer, verkondigde dat het koninkrijk der hemelen nabij was. In plaats dat de Joden echter hun Messias aannamen, verwierpen en kruisigden zij Hem; als gevolg daarvan werd het koninkrijk, zoals de Joden dat verwachten, terzijde gesteld. Niettemin werd, het in een andere vorm ingevoerd. Het nam een aanvang, toen de verworpen Messias ten hemel voer, en plaats nam aan de rechterhand van God, de zegepraal behaald hebbende over elke vijand. De koning is nu in de hemel en, zoals Daniël verklaart, “de hemel heerst”, doch niet openlijk. En van de tijd dat de koning opvoer, tot hij weerkomt, is ‘t het koninkrijk in verborgenheid (zie Mattheüs 13). Komt hij weer met kracht en grote heerlijkheid, dan zal ‘t het koninkrijk in openbaarheid wezen.

Petrus had de genade ontvangen aan Joden, zowel als aan heidenen, de deur tot de nieuwe bedeling te ontsluiten. Hij deed dit in zijn toespraak tot de Joden (Handelingen 2) en in zijn prediking aan de heidenen (Handelingen 10). Doch nogmaals vestigen wij de aandacht op het feit, dat de gemeente van God en het koninkrijk der hemelen niet hetzelfde zijn. Laat ons, van de aanvang af, duidelijk zijn omtrent dit belangrijke punt. Het vereenzelvigen van de twee zaken heeft grote verwarring van denkbeelden veroorzaakt, en kan als de oorsprong van het Puseyisme, het pausdom en elk menselijk stelsel in het Christendom beschouwd worden. De volgende opmerkingen over de akker, waarop het onkruid te voorschijn kwam, mogen als ter zake dienende, hier een plaats vinden, hoewel zij doelen op een latere tijd dan van de eerste hoofdstukken uit het boek der Handelingen.

NOOT:
1. De uitdrukkingen gemeente, koninkrijk der hemelen en groot huis zijn schriftuurlijk en enigszins verschillend in haar betekenis, zoals zij door de Heer en Zijn apostelen gebezigd worden. De woorden “Mijn gemeente”, door de Heer gesproken, omvatten alleen ware en levende leden. De oorspronkelijke gedachte, opgesloten in de naam “koninkrijk der hemelen”, is die van het gebied, waarop de opgestane Heer gezag voert. En allen, die zich aan Hem onderworpen verklaren, worden gerekend tot het koninkrijk te behoren. In het “grote huis” zien wij het kwaad, dat in de belijdende gemeente door de fout van de mensen ingeslopen is, in werking, zodat ten slotte het koninkrijk der hemelen en de gemeente dezelfde grenzen hebben. Doch een andere uitdrukking, niet in de Schrift voorkomende, wordt bovendien dagelijks gebezigd, namelijk: de christenheid. Dit is een kerkelijke term, en bedoelde oorspronkelijk allen, die Christen werden, of die delen van de wereld, waarin de Christelijke leer ingevoerd is, in onderscheiding van het heidendom of het mohammedanisme. Thans gebruikt men al die uitdrukkingen door elkaar, hoewel haar betekenis en toepassing aanvankelijk ver uiteenliep. Maar waar is de verwarring niet in doorgedrongen?

Wordt D.V. vervolgd

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes

In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, RM