Zegen en nederlaag (Gen. 14)
In Genesis 12 volgden we de zegen op het pad van het geloof, wat Abrams antwoord was op Gods roeping. We zagen ook hoe iemand kan vallen wanneer de kracht van de Heer ons niet ondersteunt.
In Genesis 13 zagen we, dat de gelovige de voordelen van deze wereld verzaakt als hij het pad van het geloof volgt. Daartegenover staat de droevige keuze van de gelovige die zich laat leiden door zijn natuurlijke ogen.
Genesis 14 toont ons de conflicten van de wereld: volken die tegen elkaar strijden. In deze conflicten behaalt de gelovige die de verleidingen van de wereld heeft afgewezen de overwinning. De gelovige daarentegen, die zich uitsluitend laat leiden door zijn natuurlijk oog, valt ten prooi aan de macht van deze wereld. Bovendien leren we, dat de strijd in deze wereld uiteindelijk, onder Gods oordeel, leidt tot de bevrijding van Gods volk en tot de vestiging van de heerschappij van Christus als Priester en Koning. Dit wordt geïllustreerd door Melchizedek, de koning van Salem.
Conflict (vs. 1-11)
Het hoofdstuk begint met een grimmige beschrijving van deze kwaadaardige wereld van nu. Het is een scène waarin naties zich opsplitsen in groepen en allianties vormen om hun uitbreidingsplannen uit te voeren. Tegelijkertijd proberen ze zich te beschermen tegen aanvallen.
Bovendien is het een wetteloze wereld, waar mensen gedwongen worden om tegen hun wil regeringen te dienen of in opstand te komen tegen deze regeringen om hun vrijheid terug te winnen (vs. 4).
Zo wordt de hele wereld, of het nu de hogere of de lagere sferen betreft – de berg of de woestijn (vs. 6) – een plaats van oorlogszuchtige belangen en zelfzuchtige conflicten.
Gevangenname (vs. 12)
Het verhaal van deze conflicten in de wereld leidt tot iets buitengewoon leerzaams: het contrast tussen de gelovige die zich laat leiden door zijn ogen en degene die leeft door geloof. Tijdens deze strijd wordt Lot, de man van de ogen, gevangen genomen door de wereld. Abraham, daarentegen, de man van het geloof, behaalt overwinningen op de wereld.
We lezen, de zegevierende koningen namen “Lot, de zoon van Abrams broer, en zijn bezittingen mee en trokken weg; hij woonde namelijk in Sodom” (vs. 12). Het is veelzeggend, dat er van Lot staat in hoofdstuk 13 vers 12: “… en zette zijn tenten op tot bij Sodom,” en hij sindsdien weer een stap lager is gekomen, want we lezen hier: “Hij woonde namelijk in Sodom.” We kunnen er zeker van zijn, dat het niet Lots bedoeling was om in Sodom te wonen toen hij zijn tenten in de richting van die stad opsloeg. Maar de ene verkeerde stap leidt tot de andere. Dichter bij de wereld komen leidt al snel tot leven in de wereld. En door in de wereld te leven, raakt Lot ook betrokken bij haar conflicten en gevangen door haar heerschappij.
Het blijft waar, dat de gelovige die zich in deze wereld vestigt, geen kracht heeft tegen deze wereld. Waar geloof ontbreekt, dat uitkijkt naar de komende heerlijkheid, daar is ook geen geloof om de huidige, boze wereld te overwinnen. Dit is precies het geval met Lot. Hij overwon de wereld nooit, maar werd herhaaldelijk overwonnen door de ene na de andere kwade invloed. Hij accepteerde de plaats van uiterlijke afzondering door de leiding van Abraham, niet zozeer door geloof in God. En toen de beproeving kwam, raakte hij in de ban van de schijnbaar goede vooruitzichten die hij voor ogen had. Doordat hij zich steeds meer tot de wereld wendde, raakte hij steeds meer onder haar invloed en vestigde zich in Sodom. Uiteindelijk, wonend in Sodom moet hij vaststellen, dat hij op de dag van de strijd als een zeer eenzame man geworden is, zonder kracht en zonder iemand die hem kon helpen. Bovendien kon hij niet op Gods hulp rekenen. Machteloos op de dag van de strijd werd hij gevangengenomen door zijn vijanden.
De tegenstelling (vs. 13-16)
In tegenstelling tot Lot, die de wereld voor zichzelf koos en er zo een gevangene van werd, maken we nu kennis met de man die de voordelen van de wereld verwierp en haar daardoor overwon. Lot was, zoals we hebben gezien, onvoorbereid op de dag van de strijd. Abraham daarentegen, die afgezonderd van de wereld leefde, was voorbereid op het conflict. Hij had mensen in zijn huishouding die getraind waren voor de strijd. En zo was hij zelf ook in staat om de goede strijd te strijden – maar niet om zichzelf te verrijken of de rijkdommen van deze wereld te verwerven, maar om een broeder te bevrijden die gevangen zat in de macht van de wereld.
De wapens waarmee wij strijden zijn niet van vlees en bloed. Wij strijden ook niet tegen vlees en bloed (Ef. 6:12). Niettemin is de christelijke strijd zeer reëel. Wij verdedigen de waarheid en proberen hen te bevrijden, die dreigen in de religieuze wereld te vervallen of die er al door gevangen zijn.
Paulus leefde in het licht van een andere wereld en roemde in het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor hem gekruisigd was en hij voor de wereld. Hij streed de goede strijd en ontkwam zo aan de listen van hen die rijk wilden worden en zich daardoor met vele smarten hebben doorboord (vgl. 1 Tim. 6:10). Hij streed een grote strijd voor hen die dreigden te vallen onder de macht van de religieuze wereld (Kol. 2:1).
Beloning (vs. 17-24)
Abraham overwint echter niet alleen de vijandschap van de wereld, maar hij bewaart zich ook in het aangezicht van haar verschrikkingen en haar geschenken. We kunnen verheven zijn boven de vijandschap van de wereld en toch ten prooi vallen aan haar liefdadigheid. En we lopen nooit meer gevaar om te vallen dan juist op het moment van de overwinning. De vijand weet dit maar al te goed. En daarom komt hij met verleidingen juist wanneer we niet op onze hoede zijn. Zo verging het Abraham: “Toen trok de koning van Sodom hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was …” (vs. 17) van zijn overwinning op de vijandelijke koningen.
Maar wanneer de koning van Sodom Abraham komt verzoeken, is de koning van Salem al aanwezig om hem te steunen. De Heilige Geest heeft ons de geestelijke betekenis van deze prachtige scène gegeven in de brief aan de Hebreeën. Daar wordt Melchizédek geïntroduceerd als een type van de heerlijkheid van de Heer Jezus. Zijn naam en die van zijn land duiden erop, dat hij koning van de gerechtigheid en koning van de vrede was. Bovendien was hij “priester van God de Allerhoogste” (Hebr. 7:1-3). Als koning brengt hij gerechtigheid en vrede aan zijn onderdanen. Als priester leidt hij zijn volk in het zingen van lofliederen voor God. Als Gods vertegenwoordiger voor de mensheid zegent Melchizédek Abraham in Gods naam. Als vertegenwoordiger van de mens voor God zegent hij, dat wil zeggen, hij prijst God de Allerhoogste, in Abrahams naam.
Zo zal God in de komende dagen van het duizendjarige rijk bekendstaan als de Allerhoogste, die Zijn aardse volk zal bevrijden van hun vijanden en elke vijandige macht in het oordeel zal treffen. Dan zal Christus werkelijk schitteren als Koning en Priester. Dit wordt ons rechtstreeks meegedeeld door middel van profetie: “… Híj zal met majesteit bekleed zijn, Hij zal zitten en heersen op Zijn troon. Hij zal Priester zijn op Zijn troon; tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden” (Zach. 6:13). Hij zal de ware Koning van de gerechtigheid, de Koning van de vrede en de priester van God, de Allerhoogste zijn.
Nadat Melchizédek brood en wijn had gebracht, was aan Abrahams behoeften voldaan en was zijn vreugde verzekerd. Zo kon hij de gaven van deze wereld afzweren. Abraham had zijn hand opgeheven naar de Heer, God de Allerhoogste. Hij is Degene die alle volheid bezit in de hemel en op aarde. Omdat hij door God gezegend was, wilde hij niets van deze wereld aannemen, zodat de wereld niet kon zeggen: “Ik heb Abram rijk gemaakt” (Gen. 14:23).
Gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten en verrijkt met de ondoorgrondelijke rijkdommen van Christus, kan de gelovige boven de verleidingen van deze wereld uitstijgen en haar geschenken en eerbewijzen afwijzen. Hij bewandelt de weg van het geloof op een weg van afzondering, en geniet van de vrede in zijn hart. Het geloof wandelt dit pad in het licht van de toekomstige wereld. Het geloof weet, dat alle strijd van deze wereld zal eindigen in het glorieuze rijk van Christus, wanneer Hij Zijn arme, misleide volk bevrijdt van hun vijanden en gerechtigheid en vrede op deze aarde gevestigd zullen zijn. Zo lezen we: “Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid en over Uw ellendigen met recht. De bergen zullen voor het volk vrede dragen en de heuvels, met gerechtigheid” (Ps. 72:2-3).
Hamilton Smith ; © www.bibelpraxis.de
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW