13 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (2)

Deel 1: 32 – 814 n. Christus

Hoofdstuk 1

Het fundament op de Rots

Voor men begint aan een onderzoek van een onderwerp, is het goed zich bekend te maken met zijn oorsprong, het voornemen of plan, dat er aan ten grondslag ligt, alsmede met de beginselen van zijn geschiedenis. Deze hebben wij volledig en duidelijk, wat de gemeente betreft, in de Heilige Schrift. Daarin vinden wij niet alleen het oorspronkelijk voornemen, maar de plannen en bijzondere mededelingen van Hem, die de gemeente zou bouwen, en de vroegste geschiedenis van het werk onder Zijn eigen hand. “En de Heer voegde dagelijks bij de gemeente, die behouden moesten worden” (Handelingen 2:47). Dit is geschiedkundig. De grondslag was gelegd en het werk ging voort; maar de Heer zelf was nog de enige Bouwmeester; daarom was tot die tijd alles wezenlijk en volkomen.

Aan het eind van de joodse bedeling voegde de Heer het overblijfsel van Israël, dat behouden werd, bij de pas gestichte gemeente; doch aan het eind van de tegenwoordige of christelijke bedeling, zal Hij allen, die geloven in Zijn Naam, in verheerlijkte lichamen opnemen in de hemel. “Want de Heer zelf zal met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God neerdalen van de hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; daarna zullen wij, de levenden, die overblijven, samen met hen in wolken opgenomen worden de Heer tegemoet in de lucht; en aldus zullen wij altijd met de Heer zijn” (1 Thessalonika 4:18-17).

Dit zal het heerlijk einde zijn van de geschiedenis van de gemeente op aarde, de ware bruid van Christus. De doden opgewekt, de levenden veranderd, en allen in hun verheerlijkte lichamen te samen opgenomen in wolken, om de Heer te ontmoeten in de lucht. Hier hebben wij dus, in Handelingen 2 en 1 Thessalonika 4, de grenzen van de gemeente aangegeven, en het gehele tijdvak van haar geschiedenis voor ons. Doch wij keren terug tot haar aanvang op deze aarde.

Onder het beeld van een gebouw, voert de Heer het eerst het onderwerp van de gemeente in. En zo kostelijk zijn Zijn woorden, dat wij ze als motto voor haar gehele geschiedenis willen kiezen. Zij hebben in alle eeuwen en onder alle omstandigheden het hart en de hoop van de Zijnen verkwikt en versterkt; en zij zullen voortdurend de sterke toevlucht van het geloof blijven. Wat kan meer gezegend, meer geruststellend en vredegevend klinken dan deze woorden:

“Op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen” (Mattheüs 16:18).

In Mattheîs 16 ondervraagt de Heer Zijn discipelen omtrent hetgeen de mensen aangaande Hem zeggen. Dit geeft aanleiding tot de heerlijke belijdenis van Petrus, en ook tot de genadevolle openbaring van de Heer betreffende Zijn gemeente! Het is niet overbodig het gesprek zelf hier in te voegen, daar het zo rechtstreeks tot ons onderwerp behoort.

“Toen nu Jezus gekomen was in de streken van Cesaréa Filippi, vroeg Hij Zijn discipelen en zei: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben? En zij zeiden: Sommigen: Johannes de doper; en anderen: Elia; en weer anderen: Jeremia, of een van de profeten. Hij zei tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? En Simon Petrus antwoorde en zei: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. En Jezus antwoorde en zei tot hem: Welgelukzalig zijt gij, Simon, Bar-Jona, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard maar Mijn Vader, die in de hemelen. is. En ook Ik, Ik zeg u dat gij zijt Petrus, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen” (Mattheüs 16:13-18).

Hier hebben wij de twee hoofdzaken in verband met de voorgestelde bouw: de rots, als het fundament en de Zoon van de levende God, als de Bouwmeester. “Op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen”. Wie of wat is “deze rots”? zo vraagt misschien iemand. Het antwoord is: De belijdenis van Petrus, niet Petrus zelf, vormt het fundament van de gemeente. Het is waar, Petrus zelf was een steen, een levende steen in het nieuwe gebouw. “Gij zijt Petrus”, dit is u bent een steen. Maar de openbaring, die de Vader aan Petrus gaf, aangaande de heerlijkheid van de persoon van de Zoon, is het fundament, waarop de gemeente gebouwd is. “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”. De heerlijkheid van de persoon van de Zoon in de opstanding is de waarheid, die hier ontsluierd wordt. “Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is”. Onmiddellijk na de belijdenis van Petrus, deelt de Heer Zijn voornemen mee om Zijn gemeente te bouwen, en waarborgt hij haar eeuwige veiligheid. “Op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen”.

Hij zelf, de Bron van het leven, kon niet overwonnen worden door de dood; maar terwijl Hij stierf als de Plaatsvervanger voor zondaars, triomfeerde Hij over dood en graf, en leeft tot in alle eeuwigheid, gelijk Hij, na Zijn opstanding, zei tot Zijn apostel Johannes: “Ik ben de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid; en Ik heb de sleutels van de dood en van de hades” (Openbaring 1:18). Welke majestueuze, triomferende woorden!

Het zijn de woorden van een overwinnaar, van een machtige, die gebiedt over de poorten van de hades, de plaats waar de zielen van de mensen na de dood verblijven. De sleutels – het symbool van gezag en macht – bevinden zich in Zijn hand. De dood moge over een Christen komen, maar zijn prikkel is weggenomen. Hij komt als een vredebode om de vermoeide pelgrim te brengen naar het verblijf van de rust. De dood is niet meer de heerser over de Christen, maar zijn dienstknecht.

“… want alles is het uwe; hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Kefas, hetzij wereld, hetzij leven, hetzij dood, het is alles van u; en gij zijt van Christus, en Christus is van God” (1 Kor. 3:21-23).

De persoon van Christus alzo, de Zoon van de levende God, in Zijn opstandingsheerlijkheid, is het fundament, het standhoudende, onvergankelijke fundament, waarop de gemeente gebouwd is. Als levend geworden uit de dood, deelt Hij het opstandingsleven mee, aan allen die op Hem als de ware grondsteen gebouwd worden. Dit is duidelijk uit hetgeen Petrus zegt in zijn eerste brief: “Komende tot Hem, een levende steen, … wordt ook gijzelf, als levende stenen gebouwd, een geestelijk huis …” (1 Petrus 2:4-5). En verder in dit tweede hoofdstuk zegt hij: “Voor u dan, die gelooft, is de kostbaarheid” (vers 7). Moge zowel lezer als schrijver deze twee allerdierbaarste waarheden, in betrekking tot ons rotsfundament, wel overwegen: goddelijk leven en goddelijke kostbaarheid. Deze worden medegedeeld aan, en zijn in het bezit van een ieder die zijn vertrouwen stelt op Christus. Tot “Wie” komende (niet tot “wat” komende); het is de persoon van Christus, tot Wie wij komen, en met Wie wij te maken hebben. Zijn opstandingsleven wordt het onze. Van dat ogenblik is Hij “ons leven”. Christus’ eigen leven, als de Opgestane, en alles, waarvan Hij de erfgenaam is, is het onze. O wondervolle, gezegende waarheid. Wie zou niet, boven alle dingen verlangend zijn naar dit leven! Eeuwige triomf is het kenmerk van dit opstandingsleven van Christus; het kan nooit meer op de proef gesteld worden, het heeft zijne onvergankelijke kracht bewezen; en dit is het leven van hem, die gelooft.

Maar er is meer dan leven voor elke levende steen in dit geestelijk huis. Voor hem is ook de kostbaarheid van Christus. Dat wil zeggen: evenals Christus’ leven ons deel wordt, wanneer wij in Hem geloven, zo ook Zijn kostbaarheid. Het beginsel is in beide dingen hetzelfde. Het leven kunnen wij beschouwen als hetgeen ons in staat stelt om te genieten, en de kostbaarheid als hetgeen ons recht geeft op het bezit van onze erfenis daarboven. Zijn ereplaats, rechten, waardigheden, bezittingen, heerlijkheden zijn de onze, alle de onze in Hem. “Voor u dan, die gelooft, is de kostbaarheid”. Heerlijke gedachte! “Hij had de gemeente lief, en gaf zich voor haar over”. Ziehier dan ons rotsfundament en de zegeningen van hen, die daarop gebouwd zijn. Gelijk aan Jakob van ouds, toen hij als een pelgrim en vreemdeling rustte op een steen in de woestijn, trok het gehele panorama van de hemelse schatten van genade en heerlijkheid voor zijn oog voorbij.

Wordt D.V. vervolgd

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes

In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

 

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, RM