12 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (16)

Dit keer gaat het over Thomas. Ja, die wij wel eens de “ongelovige Thomas” noemen. En terecht, immers de Heer Zelf verwijt hem zijn ongeloof. Met Christelijk geloof had het bij Thomas weinig van doen. Christenen geloven in Hem die zij niet gezien hebben! Wat heeft Thomas veel gemist door zijn afwezigheid bij de eerste openbaring van de Heer Jezus. Hoeveel missen wij wanneer wij de samenkomst van de gemeente verzuimen? Hebt u zich dat wel eens afgevraagd? Gelukkig kwam het toch goed met Thomas. Daarvoor was een ontmoeting met de Heer Zelf nodig. Hoe is het met u?

Deel 1: 32 – 814 n. Christus

Thomas

De geboorteplaats en de ouders van deze geroepen apostel worden in de Schrift niet vermeld. Alleen zegt de overlevering, dat hij in Antiochië geboren werd. Wat wij met zekerheid van hem weten, wordt ons medegedeeld door Johannes. Doch hoewel onze kennis van Thomas tamelijk beperkt is, zo is toch geen karakter van een van de apostelen zo duidelijk herkenbaar als het zijne. Feitelijk is zijn naam, zowel onder Christenen als onder onbekeerden, gelijkluidend geworden met “twijfelaar of ongelovige”. Men zegt, dat een beroemd kunstenaar, aan wie men opgedragen had een portret van Thomas te schilderen, hem een maatstok in de hand gaf, om daardoor voor te stellen, hoe Thomas behoorlijk elk getuigenis of bewijs te meten wist. Zijn aard was nadenkend en langzaam om te geloven. Hij lette op alle moeilijkheden van een kwestie, en was geneigd om de donkere kant van de dingen te nemen. Maar wij willen voor een ogenblik het beeld beschouwen, dat het ingegeven Woord van hem levert in de drie volgende plaatsen.

  1. In Johannes 11 komt zijn karakter duidelijk uit. Hij beschouwde klaarblijkelijk de voorgenomen reis van onze Heer naar Judéa met de donkerste voorgevoelens. “Thomas dan, Didymus geheten, zei tot zijn medediscipelen: Laten wij ook gaan, opdat wij met Hem sterven!” (vers 16). In plaats van te geloven dat Lazarus zou worden opgewekt uit de doden, vreesde hij dat zowel de Heer als Zijn discipelen, in Judéa hun eigen dood zouden vinden. Hij kon zich van deze reis niets anders dan grote rampen voorstellen. Toch probeert hij niet – gelijk de andere discipelen – de Heer ervan te weerhouden om daarheen te gaan. Dit is kenmerkend. Hij had veel liefde tot de Heer, en zo groot was zijn toewijding, dat, al kostte de reis dan ook aan hen allen het leven, hij bereid was mee te gaan, om het lot van de Heer te delen.
  2. De tweede maal vinden wij hem vermeld in Johannes 14. Onze Heer had gesproken van heen te gaan, en van de plaats die Hij voor hen in de hemel zou bereiden, terwijl Hij daarna weer zou komen en hen bij Zich zou nemen, zodat zij zijn zouden, waar Hij was. “En waar Ik heenga,” zo voegde hij er bij, “weet gij, en de weg weet gij” (vers 4). Doch in het gemoed van onze apostel werden door deze kostelijke toezeggingen alleen duistere vooruitzichten in de toekomst opgewekt. “Thomas zei tot hem: Heer, wij weten niet, waar gij heengaat, en hoe kunnen wij de weg weten?” (vers 5-6a). Blijkbaar wilde hij graag gaan, en meende hij wat hij vroeg; maar hij wenste zeker te zijn aangaande de weg, alvorens hij de eerste stap deed. “Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij” (vers 6). Zolang het oog gevestigd is op Christus, kunnen wij geen verkeerde stap doen. Het eenvoudige oog ontvangt het licht van de hemel, dat zijn stralen uitgiet over het gehele pad.
  3. De derde maal was na de opstanding (Johannes 20). Hij was afwezig, toen de Heer de eerste maal, aan de discipelen verscheen. Toen zij hem meedeelden, dat zij de Heer gezien hadden, weigerde hij hardnekkig te geloven, wat zij zeiden. Uit hetgeen hij zegt, kunnen wij opmaken dat hij de Heer gezien had aan het kruis, en dat deze verpletterende aanblik een diepe indruk op zijn gemoed gemaakt had. “Als ik in Zijn handen niet het teken van de nagels zie, en mijn vinger steek in het teken van de nagels, en mijn hand steek in Zijn zijde, zal ik geenszins geloven” (vers 25). Acht dagen daarna, toen de discipelen wederom vergaderd waren, verscheen Jezus, en stond in het midden van hen, innemende Zijn eigen plaats als in het midden van de gemeente. Opnieuw groette Hij hen met dezelfde woorden: “Vrede zij u!” (vers 26). Doch opeens wendde Hij Zich tot Thomas, alsof dit het doel was, waartoe Hij deze dag Zich openbaarde. “Daarna zei Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde, en wees niet ongelovig maar gelovig” (vers 27). De uitwerking op Thomas was onmiddellijk; al zijn twijfels waren opgeheven, en in oprecht geloof riep hij uit: “Mijn Heer en mijn God!” (vers 28). Jezus zeide tot hem: “Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig die niet gezien hebben, en [toch] geloofd hebben!” (vers 29).

Sommigen menen dat het geloof van Thomas hier ver boven dat van de andere discipelen uitsteekt, en dat nooit iets hogers van apostolische lippen vloeide. Deze mening, hoe algemeen ook, wordt door het tekstverband weersproken. Jezus, Thomas beantwoordende, spreekt hen zalig boven hem, die niet zagen en toch geloofden. Het kan zelfs nauwelijks “Christelijk” geloof genoemd worden, gelijk onze Heer niet onduidelijk te verstaan geeft. Christelijk geloof is te geloven in Hem, die wij niet gezien hebben – te wandelen door geloof, niet door aanschouwen.

Wij geloven veeleer, dat Thomas voorstelt de joden van de laatste dagen, die, “traag om te geloven” eerst moeten zien, voordat zij geloven (Zacharia 12:10). Hij was niet tegenwoordig bij de eerste vergadering van gelovigen na de opstanding. De redenen daarvan worden ons niet meegedeeld. Doch wie zal ons zeggen, welke zegen hij miste vanwege zijn wegblijven van de erkende vergadering van de gelovigen? Hij miste de heerlijke openbaringen van Christus, wat onze betrekking aangaat: “Mijn Vader en uw Vader; Mijn God en uw God” (20:17). Zijn geloof is niet verbonden aan de betrekking als zoon. Zoals iemand zegt: “Hij ontvangt niet de mededelingen aangaande de gevolgen van het werk van de Heer en van de betrekking tot Zijn Vader, waar in Jezus de Zijnen, dit is de gemeente, brengt. Hij heeft misschien vrede, maar hem ontgaat de openbaring betreffende de plaats, die de gemeente inneemt”. Hoevele zielen, geredde zielen zelfs, zijn in deze zelfde toestand als Thomas!?

De volgende apostolische werkzaamheden van Thomas en zijn levenseinde zijn zo in overleveringen of legenden verward, dat wij niets dienaangaande met zekerheid kunnen zeggen. Meestal wordt geloofd, dat hij in Indië of in Perzië arbeidde. Zijn martelaarsdood (men verhaalt dat hij met een lans doorstoken werd) wordt door de Rooms Katholieke kerk op 21 december gevierd, door de Grieksche kerk op 6 october, en door de Indiërs op 1 juli.

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW