1 jaar geleden

Afhankelijkheid in het leven van Jezus (09)

In gebed – afhankelijkheid en vertrouwen

“Bewaar mij, o God, want ik heb tot U de toevlucht genomen” (Ps. 16:1).

God is genoeg voor Zichzelf. Hij is aan niemand rekenschap schuldig en heeft niemand nodig om gelukkig te zijn (1 Tim. 1:11). Mensen daarentegen zijn afhankelijke schepselen, of ze het weten willen of niet. Hoe leeft een mens die zich bewust is dat hij elke dag de hulp van God nodig heeft? Hij vraagt God om hem te helpen en laat daardoor zien dat Hij afhankelijk is van Hem. Gebed is gepraktiseerde afhankelijkheid. Maar niet alleen dat: wanneer we bidden, tonen wij ook aan God dat we Hem vertrouwen, “want wie tot God nadert, moet geloven dat Hij is en dat Hij een beloner is van hen die Hem zoeken” (Hebr. 11:6). We bidden omdat we geloven dat God ons hoort en dat Hij met wijsheid op het gebed antwoordt.

De Heer Jezus is God en Mens in één Persoon – een wonder, dat we niet begrijpen, maar aanbiddend bewonderen kunnen. Hij beveelt de woedende storm en deze gaat liggen; de turbulente zee en de zwiepende golven gehoorzamen Hem, zodat er een grote stilte intreedt. De Zoon van God spreekt een woord en mensen worden onmiddellijk van ziekten genezen. Demonen schudden en gehoorzamen Zijn bevelende stem. Zelfs de dood moet wijken wanneer Hij mensen uit het graf roept. Hij zegt: “Ik ben”, en Zijn vijanden vallen op de grond. Hij maakt dat blinden zien, verlamden lopen, doven horen en stommen beginnen te spreken. Met vijf broden en twee vissen voedt Hij vijfduizend mannen plus vrouwen en kinderen!

Dezelfde Persoon kijkt nederig naar de hemel en bidt: “Bewaar mij, o God, want ik heb tot U de toevlucht genomen” (Ps. 16:1). Elke dag leeft Hij in het bewustzijn dat Hij de bewaring van God nodig heeft, en zoekt in gebed vol vertrouwen toevlucht bij Hem. Dat het gebedsleven van Jezus wordt gekenmerkt door vertrouwen, wordt op vele plaatsen duidelijk: bij het graf van Lazarus heft Hij Zijn ogen op naar boven en zegt: “Vader,  Ik dank U dat U Mij hebt gehoord. Ik wist wel dat U Mij altijd hoort” (Joh. 11:41,42). Wanneer hij gevangen genomen wordt, is Hij helemaal overtuigd dat God Hem op dat moment twaalf legioenen engelen terzijde zou stellen, als Hij Hem alleen daarom zou bidden ​​(Matth. 26:53). Zelfs in de hof van Gethsémané, waar Hij in Zijn gebed op Zijn aangezicht ligt, vertrouwt Hij dat voor Zijn Vader alles mogelijk is (Mark. 14:36). Tenslotte openbaart Zijn onwankelbaar vertrouwen in God zich in het feit, dat Hij met het oog op Zijn opstanding, zonder enige twijfel tot God zegt: “… ook zal mijn lichaam veilig wonen. Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten, U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet. U maakt mij het pad ten leven bekend; …” (Ps. 16:9,10,11).

Wij eren God wanneer we Hem vertrouwen, want daardoor tonen wij Hem en anderen, dat wij Hem betrouwbaar achten. Dit is één van de redenen waarom God Zich erover verheugt, wanneer we bidden. Het eert God, als we Hem grote dingen toevertrouwen, en ze dan ook in gebed tot Zijn eer verlangen.

De Heer Jezus heeft eens aan twee blinden, die Hem om erbarming smeekten, een hart-onderzoekende vraag gesteld: “Gelooft u dat Ik dit kan doen?” (Matth. 9:28). Soms is het goed om deze vraag te stellen als je begint voor iets te bidden. Het gebed van het geloof heeft een wonderbare belofte: “Alles wat u maar bidt en vraagt, gelooft dat u het ontvangt, en het zal u gebeuren” (Mark. 11:24).

Wat vertrouwen wij God in ons leven toe? Geloven wij, dat Hij ook op deze dag degenen die Hem zoeken, belonen zal?

Online in het Duits sinds 27.01.2017.

Jan Philip Svetlik, © www.bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol