De roeping van God (Gen. 11:31-12:3)
In het eerste deel van het leven van Abraham zien we:
- Het pad van geloof, dat op de roep van God antwoordt;
- de hindernissen op dit pad;
- het geloof, dat dit pad bewandelt;
- de zegeningen op dit pad, maar ook de mislukkingen, verleidingen en worstelingen onderweg.
Het karakter van de roeping
Een Goddelijke roeping
De eerste grote waarheid die we leren uit het inleidende deel van de geschiedenis van Abraham is het gezegende karakter van Gods roeping. Uit de toespraak van Stéfanus, zoals die in Handelingen 7 wordt beschreven, leren we dat “de God van de heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij in Mesopotamië was” (vs. 2). Hier ontdekken we wat deze roeping onderscheidt van alle andere: ze komt van God – de God der heerlijkheid. In deze wereld, met haar steden en torens die de hemel lijken te bereiken, is er niets, dat over God spreekt; alles is er alleen maar op gericht om de menselijke glorie te verheerlijken en te tonen. “De God der heerlijkheid” spreekt van een totaal andere wereld, een wereld waarin niets van de mensheid te zien is. Alleen Gods heerlijkheid wordt hier geopenbaard. Het is de God, die aan de mens, die leefde in een wereld die van God vervreemd was, en die zelfs in afgoderij was vervallen, in wonderbare genade verschijnt. Dit is dan de heerlijkheid van Degene die aan Abraham verschijnt, Degene die betekenis geeft aan deze roeping. Deze Persoon geeft het geloof zijn gezag en kracht om de roeping op de juiste manier te volgen.
Een roeping die verdeeldheid zaait
Ten tweede leren we, dat deze roeping een verdeeldheid zaaiende is. Het woord tot Abraham was: “… Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader …” (Gen. 12:1). Abraham krijgt niet de opdracht om in Ur te blijven en de goddeloosheid van de mensheid te bestrijden. Hij krijgt ook niet de opdracht om de sociale omstandigheden te verbeteren of de heersende politieke situatie te hervormen, noch om de wereld te verbeteren of mooier te maken. Hij wordt geroepen om de wereld in alle opzichten te verlaten. Hij moet vertrekken uit:
- De politieke wereld – “uw land”;
- de sociale wereld – “uw familiekring” en
- de familiewereld – “het huis van uw vader.”
De roeping is vandaag de dag niet minder duidelijk. De wereld om ons heen heeft de schijn van godsvrucht, maar bezit niet de bijbehorende kracht (2 Tim. 3:5): dit is de wereld van het verdorven christendom. En de brief die ons vertelt, dat we deelgenoten zijn van de hemelse roeping, spoort ons ook aan om ons af te scheiden van de verdorvenheid van de wereld. We moeten “naar Hem uitgaan buiten de legerplaats, terwijl wij Zijn smaad dragen” (Hebr. 13:13). Niet dat we de overheid boven ons moeten minachten – die is immers door God ingesteld (Rom. 13:1). Evenmin mogen we familiebanden verwaarlozen – die zijn ons door God gegeven. Ten slotte moeten we niet ophouden hoffelijk en vriendelijk te zijn en goed te doen aan alle mensen, wanneer we de gelegenheid daartoe hebben (Gal. 6:10). Maar als gelovigen zijn we geroepen om geen deel te nemen aan de politieke activiteiten van deze wereld, aan sociale kringen en aan alle gebieden waar onze niet-bekeerde familieleden hun pleziertjes beleven zonder God. We zijn niet geroepen om de wereld te hervormen of te proberen haar toestand te verbeteren. Nee, we moeten ons juist van hen afwenden. Het Woord is nog steeds op ons van toepassing: “Daarom, gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is, en Ik zal u aannemen. Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer [de] Almachtige” (2 Kor. 6:17-18).
Een geruststellende roeping
Ten derde is deze roeping van God, die Abraham van deze wereld scheidde, een roeping om naar een andere wereld te worden geleid, “… het land dat Ik u wijzen zal” (Gen. 12:1), zoals God het noemt. Als de God der heerlijkheid aan Abraham verscheen, was dat om hem in de heerlijkheid van God te brengen. Zo eindigt Stéfanus’ indrukwekkende rede, die begint met de verschijning van de God der heerlijkheid aan een mens op aarde, en eindigt met de verschijning van een mens in de heerlijkheid van God in de hemel. Aan het einde van zijn woorden kijkt Stéfanus aandachtig naar de hemel en zag “de heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan Gods rechterhand” (Hand. 7:55). Hij zegt daarna: “Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon van des Mensen, staande aan Gods rechterhand!” (vs. 56). Wanneer we Christus in heerlijkheid aanschouwen, herkennen we het wonderbaarlijke doel, dat God in zijn hart had toen Hij ons uit deze wereld riep. Hij heeft ons geroepen tot heerlijkheid, om Christus gelijk te zijn en met Christus te leven in een rijk, waar alles spreekt van God en daarvan, wat Hij in de ondoorgrondelijke liefde van Zijn hart is.
God zegt niet tegen Abraham: “Als u Mijn roep beantwoordt, zal Ik u onmiddellijk het bezit van het land geven!” Maar Hij zegt tegen hem: “… het land dat Ik u wijzen zal.” Op dezelfde manier geeft God ons – samen met Stéfanus, om zo te zeggen – de gelegenheid om, wanneer we naar Zijn roep luisteren, de Koning in Zijn schoonheid te zien en ook het land dat ver weg is. We kijken omhoog en zien Christus in heerlijkheid.
Een zegenrijke roeping
Ten vierde is er een grote zegen voor degene die naar de roep luistert. God zegt tegen Abraham, die afgezonderd was van de boze, huidige wereld: “Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken …” (Gen. 12:2). De mensen van deze wereld proberen naam te maken voor zichzelf. Ze zeggen: “… en laten we voor ons een naam maken …” (Gen. 11:4). Maar God zegt tegen de afgezonderde mens: “Ík zal u zegenen, en Ík zal uw naam groot maken.”
De natuurlijke neiging van ons hart is altijd om naam te maken voor onszelf. En het vlees grijpt alles aan, zelfs de dingen van God, als een gelegenheid om zichzelf te verheffen. Deze neiging was zelfs te zien bij de discipelen van de Heer, toen ze ruzie maakten over wie van hen de grootste was.
De verstrooiing van het volk in Babel en de verdeeldheid binnen het christendom, evenals elk conflict binnen het volk van God, kunnen worden herleid tot één enkele oorzaak: de ijdelheid van het vlees wil zichzelf groot maken.
De nederige aard van de Heer Jezus was er een van niet streven naar roem. “Daarom heeft God hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is” (Fil. 2:9). God verheerlijkte Zijn naam. En tegen degene die de nederige gezindheid van Christus heeft en Hem buiten de legerplaats volgt door Gods roepstem te volgen, zegt Hij: “Ik zal uw naam groot maken.” God kan een gelovige in Zijn heerlijkheid een veel grotere naam geven dan wij in deze huidige, boze wereld voor onszelf kunnen doen.
Uitgaande van een eerlijke bekentenis, zouden sommigen toegeven, dat hun ware motivatie om in een valse positie te blijven, het verborgen verlangen is om groot te zijn. Daarom mijden ze een pad van onopvallendheid buiten de hedendaagse religieuze wereld. Zien we niet in de Schrift, zoals we ook uit onze dagelijkse ervaring weten, dat degenen die geestelijk groot waren onder Gods volk, altijd afgezonderde mensen waren – mensen die naar Gods roepstem luisterden? Elke afwijking van het pad van afzondering heeft daarentegen geleid tot een verminderde invloed en een verlies van geestelijke grootheid onder Gods volk.
Een roeping met zegenrijke uitwerkingen
Ten vijfde zegt God tegen Abraham: “… en u zult tot een zegen zijn!” (Gen. 12:2). Wat zijn uiterlijke, zichtbare levensweg betreft, zou Abraham niet alleen zelf gezegend worden, maar tegelijk ook een zegen zijn voor anderen. We moeten de betekenis van deze woorden zorgvuldig overwegen. Hoe vaak blijft een gelovige in een verbinding waarvan hij toegeeft, dat die niet in overeenstemming is met het Woord van God? Vervolgens probeert hij te beargumenteren, dat hij nuttiger is voor anderen dan wanneer hij zich uiterlijk zou terugtrekken naar een plaats van afzondering. Maar we moeten bedenken, dat God niet tegen Abraham zegt: “Als u in Ur bij de Chaldeeën blijft, of halverwege stopt bij Haran, zult u een zegen zijn.” Integendeel, tegen Abraham, als iemand die Gods roeping gehoorzaamt, wordt gezegd: “U zult tot een zegen zijn.”
Een beschermende roeping
Ten zesde wordt Abraham verteld, dat hij op deze plaats, buiten de wereld die hij kende, Gods beschermende zorg zou ervaren. Hij zou zeker tegenstand en beproevingen ondervinden, want het blijft waar dat “wie zich afkeert van het kwade, wordt beroofd” (Jes. 59:15). Maar God zegt tegen deze afgezonderde man: “Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken” (Gen. 12:3). De afgezonderde man wordt veel van de beproevingen bespaard die een gelovige treffen die in gemeenschap met deze wereld wil blijven. Gods genade redde Lot van het lot van Sodom. Maar door deze verkeerde verbinding verloor hij alles: vrouw, kinderen, rijkdom en zelfs zijn naam.
Een werkzame roeping
Nadat Abraham in geloof handelt naar Gods Woord, wordt hem als zevende gezegd: “In u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden!” We kennen de toepassing die de Geest van God aan deze belofte geeft. Hij zegt: “De Schrift nu, die voorzag dat God de volken op grond van geloof zou rechtvaardigen, verkondigde tevoren aan Abraham de blijde boodschap: ‘In u zullen alle volken gezegend worden’.” (Gal. 3:8). Abraham voorzag niet, en hij kon ook niet weten, welke verstrekkende gevolgen zijn daden in geloof, als reactie op Gods roeping, zouden hebben. Maar God voorzag, dat dit handelen de enige manier was om alle geslachten op aarde te zegenen. Zo kan ook in de kleine mate die wij kunnen bereiken, alleen God de verstrekkende zegen voor anderen voorzien, die voortkomt uit één ziel die, in eenvoudig en diep geloof, luistert naar Gods roepstem.
De hindernis om naar Gods roeping te luisteren
We hebben de gezegende beloften gezien die met Gods roeping verbonden zijn, en we zullen leren hoe geloof die roeping beantwoordt. Maar eerst laat dit leerzame verhaal ons zien, hoe vaak een gelovige tijdelijk kan worden belemmerd om Gods roeping te volgen.
Uit de toespraak van Stefanus, zoals beschreven in Handelingen 7, leren we, dat deze roeping Abraham bereikte “toen hij in Mesopotamië was, voordat hij woonde in Haran” (vs. 2). Abrahams natuurlijke verbindingen belemmerden zijn reactie op deze roeping. Abraham werd geroepen, maar de natuurlijke mens kan blijkbaar een tijdlang grote ijver tonen in reactie op zo’n roeping. Hij kan zelfs het voortouw nemen, want we lezen: “En Terah nam Abram, zijn zoon … en zij trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën om naar het land Kanaän te gaan” (Gen. 11:31). De natuurlijke mens kan proberen het pad van het geloof te bewandelen. En in het begin kan hij zelfs de juiste dingen doen met de beste bedoelingen. Maar de natuurlijke mens zal in zijn zelfvertrouwen altijd meer willen doen, dan hij aankan. Hoewel Terah Ur verlaat “om naar het land Kanaän te gaan,” bereikt hij echter dat land nooit. De menselijke natuur stopt halverwege in Haran, en Terah woont daar tot zijn dood.
En wat gebeurt er met Abraham, de man Gods? Een tijdlang laat hij zich ervan weerhouden om volledig gehoor te geven aan Gods roeping. Het was immers niet alleen zo, dat zijn vader met hem meeging; Abraham liet zijn vader de leiding nemen, want we lezen: “Terah nam Abram, zijn zoon … .” Het gevolg hiervan is, dat hij aanvankelijk het land waartoe hij geroepen is, niet bereikt. We lezen in de rede van Stefanus: “Toen vertrok hij uit [het] land van [de] Chaldeeën en ging in Haran wonen. En nadat zijn vader was gestorven, bracht Hij hem vandaar over in dit land …” (Hand. 7:4).
Hoe vaak zijn we er wel niet door geliefde familieleden van weerhouden om de weg van afzondering te kiezen die in overeenstemming is met Gods roeping? De roeping bereikt de gelovige, hij herkent de waarheid ervan; en toch stelt hij het gehoorzamen uit omdat een naaste familielid niet bereid is deze stap van uiterlijke, zichtbare scheiding te zetten. De ziel klampt zich vast aan de hoop dat, door nog even te wachten, het naaste familielid ook tot het besef van deze roeping zal komen, zodat ze samen kunnen handelen. Het geloof kan echter het natuurlijke niet verheffen tot de hoogten van het geloof, ook al kan het natuurlijke de gelovige naar beneden trekken en hinderen. Er zijn vele redenen te bedenken om deze halfslachtige stap te verontschuldigen. Maar uiteindelijk komt het neer op niets meer dan het stellen van de eisen van de natuur boven Gods roeping. Dan moet God – zoals in het verhaal van Abraham – wellicht een sterfgeval in de familie laten plaatsvinden om degene te verwijderen die ons ervan weerhield Gods roeping te volgen. Abraham volgde Gods roeping in ieder geval pas volledig nadat zijn vader gestorven was.
Hamilton Smith ; © www.bibelpraxis.de
Geplaatst in: Christendom, Geloof
© Frisse Wateren, FW