55 minuten geleden

Abraham (1)

Leestijd Abraham totaal: 115 minuten

Met de publicatie van deel 37 is Hamilton Smiths bijbelcommentaar nu volledig vertaald. Het richt zich op de man van geloof, Abraham. Veel belangrijke details uit Abrahams leven worden toegepast op het heden – met name op het begin en midden van de vorige eeuw, de periode waarin Hamilton Smith leefde. De punten die Smith aanhaalt, blijven echter ook vandaag de dag relevant.

Voorwoord

Het is bijna onmogelijk om het belang van de kennis van Gods omgang met Abraham en zijn nageslacht voor een goed begrip van de Bijbel te overschatten. De Heer zei tegen hem: “Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden” (Gen. 12:3). Uit Galaten 3 leren we, dat dit nageslacht “Christus” was. Alleen in Hem worden de zegeningen van het verbond met Abraham werkelijkheid.

Abraham is ook een van de meest interessante figuren uit de Bijbelse geschiedenis. Er zijn weinig mensen die zo vaak in de Bijbel genoemd worden. Een blik in een Bijbelconcordantie laat zien, dat Abraham, naast zijn talloze vermeldingen in het Oude Testament, meer dan 70 keer in het Nieuwe Testament voorkomt. Hij heeft de bijzondere status van “vriend van God” (Jak. 2:23).

Om Abraham voor te bereiden op de plaats die God voor hem had voorbeschikt, verscheen de God der heerlijkheid aan hem (Hand. 7:2) en gaf hem prachtige visioenen – visioenen van de Heer Jezus (Joh. 8:56) en van de hemelse stad, “die de fundamenten heeft, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is” (Hebr. 11:10).

In dit boek worden de praktische lessen benadrukt die we uit zijn leven kunnen leren.

Aan de overkant van de rivier (Gen. 11:27-30)

Om de geschiedenis van Abraham te begrijpen en er werkelijk profijt van te hebben, is het nodig de aard van de wereld waarin hij leefde en waaruit hij geroepen werd, te beschouwen.

De achtergrond van zijn leven

De apostel Petrus verwijst naar de tijd vóór de zondvloed en noemt het “de toenmalige wereld” (2 Petr. 3:6). De apostel Paulus spreekt over de “tegenwoordige boze eeuw” (Gal. 1:4) en ten slotte over “het toekomstige aardrijk* (Hebr. 2:5), waarmee hij de wereld tijdens het duizendjarige rijk bedoelt. Dit is dus de wereld van het verleden, het heden en de toekomst.

* De uitdrukking doelt op een bekende Joodse onderscheiding tussen de ‘tegenwoordige eeuw’ (verg. Hebr. 9:9; Gal. 1:4; Tt. 2:12) en de ‘toekomstige eeuw’ (verg. Hebr. 6:5; 9:11), d.i. het nieuwe bestel dat door de Messias zal worden ingevoerd.

De wereld vóór de zondvloed werd door de zondeval verwoest en werd vervolgens volledig wetteloos. Gedurende ongeveer 1650 jaar verdroeg God de toenemende verdorvenheid van de mensheid, totdat de hele wereld voor God verdorven en vol geweld was (Gen. 6:11). Toen reageerde God met een oordeel, waardoor “de toenmalige wereld, door water overstroomd, vergaan is” (2 Petr. 3:6).

Na de zondvloed begon de wereld zoals wij die nu kennen. Dit begin werd gekenmerkt door geheel nieuwe elementen. Er werd een regering ingesteld, zodat, door de barmhartigheid van God, het kwaad niet langer ongestraft zou blijven. De mensheid werd verantwoordelijk gesteld voor het beteugelen van het kwaad door recht te spreken over de goddelozen. Aan Noach werd gezegd: “Vergiet iemand het bloed van de mens, door de mens zal diens bloed vergoten worden …” (Gen. 9:6).

Maar net zoals de mensheid faalde in het tijdperk van onschuld en de wereld vernietigde vóór de zondvloed, zo faalde de mensheid ook in het uitoefenen van bestuur en vernietigde de huidige wereld. Zoals altijd wanneer verantwoordelijkheid aan de mensheid is toevertrouwd, faalt ze, al vanaf het begin. Noach kreeg de taak om te regeren. Maar hij faalde ook in het “regeren” van zichzelf. Hij werd dronken en zijn zoon bespotte hem.

Helaas hebben deze dingen de regeringen van deze wereld altijd gekenmerkt. Degenen die verantwoordelijkheid kregen, faalden in de uitoefening van de regering. En de tegenpartij aan de andere zijde bespotte dit falen. Bovendien kunnen we zien, dat mensen in de loop der tijd de macht van de overheid hebben misbruikt om zichzelf te verheerlijken. Vervolgens handelden ze onafhankelijk van God. Ze zeiden: “Kom, laten wij voor ons een stad bouwen … en laten we voor ons een naam maken …” (Gen.11:4). Uiteindelijk keerde de wereld zich volledig van God af en ging in plaats daarvan afgoderij bedrijven, want we lezen: “… Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaderen van oude tijden af gewoond, namelijk Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend” (Joz. 24:2).

Om het kwaad in toom te houden, werd de wereld verdeeld in verschillende families: zo ontstonden verschillende nationaliteiten en verschillende talen.

Dit was dus het begin van de huidige wereld, en dit is het karakter van de huidige tegenwoordige boze wereld, die steeds sneller op het oordeel afstevent. Het is een wereld waarin God de macht heeft gegeven. Maar die wordt vernietigd door toedoen van de mens, doordat mensen onafhankelijk van God handelen, zichzelf verheffen en uiteindelijk volledig van God afvallen en afgodendienaars worden.

Het keerpunt in het leven van Abraham

God heeft deze wereld meer dan 400 jaar verdragen. Toen verscheen de God der heerlijkheid aan een mens op deze aarde en begon te handelen op een geheel nieuwe basis: die van Gods soevereine roeping. Deze nieuwe handelwijze heft de heerschappij van deze wereld niet op. Evenmin is er een voorstel om deze wereld te verbeteren of te hervormen, of om het kwaad erin te corrigeren. Gods handelen laat de wereld precies zoals ze is, maar bevestigt Gods autoriteit over een individu, die in soevereine genade is uitverkoren en uit de wereld wordt geroepen.

We kunnen het belang van deze grote waarheid niet negeren, aangezien we uit de leer van het Nieuwe Testament opmaken dat God vandaag de dag nog steeds volgens hetzelfde principe werkt. De gemeente (kerk, gemeenschap) bestaat volledig uit individuen die door genade geroepen zijn. De apostel Paulus stelt duidelijk, dat God ons niet alleen heeft behouden, maar ons ook geroepen heeft, en dat deze roeping “een heilige roeping is … naar Zijn eigen voornemen en [de] genade” (zie 2 Tim. 1:9). In zijn brief aan de Romeinen worden we er ook aan herinnerd, dat gelovigen “naar [Zijn] voornemen zijn geroepen” (Rom. 8:28). De apostel spreekt de gelovige Hebreeën dan ook aan als “deelgenoten van [de] hemelse roeping” (Hebr. 3:1). De apostel Petrus vertelt ons: “Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht” (zie 1 Petr. 2:9), en hij voegt eraan toe: “De God nu van alle genade, Die u heeft geroepen tot Zijn eeuwige heerlijkheid” (1 Petr. 5:10).

Het is dus duidelijk, dat gelovigen niet alleen ‘behouden’ zijn, maar ook ‘geroepen.’ Het is natuurlijk de eerste zorg van een angstige ziel, zoals die van de gevangenbewaarder in Filippi (Hand. 16:30): “Wat moet ik doen om behouden te worden?” Maar nadat we de behoudenis hebben gevonden door het geloof in Christus en Zijn volbrachte werk, nemen we te vaak genoegen met de wetenschap, dat onze zonden vergeven zijn, zodat we beschermd zijn tegen het oordeel en gered zijn van de hel. We zijn traag in het erkennen, dat hetzelfde evangelie dat ons het goede nieuws van behoudenis van het oordeel brengt, tegelijk ook Gods roeping tot de heerlijkheid van Christus verkondigt. De apostel kan daarom niet alleen tegen de gelovigen in Thessalonica zeggen: “… dat God u als eerstelingen heeft verkoren tot behoudenis …,” maar hij voegt daar onmiddellijk aan toe: “… waartoe Hij u door ons evangelie <ook> geroepen heeft, tot verkrijging van [de] heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus” (2 Thess. 2:13-14).

Deze verschillende Bijbelpassages maken duidelijk, dat God ons geroepen heeft omdat Hij een doel in Zijn hart heeft dat Hij wil vervullen. Bovendien leren we, dat deze ‘roeping’ inhoudt, dat we geroepen werden uit een wereld gehuld in duisternis en onwetendheid over God, om te komen in het wonderbaarlijke licht van wat God voor Christus in een andere wereld heeft gepland. En als we ook geroepen zijn tot de hemel, is dat opdat we de heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus mogen bereiken. Het doel van deze hemelse roeping is om met Christus te zijn en op Christus te lijken.

Onze interesse in het leven van Abraham

Dit zijn enkele van de gezegende waarheden die verbonden zijn met Gods roeping, en die we geïllustreerd zien in het leven van Abraham. De praktische betekenis van het verhaal van Abrahams leven ligt in het feit, dat deze grote waarheid van Gods roeping ons niet wordt gepresenteerd door middel van een dogmatische verklaring, maar door het leven van een man die dezelfde gevoelens had als wij. Zo onderwijst God ons op een wijze die ook de meest eenvoudige gelovige kan begrijpen.

Wordt DV vervolgd.

Hamilton Smith ; © www.bibelpraxis.de

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW