11 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (21)

Er bestond geen inzetting noch plechtigheid, die een bekeerde jood zo onwillig was om op te geven als de besnijdenis. Zij was het teken en zegel van zijn eigen betrekking tot Jehovah, en van de erfelijke zegeningen van het verbond aan zijn kinderen. Velen, in alle eeuwen, zijn van gevoelen geweest dat de kinderdoop in de gemeente is ingevoerd met het doel om aan dit sterke joodse vooroordeel tegemoet te komen. Ware dit ook de bedoeling van de Heer geweest, dan zou de kerkvergadering te Jeruzalem juist de plaats geweest zijn om dit uit te spreken. De moeilijkheid was dan in eens opgeheven, de kwestie uitgemaakt en de vrede en eenheid tussen de moeder-gemeenten hersteld. Maar geen van de apostelen of oudsten zinspeelt er zelfs maar op.

Deel 1: 32-814 n. Christus

Hoofdstuk 5

Paulus’ derde bezoek aan Jeruzalem omtrent het jaar 50

Te Jeruzalem gekomen, vonden zij dat hetzelfde gevoelen niet alleen in enige onrustige Joodsgezinden, maar tot in de boezem van de gemeente doorgedrongen was. De aanleiding tot de onrust lag niet bij de ongelovige Joden, maar bij hen die de naam van Jezus beleden. “Maar enigen van de secte der farizeeën die geloofden, stonden op en zeiden dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te onderhouden” (Handelingen 15:5). Deze duidelijke verklaring bracht de zaak helder voor de vergadering, en hun belangrijke beraadslagingen vingen aan. De apostelen, de oudsten en de gehele gemeente (vers 4) waren niet alleen tezamen, maar namen aan de redetwist deel. De apostelen matigden zich niet de uitsluitende macht in dit punt aan. De samenkomst wordt meestal genoemd “de eerste kerkvergadering” maar men zou ze ook kunnen noemen “de laatste kerkvergadering die gerechtigd was te zeggen: “Het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht”.

Menigeen, volgens de nieuwere onderscheiding tussen noodzakelijke en niet noodzakelijk dingen, zal ongetwijfeld zeggen, dat de plechtigheid van het besnijden of niet besnijden van een kind van weinig belang was, Maar volgens de gedachten Gods is dit niet zo. Het was een levenskwestie. Zij raakte de grondslagen zelf van het Christendom, de werkelijke beginselen van de genade en het gehele punt van de verhouding van de mensen tot God. Paulus’ brief aan die van Galatië is een verklaring van de geschiedenis van deze kwestie.

Er bestond geen inzetting noch plechtigheid, die een bekeerde jood zo onwillig was om op te geven als de besnijdenis. Zij was het teken en zegel van zijn eigen betrekking tot Jehovah, en van de erfelijke zegeningen van het verbond aan zijn kinderen. Velen, in alle eeuwen, zijn van gevoelen geweest dat de kinderdoop in de gemeente is ingevoerd met het doel om aan dit sterke joodse vooroordeel tegemoet te komen. Ware dit ook de bedoeling van de Heer geweest, dan zou de kerkvergadering te Jeruzalem juist de plaats geweest zijn om dit uit te spreken. De moeilijkheid was dan in eens opgeheven, de kwestie uitgemaakt en de vrede en eenheid tussen de moedergemeenten hersteld. Maar geen van de apostelen of oudsten zinspeelt er zelfs maar op.

Alvorens van dit belangrijk en veelbetekenend deel van de geschiedenis van onze apostel af te stappen, kan het goed zijn enkele feiten onder de aandacht te brengen, die wel in de brief aan de Galatiërs, doch niet in de Handelingen vermeld staan. Het was bij deze gelegenheid, dat Paulus opging volgens een openbaring en ook Titus meenam. In de Handelingen hebben wij de uitwendige geschiedenis van Paulus, die toegeeft aan de beweegredenen, begeerten en bedoelingen van mensen, in de Brief echter hebben wij hetgeen dieper ligt, wat het hart van de apostel bestuurde. God weet deze uitwendige omstandigheden met de inwendige leiding en werking van de Geest samen te doen vallen. Christelijke vrijheid of wettische dienstbaarheid waren de punten, waarover het liep, met name of de wet van Mozes, in het bijzonder de besnijdenis, moest worden opgelegd aan de bekeerden uit de volken. Paulus, door God geleid, gaat op naar Jeruzalem en neemt Titus met zich. In tegenwoordigheid van de twaalf apostelen en de gehele gemeente brengt hij Titus, die een Griek was en onbesneden, binnen.

Zoiets was een moedige stap – een heiden, een onbesnedene in te leiden in het middelpunt zelf van een dweepachtig Jodendom! Maar de apostel ging volgens een openbaring. Hij had met God over de zaak gehandeld, en God had hem geleerd. Het was de goddelijke weg van beslissing van de kwestie, eens en voorgoed tussen Hemzelf en de joodsgezinde Christenen. Deze stap was nodig, zei Paulus, “met het oog op de binnengeslopen valse broeders, die zich ingedrongen hadden om onze vrijheid te bespieden, die wij in Christus Jezus hebben, met het doel ons onder tot slavernij te brengen. Voor hen zijn wij ook geen uur geweken door ons te onderwerpen, opdat de waarheid van het evangelie bij u blijven zou” (Galaten 2:4-5).

Nadat de apostel zijn hoofddoel bereikt, en het evangelie dat hij verkondigde, aan die van Jeruzalem meegedeeld heeft, neemt hij met Barnabas zijn afscheid, en keert naar de Christenen uit de volken te Antiochië terug. De twee afgevaardigden, Judas en Silas, overbrengers van de besluiten van de kerkvergadering, vergezellen hen. Toen de menigte van de discipelen, die bijeen gekomen waren, de brief had gelezen, verblijdden zij zich over de vertroosting.

Aldus eindigde de eerste kerkvergadering en de eerste apostolische redetwist. En uit hetgeen wij dienaangaande in Handelingen lezen, zouden wij mogen concluderen dat de verdeeldheid tussen de joodse en heidense Christenen volkomen geheeld was door de beslissing van de kerkvergadering. Maar wij weten uit de Brieven, dat de oppositie van de joodsgezinde partij tegen de vrijheid van de Christenen uit de volken nooit sluimerde. Zij brak spoedig opnieuw uit, en Paulus had er voortdurend tegen te strijden.

Paulus’ tweede zendingsreis omtrent het jaar 51

Nadat Paulus en Barnabas enige tijd in de gemeente te Antiochië vertoefd hadden, werd een nieuwe zendingsreis voorgesteld. “Laat wij nu terugkeren”, zei Paulus, “en de broeders bezoeken in elke stad, waar wij het woord van de Heer verkondigd hebben, [om te zien] hoe het hun gaat. En Barnabas dacht er over ook Johannes, Markus geheten, mee te nemen. Maar Paulus achtte het onjuist hem mee te nemen, die hen van Pamfylië af had verlaten en niet met hen gegaan was tot het werk. Er ontstond dan een verbittering, zodat zij van elkaar scheidden, en Barnabas Markus meenam en naar Cyprus afvoer. Maar Paulus koos Silas en reisde heen, door de broeders aan de genade van God opgedragen. En hij ging Syrië en Cilicië door en versterkte de gemeenten”. (Handelingen 15:36-41).

Op een reis, zó belangrijk, zó vol beproevingen, zóveel moed en standvastigheid vereisende, als voor Paulus’ aandacht stond, kon hij Markus als reisgenoot niet vertrouwen. Hij kon niet licht iemand verontschuldigen, wiens gehechtheid aan zijn huis hem het werk van de Heer deed opgeven. Paulus gaf zelf alle persoonlijke overwegingen en gevoelens op, wanneer het werk van de Heer erbij betrokken was; en hij wenste dat anderen evenzo zouden doen. Natuurlijke of familiegenegenheden kunnen hier Barnabas verstrikt hebben, toen hij er voor was, dat zijn neef mee zou reizen; maar Paulus liet dergelijke beweegredenen niet gelden. De banden van familieverwantschap en menselijke gehechtheid hadden steeds grote invloed op het zachtaardig gemoed van Barnabas. Dit blijkt mede uit zijn gedrag te Antiochië, bij gelegenheid van Petrus’ zwakke toegeeflijkheid jegens de joodsgezinde Christenen, die van Jeruzalem gekomen waren (Galaten 2). De verbreiding van het evangelie in een vijandige wereld was in Paulus’ ogen te heilig, dan dat hij ze aan proefnemingen wilde blootstellen. Markus had Jeruzalem verkozen boven het werk; Silas verkoos het werk boven Jeruzalem. Dit besliste Paulus in zijn keus, hoewel hij ongetwijfeld door de Geest geleid werd.

Barnabas neemt Markus, zijn neef, mee en vaart naar Cyprus, zijn vaderland. En hier eindigt het met Barnabas, die geliefde dienstknecht van Christus! Zijn naam wordt niet meer genoemd in de Handelingen. Deze woorden “neef” en “vaderland” moeten voor zichzelf spreken tot het hart van iedere discipel, die dit leest. Wilden wij over deze pijnlijke omstandigheden onze gedachten de vrije loop laten, in plaats van een schets te geven van een grote geschiedenis, wij zouden veel kunnen zeggen over de zaak; thans laten wij het bij twee opmerkingen.

  1. De verbittering werd omgekeerd in zegening voor de volken; de wateren van het leven vloeiden nu in twee stromen in plaats van één. Dit is echter Gods goedheid en verontschuldigt de verdeeldheid tussen Christenen niet.
  2. Paulus spreekt daarna van Barnabas met veel liefde, en begeert dat Markus tot hem zou komen, omdat hij nuttig voor hem was in de bediening (1 Korinthe 9:6; 2 Timotheüs 4:11). Wij twijfelen er niet aan dat Paulus’ getrouwheid gezegend geweest was voor beiden. Maar de “honing” van natuurlijke genegenheden mag nooit toegelaten worden op het altaar van God.

Na aan de genade van God door de broeders opgedragen te zijn, reizen zij weg. Alles is eenvoudig en schoon. Geen vertoning wordt gemaakt door hun vrienden bij hun vertrek, en geen beloften worden door de vertrekkenden afgelegd aangaande hetgeen zij besloten hadden te doen. “Laten wij nu terugkeren en de broeders bezoeken” zijn de weinige, bescheiden woorden waarmee Paulus zijn wens tot een tweede en grote zendingsreis uitspreekt. Maar de Meester vergat Zijn dienstknechten niet, en zorgde voor hen. Niet ver hadden zij nog gereisd, of zij kregen een nieuwe reisgezel in Timotheüs van Lystre, die het ledige aanvulde dat door het geschil met Barnabas ontstaan was. Verloor Paulus de gemeenschap met Barnabas als vriend en broeder, hij vond in Timótheüs, zijn eigen kind in het geloof, een aanhankelijkheid en gehechtheid die slechts met het leven van de apostel ophield. “Paulus wilde dat deze met hem zou reizen” maar voor zij vertrokken “besneed Paulus hem terwille van de Joden die in die plaatsen waren; want het was hun allen bekend, dat zijn vader een Griek was” Handelingen 16:3). Paulus daalt in dit geval af tot de vooroordelen van de Joden en besnijdt Timotheüs om daaraan tegemoet te komen.

Timotheüs was de zoon uit een van die gemengde huwelijken die altijd streng veroordeeld werden, zowel in het Oude- als in het Nieuwe Testament. De naam van zijn vader, die een Griek was, was niet bekend; zijn moeder was een vrome Jodin. Uit het ontbreken van elk bericht aangaande de vader, hetzij in de Brieven of in de Handelingen, is opgemaakt dat hij misschien gestorven is spoedig na de geboorte van Timotheüs. Dit is bewezen dat Timotheüs in zijn jeugd alleen de zorg genoot van zijn moeder Eunice en van zijn grootmoeder Loïs, die hem van kindsbeen af in de Schriften onderwezen. En uit de vele toespelingen in Paulus’ brieven op de liefde, de teergevoeligheid en de tranen van zijn geliefd kind in het geloof, mogen wij geloven dat hij, zijn gehele leven lang, de vroege indrukken van het lieve en vrome huis, waar hij opgevoed was, bij zich hield. Paulus’ wonderbare liefde voor Timotheüs, en zijn aangename herinneringen aan diens huis in Lystre, hebben enige van de aandoenlijkste uitdrukkingen ontlokt aan de pen van de grote apostel. Toen hij oud was en in de gevangenis zat, behoeftig, met de marteldood voor ogen, schreef hij: “Aan Timotheüs, [mijn] geliefd kind: genade, barmhartigheid en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heer. Ik dank God, Die ik van mijn voorouders af met een rein geweten dien, dat ik u zonder ophouden gedenk in mijn gebeden, nacht en dag, vol verlangen u te zien, als ik denk aan uw tranen, opdat ik met blijdschap vervuld mag worden; als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof in u, dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs en in uw moeder Eunice, en ook, daarvan ben ik overtuigd, in u” (2 Timotheüs 1:2-5). Hij dringt aan, en herhaalt zijn dringende uitnodiging aan Timotheüs om te komen en hem te bezoeken. “Beijver u om spoedig tot mij te komen” (2 Timotheüs 4:9) en ..”Beijver u om vóór de winter te komen” (2 Timotheüs 4:21). Wij mogen geloven dat een zo vurig begeerde zoon bijtijds zal hebben mogen komen om de laatste uren van zijn vader in Christus te verzachten, zijn laatste raad en zegen te ontvangen, en getuige te zijn, hoe hij zijn loop met blijdschap eindigde.

Silas, of Silvanus, verschijnt het eerst voor ons als een voorganger en profeet in de gemeente te Jeruzalem; (Handelingen 15:22, 32) en waarschijnlijk was hij zowel een Griek als iemand, die het Romeinse burgerrecht bezat, gelijk Paulus zelf (16:37). Hij werd mee afgevaardigd door de kerkvergadering te Jeruzalem naar Antiochië. Maar daar vele bijzonderheden uit het leven van Timotheüs en Silas vanzelf voor ons komen, wanneer wij de weg van de apostel schetsen, behoeven wij hier niets meer aangaande hen beiden te zeggen, en vervolgen dus met de tweede zendingsreis.

Paulus en Silas met hun nieuwe reisgenoot gaan door de steden om aan de broeders ter onderhouding over te geven de verordeningen, die door de apostelen en oudsten te Jeruzalem waren vastgesteld. De joodsgezinden hadden aldus in hun eigen hand de beslissing uit Jeruzalem zelf, dat de wet niet verbindend was voor de heidenen. De reeds bestaande gemeenten in Syrië en Cilicië bezocht hebbende, gaan zij nu verder “door Frygië en het land van Galatië”. Staan wij hier even met verwondering stil. Frygië en Galatië waren geen steden, maar gewesten of grote streken in het land. En toch gebruikt de heilige geschiedschrijver alleen deze weinige woorden, om het grote werk daar verricht mee te delen. Hoe onderscheiden is de kernachtige uitdrukkingswijze van de Geest van de opgeblazen stijl van de mensen! Uit Neander weten wij dat in Frygië alleen twee en zestig steden lagen.

Ook Galatië was een land, dat Paulus doorreisde, en uit zijn brief aan de Galatiërs leren wij dat hij toen juist naar het lichaam lijdende was. “En gij weet dat ik u de eerste maal in lichamelijke zwakheid het evangelie verkondigd heb”. Toch stak de kracht van zijn prediking zó sterk af bij de zwakheid van zijn lichaam, dat de Galatiërs tot het uiterste van genegenheid en edelmoedigheid werden bewogen. “En mijn verzoeking die in mijn lichaam was, hebt gij niet veracht of verafschuwd; maar gij naamt mij aan als een engel van God, als Christus Jezus. Waarin preest gij u toen gelukkig? Want ik kan van u getuigen dat gij, zo mogelijk, uw ogen uitgerukt en ze mij gegeven zoudt hebben” (Galaten 4:13-15). Wij leren uit de geschiedenis dat de Galatiërs, die van Keltische oorsprong waren, voor indrukken zeer vatbaar en veranderlijk van karakter waren. De gehele brief is een droevig beeld van hun wankelbaarheid en van de treurige gevolgen van de Joodse elementen onder hen. “Ik verwonder mij, dat gij zo spoedig van Hem, die u door de genade van Christus geroepen heeft, overgaat naar een ander evangelie, dat geen ander is; maar er zijn sommigen die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien” (Galaten 1:6-7).

Maar wij vervolgen de geschiedenis.

De aard en de uitwerking van Paulus’ dienst, zoals ons die in Handelingen 16-20 worden verhaald, zijn inderdaad wonderbaar. Iedere dienstknecht van Christus, in het bijzonder die het evangelie predikt, behoorde ze herhaaldelijk te lezen en met zorg te bestudeeren. “Het vat van de Geest”, zoals zo mooi gezegd wordt, schijnt met een hemels licht, al de tijd dat hij in het werk van het evangelie bezig is; hij is inschikkelijk te Jeruzalem; onbuigzaam in Galatië, als de zielen verdorven dreigen te worden; hij beweegt de discipelen om voor de vrijheid van de heidenen zich te verklaren, en maakt van eigen vrijheid gebruik om de Jood een Jood te zijn, en hun die zonder wet zijn als zonder wet; maar niettemin altijd onderworpen aan Christus. Hij was aldus zonder aanstoot te geven. Niets hinderde van binnen zijn gemeenschap met God, van Wie hij zijn kracht ontving om getrouw te zijn tegenover de mensen. Hij – en wie anders dan hij? – kon zeggen: “Weest mijn navolgers, gelijk ook ik van Christus” (1 Korinthe 11:1). Wie ook dan hij kon verklaren: “Daarom verdraag ik alles terwille van de uitverkorenen, opdat ook zij de behoudenis verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid?” (2 Timotheüs 2:10).

De wijze, waarop de Heilige Geest in deze hoofdstukken met de apostel handelt, is ook opmerkenswaard. Hij alleen leidt hem op zijn tocht, en ondersteunt hem in het midden van vele beproevingen en tegenkanting. Bij voorbeeld: Hij verhindert Paulus het woord te spreken in Azië, wil niet dat hij naar Bithynië zal gaan, maar richt zijn weg door een nachtgezicht naar Macedonie. “En toen hij het gezicht gezien had, trachtten wij terstond naar Macedonië te reizen, [daaruit] opmakend, dat de Heer ons geroepen had om hun het evangelie te verkondigen. Wij voeren dasn van Troas af en liepen recht op Samothráce en de volgende dag naar Neápolis; en vandaar naar Filippi, dat de eerste stad is van dit deel van Macedonië, een kolonie” (Handelingen 16:10-12).

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, RM