11 jaar geleden

Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk (14)

Hoewel u in dit artikel ook enige herhalingen zult tegenkomen over Petrus, Andréas en Johannes (zie de artikelen over ‘Martelaars’) is het m.i. toch goed ons aan het verhaal over de kerkgeschiedenis te houden zoals het oorspronkelijk gepubliceerd is. We kunnen heel veel leren van deze mannen die door de Heer Jezus geroepen zijn om achter Hem te komen …

Deel 1: 32 – 814 n. Christus

Wij zijn nu gekomen tot de laatste deel van het gewijd verhaal van de geschiedenis van Petrus. Van Handelingen 9:32-11:18 hebben wij een verhaal van zijn prediking en wonderwerken. Daar zien wij hem nog eens in zijn volle apostolische gezag, en de Heilige Geest Die door hem werkte. Zijn zending was in die tijd rijk gezegend, zowel in de steden van Israël als te Cesaréa. De gehele stad Lydda en de streek van Saron schijnen tot ontwaking gekomen. De wonderen die Petrus deed, en het evangelie dat hij predikte, werden door God gebruikt tot bekering van velen. Zo lezen wij: “En allen, die te Lydda en Saron woonden, zagen hem en zij bekeerden zich tot de Heer” (9:35). De zegen was algemeen. Ook te Joppe was, door de opwekking van Dorkas, een grote gemoedsbeweging, “en velen geloofden in de Heer” (vers 42). In hoofdstuk 10 – dat we reeds behandelden – worden de volken in de gemeente ingevoerd. En nu hij zijn arbeid in die streken ten einde gebracht had, keerde Petrus naar Jeruzalem terug. Na het verhaal van zijn bevrijding uit de macht van Herodes in hoofdstuk 12, hebben wij geen voortgezette geschiedenis van het wedervaren van de apostel van de besnijdenis.

Omdat Herodes Agrippa, de Idumeese koning, zozeer voor onze aandacht komt bij de te behandelen geschiedenissen, willen wij het deel dat hij er in neemt, even aanstippen. Hij beleed grote ijver voor de wet van Mozes en had veel eerbied voor haar uitwendige onderhouding. Hij was uit dien hoofde altijd gereed uit voorgewende vrome ijver, de zijde te kiezen van de joden, tegen de discipelen van Christus. Dit was zijn staatkunde. Hij was een type van de antichrist.

Omstreeks het jaar 44 zocht hij zich aangenaam te maken bij zijn joodse onderdanen, door de onschuldige Christenen te vervolgen. Niet dat er enige liefde bestond tusschen Herodes en de joden, want zij haatten elkaar van harte; maar in één punt troffen zij elkaar, namelijk in de gemeenschappelijke haat tegen het hemels getuigenis. Herodes doodde Jakobus met het zwaard, en wierp Petrus in de gevangenis. Het was zijn boos opzet hem daar te bewaren tot na het Paasfeest, en dan, wanneer een grote menigte joden uit alle delen van de wereld in Jeruzalem zouden zijn, een publieke vertoning te maken van zijn terechtstelling. Doch God bewaarde en verloste zijn dienstknecht, in antwoord op de gebeden van de heiligen. Zij hebben oorlogswapens, waarvan de machten van deze wereld niets vermoeden. God liet toe dat Jakobus zijn getuigenis met zijn bloed bezegelde; maar Petrus wilde Hij bewaren tot het verder afleggen van zijn getuigenis op aarde. Zo heerst God over alles. Hij is de Regeerder onder de volken, hoeveel zich de menselijke hoogmoed ook moge inbeelden. Van Hem is de kracht. Nietig is in werkelijkheid de inspanning van elke vijand, zodra Hij tussentreedt. Herodes, beschaamd en in verwarring gebracht door een macht die zijn begrip te boven ging, veroordeelt de gevangenbewaarders ter dood en verlaat Jeruzalem. Hij dacht er echter niet aan dat zijn eigen dood die van zijn gevangene zou voorafgaan.

In Caesaréa, de heidense zetel van zijn gezag, verordende hij een luisterrijk feest ter ere van keizer Claudius. Scharen van de aanzienlijksten kwamen van alle kanten toegestroomd. Op de tweede morgen van de feestelijkheden verscheen de koning in een met zilver doorwerkt kleed van grote pracht dat schitterde in de stralen van de zon, zodanig dat de ogen van hen die samengekomen waren, verblind werden en de bewondering van allen werd opgewekt. Van zijn troon een toespraak houdende tot het volk, hieven zijn vleiers een geroep aan: “Een stem van God en niet van een mens!” (12:22). In plaats van deze goddeloze pluimstrijkerij tegen te gaan, aanvaardde Herodes haar. Doch het oordeel van God bleef niet uit. In de krachtige taal van de Schrift wordt ons gemeld: “En ogenblikkelijk sloeg hem een engel van de Heer, omdat hij God de eer niet gaf; en door wormen gegeten, stierf hij”. Door vreselijke inwendige pijnen aangegrepen, werd hij van de schouwplaats naar zijn paleis gebracht, waar hij, zoals de ongewijde geschiedenis ons zegt, na vijf dagen in folterende zielsangst en de afzichtelijkste lichaamstoestand te hebben doorgebracht, de geest gaf.

De koningen van het geslacht Herodes

Het is onze belangstelling waard van de reeks van deze koningen in het kort een overzicht te nemen. In het leven van de Heer, zowel als in de vroegste geschiedenis van de kerk, vinden wij ze telkens vermeld. Van onze jeugd af is in onze gedachten de kindermoord te Bethlehem verbonden met de naam Herodes. Opmerkelijk is het, dat Flavius Josephus, de voorname geschiedschrijver van deze koning van Judéa, van deze gebeurtenis niet spreekt. Waarschijnlijk was het doden van enige kinderen in een gering plaatsje, vergeleken bij de overige bloedige handelingen van Herodes, in de ogen van Josephus niet belangrijk genoeg om er bijzondere melding van te maken. In Gods ogen was het echter anders. Zowel de veinzerij als de wreedheid in het trouweloze hart van de koning worden in de Heilige Schrift opgetekend. Gods oog waakte over het kindje, aan Israël geboren, voor alle naties de enige bron van hoop. Het wreedaardig opzet van Herodes werd alzo verijdeld. Herodes, de Grote, de eerste Idumeese koning over Israël, ontving het rijk van de Romeinse Senaat, ten gevolge van de invloed van Marcus Antonius. Dit had plaats omtrent 35 jaar vóór Christus’ geboorte, en omtrent 37 jaar vóór zijn eigen dood. Deze Idumeeërs waren een tak van de oude Edomieten, die, terwijl de Joden in de Babylonische gevangenschap vertoefden en hun land woest lag, bezit namen van het zuidelijk deel daarvan, voor zover het de hele stam Simeon en de halve stam Juda betrof, en daar na die tijd bleven wonen. Na verloop van tijd werden de Idumeeërs door Johannes Hyrcanus overwonnen, en tot het jodendom overgebracht. Na hun overgang werden zij besneden, onderwierpen zich aan de joodse wetten, en maakten deel uit van het joodse volk. Zodoende waren zij joden, zonder van de oude stam Israëls te zijn. Dit gebeurde omtrent 129 jaar vóór Christus. Zij waren stoutmoedig, listig en wreed als vorsten; bezaten veel staatkundig beleid, dongen om de gunst van Rome, en hadden bij alles de bevestiging van hun eigen stamhuis op het oog. Het was echter Gods wil, dat de Idumeese dynastie zou verdwijnen, zoals ook met de verwoesting van Jeruzalem heeft plaats gevonden, en zelfs de naam Herodes schijnt onder de volken uitgestorven te zijn.

Behalve de slachting van de kinderen in Bethlehem, die verordend werd kort vóór Herodes’ dood, had hij zijn handen gedoopt in het bloed van zijn eigen familie en dat van vele edelen uit de tak van de Asmoneërs. Zijn wrede naijver tegen dit heldhaftig geslacht sluimerde nooit. Doch een van zijn laatste handelingen was het ondertekenen van het doodvonnis over zijn eigen zoon. Terwijl hij stervende was onder het blijkbare oordeel van God, evenals zijn kleinzoon Herodes Agrippa, richtte hij zich op in bed, gaf bevel tot het ter dood brengen van Antipater (als troonopvolger onder de naam van Archelaüs bekend), viel achterover en gaf de geest.

Op gelijke wijze, helaas! stierf menige vorst: met de ene hand koninkrijken, met de andere doodvonnissen uitdelend. En wat daarna? In de naakte werkelijkheid van hun eigen zedelijke toestand moesten zij verschijnen voor Gods rechterstoel, waar geen purper hen beveiligt, maar het onkreukbare recht geoefend wordt. De secte van de Herodianen bestond wellicht uit partijgenoten van Herodes, en had vooral een staatkundig karakter, tot hoofddoel hebbende de handhaving van de nationale onafhankelijkheid van de joden tegenover de macht en eerzucht van de Romeinen. Waarschijnlijk wilden zij van Herodes, om hun doel bereiken, partij trekken. In het evangelie worden zij voorgesteld als in verbinding met de Farizeën, listig handelende tegen de Heer (zie Mattheüs 22:15-16; Markus 12:13-14).

Maar wij moeten nu terugkeren naar de geschiedenis van onze apostel. In Handelingen 15, na een afwezigheid van vijf jaar, gedurende welk tijdsverloop wij niets vernemen van zijn verblijf of werk, verschijnt Petrus opnieuw voor onze ogen. Hij neemt een werkzaam deel aan de vergadering in Jeruzalem, en schijnt zijn oorspronkelijke plaats onder de apostelen en oudsten te hebben behouden.

Petrus te Antiochië

Wij zien uit Galaten 2 dat hij spoedig daarop een bezoek bracht in Antiochië. Niettegenstaande de beslistheid van de apostelen en de gemeente te Jeruzalem, wordt Petrus door de zwakheid, die hem soms kenmerkte, tot een daad van huichelarij verleid. Het is heel wat lichter een kwestie in beginsel uit te maken, dan een genomen beslissing in de praktijk uit te voeren of toe te passen. Petrus had werkelijk in de Jeruzalemse vergadering ten aanhoren van allen verklaard dat het evangelie, hetwelk Paulus predikte, door de openbaring die hem gegeven was, niet minder een zegen was voor de joden dan voor de volken. En terwijl hij in Antiochië alleen is, handelt hij volgens dit beginsel, wandelende in de vrijheid van de hemelse openbaring, en etende met die uit de volken. Niet zodra komen echter zekere joodsgezinde Christenen van Jakobus in de stad, of hij durft niet langer van zijn vrijheid gebruik te maken. “Maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zich af uit vrees voor die uit de besnijdenis; en met hem huichelden ook de andere Joden, zodat zelfs Barnabas door hun huichelarij werd medegesleept” (Galaten 2:12-13). Terecht roept een zeker schrijver uit: “Welk een arm schepsel is de mens! Wij zijn zwak in evenredigheid van ons gewicht voor de mensen. Zodra wij niets zijn, kunnen wij alles doen, zonder de opinie van mensen te vrezen. Paulus, door de genade van God sterk en trouw, blijft alleen oprecht en bestraft Petrus in tegenwoordigheid van allen”.

Van die tijd af, 49 of 50 jaar na Christus, komt Petrus’ naam niet meer voor in het boek van de Handelingen; en zekere berichten omtrent de plaatsen, waar hij verder gearbeid heeft, hebben wij niet. Uit zijn opschrift boven de eerste brief, door hem gericht aan de Hebreeuwse Christenen, “verstrooid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en, Bithynië”, zou men kunnen vooronderstellen, dat hij in deze streken gearbeid heeft. Zijn tweede brief is van veel latere dagtekening, en moet geschreven zijn, kort vóór zijn dood. Zulks blijkt uit hetgeen hij in het eerste hoofdstuk zegt: “want ik weet dat het aqfleggen van mijn tentaanstaande is, zoals ook onze Heer Jezus Christus mij heeft bekend gemaakt” (2 Petrus 1:14). Zie Johannes 21:18-19.

De juiste tijd van Petrus’ bezoek te Rome is een onderwerp geweest van veel twistgeschrijf tussen roomse en protestantse schrijvers van alle eeuwen. Doch wij mogen nu voor uitgemaakt houden, dat hij deze stad niet bezocht tot kort voor het einde van zijn leven. Het jaar van zijn martelaarschap is evenmin zeker. Hoogstwaarschijnlijk was het omstreeks 67 of 68, toen hij ongeveer 70 jaar oud zal geweest zijn. De brand van Rome door Nero gesticht, wordt door Tacitus opgegeven als te hebben plaats gehad in juli 64. Spoedig daarop brak de vervolging tegen de Christenen uit; en onze apostel ontving, terwijl deze vervolging duurde, de eer van de martelaarskroon.

Hij werd veroordeeld tot de kruisdood, de vreselijkste en tegelijk schandelijkste dood. Doch hij verzocht van zijn beulen de gunst van niet op de gewone wijze gekruisigd te worden, maar met het hoofd naar beneden, zeggende dat hij onwaardig was te lijden in dezelfde houding, waarin zijn gezegende Heer en Meester voor hem geleden had. Zijn verzoek toegestaan zijnde, werd hij met het hoofd naar beneden aan het kruis gehecht. Hetzij dit nu een feit of een verdichtsel is, het is althans in overeenstemming met het vurig temperament, zowel als met de diepe ootmoed van de grote apostel.

Andréas

De gewijde geschiedschrijver is zeer uitvoerig geweest in het beschrijven van de handelingen van Petrus, maar zeer spaarzaam in het geven van bijzonderheden omtrent zijn broer Andreas. Met Petrus was hij opgeleid tot het handwerk van hun vader, waarmee hij doorging tot hij door de Heer geroepen werd om een “visser van mensen” te worden.

Andréas, gelijk andere jonge mannen uit Galilea, was een discipel geworden van Johannes de doper. Maar toen hij tot tweemaal toe zijn meester hoorde spreken over Jezus als het Lam van God, verliet hij Johannes om Jezus te volgen. Onmiddellijk daarna werd hij het middel om zijn broer Petrus tot de Heer te leiden. In zoverre heeft hij de eer de eerste van de apostelen te zijn, die Christus verkondigde (Johannes 1). Hij komt verder voor in Johannes 6 en 12, en in Markus 13; maar buiten deze weinige verstrooide berichten, deelt de Schrift niets aangaande hem mee. Zijn naam wordt niet vermeld in de Handelingen dan alleen in het eerste hoofdstuk.

De overlevering heeft vele dingen aangaande Andréas bewaard, doch wij wensen ons alleen bezig te houden met betrouwbare feiten. Men zegt dat hij gepredikt heeft Scythie, dat hij door Thracië, Macedonië en Thessalië heeft gereisd, en te Patrae in Acháje de marteldood heeft ondergaan. Zijn kruis moet samengesteld zijn geweest uit twee stukken hout, die elkaar in het. midden kruisten, zodat zij de vorm van de letter X uitmaakten, die nog altijd bekend is onder de naam van Andreas-kruis. Stervende bad hij en vermaande het volk om standvastig te blijven en te volharden in het geloof. Het jaar waarin hij stierf, is niet bekend.

De twee broers, Petrus en Andreas, alsmede die twee andere broers, Jakobus en Johannes, hebben hetzelfde beroep uitgeoefend.

Jakobus

Zie Lukas 5:1-11. Zebedeüs en zijn twee zonen, Jakobus en Johannes, waren bezig met hun gewoon bedrijf aan de zee van Galilea, toen Jezus daar voorbij kwam. Toen Hij de de twee broeders zag, riep Hij hen; “en zij lieten hun vader Zebedeüs in het schip achter met de knechten en gingen weg, Hem achterna”. Petrus en Andreas waren ook daar. Bij deze gelegenheid zei de Heer tot Petrus, af te steken naar de diepte, en het net uit te werpen om te vangen. Petrus wilde gaan redeneren: zij hadden de hele nacht gewerkt zonder iets te vangen. Nochtans op het woord van de Heer wordt het net uitgeworpen. “En toen zij dit hadden gedaan, omsloten zij een grote massa vissen, en hun netten scheurden”. Overweldigd door deze gebeurtenis, wenkte Petrus zijn medegenoten, die in het andere schip waren, om hen te komen helpen de gevangen vis aan land te brengen. Deze vier jonge mensen kwamen nu tot de volle overtuiging, dat Jezus de ware Messias was. Zij mochten te voren nog twijfels gehad hebben, nu echter niet meer. Op de roepstem van Jezus verlaten zij alles, en worden voorgoed zijn discipelen. Van nu aan zouden zij mensen vangen. In elke lijst, die wij van de apostelen bezitten, staan deze vier bovenaan.

Dit is de roeping van Jakobus als discipel, omtrent een jaar later wordt hij met de andere elf tot apostel verkoren.

Petrus, Jakobus en Johannes, soms ook Andréas, waren steeds de vertrouwde volgelingen van de Heer. Alleen de eerste drie werden toegelaten bij de opwekking van het dochtertje van Jairus. (Markus 5; Lukas 8). Dezelfde drie apostelen waren tegenwoordig bij de verheerlijking op de berg (Mattheüs 17; Markus 9; Lukas 9). Evenzo waren zij getuige van de benauwdheid van Zijn ziel in Gethsemane (Mattheüs 26; Markus 14; Lukas 22). Doch alle vier, Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas waren verenigd, toen zij de Heer ondervroegen omtrent de verwoesting van de tempel (Markus 13).

Zoals aan de naam van Petrus een verandering of toevoeging gegeven werd, vond dit ook plaats met de zonen van Zebedeüs, die Boanerges of “zonen van de donder” bijgenaamd werden. Grote dapperheid en getrouwheid kan de oorzaak geweest zijn, waarom Jakobus door Herodes uitgekozen werd om het eerst tot zwijgen te worden gebracht. Het verdient aandacht dat de “zoon van de donder” en de “steen” (Petrus) onder de eersten zijn, die gegrepen werden. Doch Jakobus genoot de eer om, het eerst de martelaarskroon te dragen in het jaar 44. Petrus werd door een wonder bevrijd.

Moederlijke naijver en de eerzucht voor haar zonen brachten er Salomé toe, de eerste plaatsen in het koninkrijk te vragen voor haar geliefd tweetal. De Heer liet het verzoek voorbijgaan met een zeer zacht verwijt, maar gaf aan de twee broers te kennen dat zij Zijn beker zouden drinken en met Zijn doop gedoopt worden. Aan Jakobus werd deze voorspelling reeds spoedig vervuld. Na de hemelvaart wordt hij in gezelschap met de andere apostelen gezien in Handelingen 1. En dan verdwijnt hij uit het gewijd verhaal, tot in Handelingen 12 zijn gevangenneming en terdoodbrenging vermeld worden. Daar wordt in de korte woorden van de gewi jde schrijver gezegd, dat koning Herodes Jakobus, de broer van Johannes, doodde met het zwaard.

Clemens van Alexandrië deelt een overlevering mee betreffende de marteldood van Jakobus, die niet geheel onwaarschijnlijk is. Toen hij naar de plaats van de terechtstelling gevoerd werd, was de soldaat, die hem naar de rechterstoel geleid, of liever daar beschuldigd had, zo bewogen door de geestkracht en de vrijmoedige belijdenis van Jakobus, dat hij berouw had over hetgeen hij had gedaan en, aan de voeten van Jakobus neervallende, vergeving vroeg voor hetgeen hij tegen hem getuigd had. Jakobus, na enige verwondering over dit feit, richtte hem op, omhelsde en kuste hem, en zei: “Vrede, mijn zoon! vrede zij met u, en uw zonden zijn vergeven”. Waarna de soldaat, in aller tegenwoordigheid, beleed een Christen te zijn, en beiden terzelfder tijd onthoofd werden. Zo ledigde Jakobus blijmoedig de beker, waarvan hij lang te voren de Heer gezegd had, dat hij in staat was die te drinken.

Johannes

Johannes, de zoon van Zebedeüs en Salomé, en jongere broer van Jakobus. Hoewel zijn vader een visser was, blijkt uit het geschiedverhaal, dat zij in welvarende omstandigheden verkeerden. Sommige kerkvaders spreken van het geslacht als rijk, en zelfs als met de aanzienlijksten verwant. Doch deze overleveringen zijn niet geheel overeen te brengen met de feiten, die de Schrift meedeelt. Toch lezen wij van hun “huurlingen” (Markus 1:20) en zij kunnen meer dan een schip in bezit gehad hebben. Salome was zeker een van de gezegende vrouwen, die de Heer dienden van haar goederen. En Johannes had een eigen huis (Lukas 8:3; Johannes 19:27). Uit een en ander kunnen wij veilig afleiden, dat hun toestand ver boven armoede verheven was. Daar velen tot een uiterste vervallen zijn in het spreken over de apostelen als arm en ongeletterd achten wij het goed de enkele wenken van de Schrift dienaangaande in herinnering te brengen.

Van het karakter van Zebedeüs weten wij niets. Hij maakte geen tegenwerpingen, toen zijn zonen hem verlieten op de roepstem van Jezus. Doch wij horen later niet meer van hem. Dikwijls treffen wij de moeder aan in gezelschap van haar zonen, doch de vader niet. Het is waarschijnlijk dat hij spoedig na de roeping van zijn zonen stierf.

De evangelist Markus zegt, dat de Heer aan Jakobus en Johannes de bijnaam gaf van Boanerges, dat is zonen des donders (Markus 3:17). Wat de bedoeling was van het geven van deze bijvoeging tot hun namen, is niet zo gemakkelijk uit te maken. Aan gissingen is geen gebrek. Sommigen vooronderstellen dat het was, omdat deze twee broers van een heviger en onverschrokkener aard en een vuriger temperament waren dan de overige apostelen. In de geschiedenis van het Evangelie vinden wij echter geen grond voor deze gissing. Bij een paar gelegenheden was hun ijver wel wat onstuimig; doch dat was, voor zij de aard van hun roeping verstonden. Meer waarschijnlijk gaf de Heer hun deze bijnaam, als profetie van hun vurige ijver in de openlijke en stoutmoedige verkondiging van de grote waarheden van het evangelie, nadat zij daarmee ten volle bekend zouden zijn geworden. Zeker zijn wij, dat Johannes in gezelschap met Petrus een moed tentoonspreidde, die alle dreiging trotseerde, en door geen tegenstand te overwinnen was.

Johannes wordt voorondersteld de jongste van al de apostelen geweest te zijn; en naar zijne geschriften te oordelen, schijnt hij een bijzonder hartelijke, zachte en beminnelijken aard te hebben gehad. Hij werd gekenmerkt als “de discipel, die Jezus liefhad”. Bij verschillende gelegenheden had hij de meest vertrouwelijke omgang met Jezus (Johannes 13).

“Hetgeen Johannes onderscheidt,” zegt Neander, “was de vereniging van de meest tegenovergestelde hoedanigheden, gelijk wij dikwijls hebben opgemerkt in voorname werktuigen ter uitbreiding van het koninkrijk van God – de vereniging van een stille en diep peinzende geest met een vurige ijver, die nochtans niet aandreef tot grote en afwisselende werkzaamheid in de buitenwereld, geen hartstochtelijke ijver, zoals wij ons die voorstellen bij Paulus voor zijn bekeering. “Doch hij bezat ook een liefde, niet week en toegeeflijk, maar die met alle macht aangreep en onwankelbaar vasthield het voorwerp, waarop zij gericht was – krachtig afstotende alles, wat aan dit voorwerp niet aangenaam kon zijn, of beproeven mocht haar ervan af te trekken”.

Daar de geschiedenis van Johannes nauw verbonden is met die van Petrus en Jakobus, kunnen wij nu kort zijn. De drie namen, hier genoemd, komen zelden gescheiden voor in de Schrift. Maar er is een toneel, waar Johannes alleen voorkomt, en dat herinnering verdient. Hij was de enige apostel, die Jezus volgde naar de plaats van Zijn kruisiging. En daar werd hij verwaardigd met de blik en het vertrouwen van zijn Meester: “Toen nu Jezus zijn moeder zag, en de discipel die Hij liefhad daarbij zag staan, zei Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zei Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar in zijn [huis] (Johannes 19:26,27).

Na de hemelvaart van Christus en de neerdaling van de Heilige Geest op de pinksterdag, werd Johannes een van de voornaamste apostelen van de besnijdenis. Zijn dienst strekte zich uit tot het eind van de eerste eeuw. Met zijn dood eindigt wat men noemt de apostolische eeuw.

Er bestaat een ruim verspreide en algemeen aangenomen overlevering, dat Johannes in Judéa bleef tot aan de dood van Maria. Het tijdstip daarvan is onzeker. Spoedig daarop ging hij naar Klein-Azië. Hier grondde en verzorgde hij verschillende gemeenten in vele steden, maar maakte Efeze tot zijn middelpunt. Van daar werd hij gebannen naar het eiland Patmos tegen het eind van de regering van Domitianus. Hij schreef op dit eiland de Openbaring (Openbaring 1:9). Bij zijn bevrijding uit de ballingschap, toen Nerva de troon beklom, keerde Johannes naar Efeze terug, waar hij zijn Evangelie en zijn drie Brieven schreef. Hij stierf omstreeks het jaar 100 na Christus, in het derde jaar van keizer Trajanus, omtrent honderd jaar oud zijnde.

Uit de menigte overleveringen betreffende Johannes kiezen wij slechts een, die ons het belangrijkste dunkt, en het meest de waarheid voor zich heeft. Onvermoeid in zijn liefde en zorg voor de zielen, werd hij eens diep gegriefd door de afval van een jongeling, in wie hij bijzonder belang gesteld had. De plaats, waar hij hem achtergelaten had, weer bezoekende, vernam hij dat de jonge man zich had aangesloten bij een roverbende, waarvan hij zelfs opperhoofd was geworden. Zijn genegenheid tot hem was zo sterk, dat hij besloot hem op te zoeken. Hij spoedde zich, naar de schuilplaats van de rovers, liet zich gevangen nemen, en verzocht in tegenwoordigheid van hun opperhoofd gebracht te worden. Toen deze de eerwaardige gestalte van de bejaarde apostel zag, ontwaakte zijn geweten. De herinnering aan de vroegere dagen was meer dan hij kon uithouden en hij vluchtte, ontsteld uit zijn tegenwoordigheid. Maar Johannes, vol vaderlijke liefde, ging hem na. Hij nodigde hem uit met berouw terug te keren tot de gemeente, en moedigde hem aan met de verzekering van de vergeving van zijn zonden in de naam van de Heer Jezus. De wonderbare genegenheid van Johannes voor de jongeling en zijn warme belangstelling voor diens ziel, overwonnen deze geheel en al. Hij deed boete, keerde terug, werd hersteld en was later een waardig lid van de Christelijke gemeenschap. Mogen wij hetzelfde doen, als wij hen die afgeweken zijn, zoeken weer terug te brengen.

Wordt D.V. vervolgd.

Oorspronkelijke titel: Church History
Vertaald uit het Engels door H.J. Lemkes
In boekvorm verkrijgbaar bij:
Stichting “Uit het Woord der Waarheid”, Postbus 260, 7120 AG Aalten

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol