11 jaar geleden

2000 jaar Paulus

Van 28-06-08 tot 29-06-09 gedenkt de Rooms Katholieke Kerk de apostel Paulus. “Hun” apostel Paulus. In een publicatie van de “Heilige Stoel”, die op een toespraak van de in dienst zijnde paus teruggaat, heet het: Zoals de geboorte van Rome op het mythische paar van de broers Romulus en Remus teruggevoerd wordt, zo worden Petrus en Paulus als de grondleggers van de kerk van Rome gehouden. Hebt u behoefte aan religie, aan spiritualiteit, aan innerlijke ervaringen, aan emotionele verrassingen? Hebt u in uw zoektocht naar de ware zin van het leven al eens gericht op de Bijbel en uw leven laten beschijnen door God? …

Het Paulus-jaar

Mensen hebben een behoefte aan geloof, of aan religiositeit, spiritualiteit, het innerlijke. Daarom is het goed om zich op de Bijbel te funderen, die de openbaring van God over de relatie van God tot de mensen is. Nog beter is het, de (boodschap van de) Bijbel in het hart te bewaren, om haar te doen. Dat mag voor sommigen weinig aantrekkingskracht bezitten. Vandaar dat zij andere steunpilaren zoeken, om tot een spiritueel leven gevoerd te worden. De Rooms Katholieke Kerk neemt deze wensen over en zet in op traditie, gedeeltelijk zelfs op sentiment. Zo ook in dit jaar.

Sinds het einde van juni heeft zij het Paulus-jaar uitgeroepen en beroept zich op Paulus naast Petrus als medegrondlegger van de kerk van Rome. Hoe de plaatselijke gemeente te Rome werkelijk ontstaan is, zegt het woord van God helemaal niet. Uit Handelingen 2:10 weten we dat op de Pinksterdag waarop de gemeente [vergadering – vertaler] in Jeruzalem ontstond, Joden uit Rome aanwezig waren. Of zij zich bekeerden en het evangelie verkondigden, of dat de gemeente in Rome door andere reizende broeders ontstaan is, bericht de Bijbel niet. Wij moeten dat dus open laten.

Het geboortejaar van de apostel Paulus kennen we ook niet precies. Wetenschappers echter nemen aan, dat hij tussen 7-10 jaar na Christus geboren werd. Vandaar kan het kloppen dat hij in deze maanden 2000 jaren oud geworden zou zijn. Maar wat is van het onderwijs van deze grote dienaar van de Heer overgebleven, wanneer wij in de huidige tijd, in ons leven en dat van de kerken kijken? Opdat ieder voor zichzelf deze vraag beantwoorden kan, willen wij in een volgend artikel enkele van de leerpunten van de apostel aanroeren.

Wij staan als gelovigen altijd voor de opdracht onze opvattingen aan de maatstaf van de Bijbel te toetsen. Niet altijd is dat, wat door mensen overgeleverd wordt, met het Woord van God in overeenstemming – ook niet, wanneer het “op het Christelijk terrein” verbreid wordt en velen het geloven. Dit zeggen wij niet om mensen aan te klagen, die in een bepaalde kerk opgegroeid zijn en zich daar thuis voelen. Zolang de bijbelse waarheid, ook die van de apostel Paulus, onze harten bereiken kan, zullen wij geestelijk groeien kunnen. De bereidheid daartoe willen wij steeds weer opnieuw in gebed van de Heer Jezus vragen.

Basiliek van St. Paul buiten de muren

De inleiding van het Paulus-jaar wordt in de ‘Basiliek van St Paul buiten de muren’ (S. Paolo fuori le mura) in Rome plaatsvinden. Op deze geschiedkundige plaats, die zogenaamd ook het gebeente van Paulus in een massieve sarcofaag1 herbergt, worden gemakkelijk emoties opgewekt. Vaak is het juist dát, wat mensen nog in kerken trekt. Het ervaren van gemeenschap en “zielsverheffing” door geestelijke liederen – dat heeft God voor de ziel gegeven. Maar pas op wanneer het emotionele zich van het Woord van God losmaakt, zich tussen ons en God inschuift.

Wij weten dat er slechts één ware kerk (gemeente, vergadering) van God is, die de Heer Jezus in Mattheüs 16:18 aankondigde: “Op deze rots2 zal Ik Mijn gemeente bouwen”. Het begin van haar bestaan wordt in Handelingen 2 beschreven. Zelfs wanneer men niet bij een menselijke kerk behoort, kan men daartoe neigen, zich door geschiedkundige plaatsen of personen gevangen te laten nemen. Is iemand misschien onder de indruk een deurklink te gebruiken, die al door William Kelly of John Nelson Darby, twee door de Heer Jezus bijzonder begenadigde leraars van het woord van God in de 19e eeuw, aangeraakt hebben, – of in een ruimte te zitten waarin een grote man van God gepredikt heeft? Kunnen heilige huizen en grote volksmassa’s op een plaats ons niet soms in een stemming brengen, die bij ons kippenvel teweegbrengt en op ons blijvend indruk maakt?

Niets tegen namen – maar wie mag zich op mannen van God zoals Luther, Darby, Georg Müller of Brockhaus beroepen? Niets tegen prachtige gemeenschap met (vele) brusters – maar maken deze momenten het ware Christendom uit? Beslissend is niet wie tot onze “geestelijke portrettenrij” behoort – het gevaar is dat onze “stamboom” de waarde en het werk van onze Heer overschaduwt (vergelijk 1 Korinthe 1:12). De Heer Jezus zelf moet onze harten gevangen nemen: “Want ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd aan Christus voor te stellen … daar wij de overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, slechten en elke gedachte gevangen nemen tot de gehoorzaamheid van Christus …” (2 Korinthe 11:2; 10:5). Wij willen ons over de gemeenschap met mede-gelovigen verheugen. Wij willen ons ook door indrukwekkende werktuigen van God in de Kerkgeschiedenis3 laten onderwijzen en aansporen in het leven voor de Heer Jezus. Maar de eerste plaats van onze toegenegenheid moeten geen plaatsen en personen zijn, maar onze Redder, Jezus van Nazareth, die tot op de dag van vandaag veracht is.

Volkomen aflaat

Een laatste punt wil ik nog op deze plaats oppakken. Benedikt XVI., de huidige paus, geeft in verbinding met het Paulusjaar ook weer een speciale aflaat: Alle pelgrims die tijdens het Paulusjaar het graf van de apostel in St. Paul voor de Muren in Rome bezoeken, ontvangen een “volkomen aflaat”, wanneer zij voor de “Confessio” van het apostelgraf een “Onze Vader” alsmede een “Credo”4 bidden en Maria en de “heilige Paulus” in gebed aanroepen. De aflaat5 is naar Rooms-katholieke leer een kwijtschelding van een tijdelijke straf voor God voor zonden, die “met betrekking tot de schuld” al afgelost zijn. Hij zal door de hulp van de kerk genoegdoeningen ontvangen, “die als dienares van de verlossing de schat van de genoegdoeningen6 van Christus en de heiligen eigenmachtig uitdeelt en toepast”. De volkomen aflaat maakt van tijdelijke straffen voor zonden geheel vrij. Aflaten kunnen op levenden en gestorvenen toegepast worden.

Wat zegt de Bijbel over dit thema:

  1. Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om onze zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid (1 Johannes 1:9). Zondenvergeving voor God is er niet door mensen, ook niet door een/de Kerk, maar alleen door God Zelf. Er is ook zondenvergeving door mensen, namelijk door een “plaatselijke vergadering”. Deze zondenvergeving wordt verleend aan hem, die een zonde – die tot uitsluiting uit de gemeente geleid heeft (vergelijk 1 Korinthe 5:13) – beleden heeft en van deze boze weg is teruggekeerd (vergelijk het binden in Mattheüs 18:18; 2 Korinthe 2:7). Het gaat dan nooit om een algemene vergeving, maar om het vergeven van een heel concrete zonde in een afzonderlijk geval. En deze vergeving wordt op geen enkele wijze verkregen door bijzondere inspanningen en daden.
  2. De Bijbel toont ons, dat wij tot de Heer Jezus bidden mogen (vergelijk bijvoorbeeld Handelingen 7:59) en tot God, onze Vader (vergelijk bijvoorbeeld Efeze 1:3), of tot God in Zijn almacht en scheppingsheerlijkheid (vergelijk Handelingen 4:24; Filippi 1:3).Van Maria spreekt de Bijbel na handelingen 2 niet meer, laat staan van een gebed tot haar. Wij vinden ook geen enkel gebed tot Paulus. Zij zijn mensen geweest zoals u en ik. Zeker waren zij bijzondere werktuigen in de hand van God – maar zij hebben ook nu geen speciale positie voor God. En zij waren mensen, die een Reddder nodig hadden. Wij bidden tot deze Redder en tot onze God – de Vader en de Zoon.
  3. Het Nieuwe Testament spreekt van heiligen, als het levende gegovigen bedoelt (vergelijk bijvoorbeeld Efeze 1:1). Heilig is men in de ogen van God door het verlossingswerk van de Heer Jezus en door de heiliging van de Geest van God, die een mens voor God “apart zet” (vergelijk 1 Petrus 1:2). Doden worden in de Schrift niet “heiligen” genoemd en ook niet heilig gesproken.
  4. De Heer heeft dienaars gegeven, die de kerk onderwijzen (vergelijk Efeze 4:11-12). De kerk onderwijst niet, zij is niet “dienares van de verlossing” (maar heeft de dood van de Heer nodig, Efeze 5:25) en bezit ook geen autoriteit om zegen of aflaten uit te delen.
  5. Gestorvenen kunnen niet meer gered worden. Hen kan ook geen vergeving achteraf geschonken worden. Welke betekenis zou voor het overige de bevrijding van een tijdelijke zondenstraf voor ongelovigen hebben, die God hun zondenschuld nog nooit beleden hebben? “En zoals het de mensen beschikt is éénmaal te sterven en daarna het oordeel” (Hebreeën 9:27) – na de dood komt het oordeel voor hen, die zich niet bekeerd hebben. Een vagevuur7 met de mogelijkheid straffen uit te zitten, kent de Bijbel niet. “Heden, als gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet” (Hebreeën 3:15).

Het is niet verkeerd zich te herinneren wat God ons door de apostel Paulus geschonken heeft. Nog beter is het dit geschenk “open te maken” en nauwkeurig te beschouwen. Want vele gedragspatronen van de Rooms Katholieke Kerk staan in contrast tot het leven en de leer van Paulus. Paulus en zijn boodschap werkelijk te genieten en in het leven toe te passen, is een goed doel.

Want aanschouwt Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet moe wordt en in uw zielen bezwijkt” (Hebreeën 12:3).

Manuel Seibel

NOTEN VERTALER:
1. Een sarcofaag (Grieks: “Sarx” vlees, en “Phagoon”, ‘eten’.) is een stenen doodskist. Aan de buitenkant van de kist en het deksel zijn vaak inscripties of beeldhouwwerk aangebracht die aan de overledene herinneren.
2. Grieks Petra; vergelijk Petrus: ‘(rots)steen’
3. Zie de serie artikelen op deze site over de geschiedenis van de christelijke kerk, getiteld: Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk – A. Miller
4. Geloofsbelijdenis.
5. Een aflaat (indulgentia in het Latijn) is de kwijtschelding voor God van tijdelijke straffen (penitentie) voor zonden die, wat de schuld betreft, reeds vergeven werden (canon 992). Het is een praktijk in de rooms-katholieke Kerk die nauw verbonden is met het sacrament van de biecht. Een gelovige kan deze kwijtschelding onder bepaalde welomschreven voorwaarden verwerven door toedoen van de Kerk. De aflaat is gedeeltelijk of vol, naargelang hij iemand geheel of gedeeltelijk verlost van de tijdelijke straffen die voor de zonde verschuldigd zijn. Gelovigen kunnen ook aflaten bekomen voor afgestorvenen om hen te helpen bij het uitboeten van hun tijdelijke zondestraffen in het vagevuur. De paragrafen 1471 tot en met 1479 van de Catechismus van de Katholieke Kerk behandelen de leer en de praktijk van de aflaten [Wikipedia].
6. Synoniemen van genoegdoening: compensatie, eerherstel, revanche, schadeloosstelling.
7. Het vagevuur, ook wel het purgatorium of de louteringsberg (onder die literaire benaming vooral gevonden in Dante’s La Divina Commedia), is volgens het katholieke geloof een plek in het hiernamaals, waar men wordt gelouterd of gestraft voor de dagelijkse, nog niet uitgeboete en/of de in de biecht (of door een volmaakt berouw) reeds vergeven, maar nog niet uitgeboete (dood)zonden die men heeft begaan tijdens het leven. Nadat men is gelouterd krijgt men toegang tot de hemel, alwaar men voor eeuwig in weelde mag leven, God lovende [Wikipedia].

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW