10 jaar geleden

150 jaar evolutietheorie

Op 1 juli 1858, zo’n 151 jaar geleden, werd de evolutietheorie van Charles Darwin in een vergadering van de Linnean Society in Londen voorgesteld. In 1859, dus intussen 150 jaar geleden, verscheen toen zijn opzienbarend werk “over het ontstaan van de soorten”. Intussen heeft deze theorie een triomftocht over de hele wereld beleefd en is zelfs voor velen een wereldbeschouwing geworden. Reden genoeg om ons eens met dit thema bezig te houden.

De evolutietheorie is de standaard-verklaringspoging voor het ontstaan van de wereld en wordt hier te lande* op scholen en universiteiten vaak als de enige verklaringsmogelijkheid van het ontstaan van ons universum geleerd. Maar zij heeft haar vertegenwoordigers niet alleen in biologie en geologie, fysica en andere natuurwetenschappen gevonden. Zij is vaak tot een regelrechte ideologie en wereldbeschouwing geworden, die ook vele andere gebieden in beslag genomen heeft: sociologie, psychologie, economie, politicologie, enzovoorts. Het heeft zijn neerslag ook heel praktisch in de scholing van leiding over medearbeiders, management, conflict-oplossingsmodellen, enzovoorts.

Wat ik in dit artikel niet beweren wil (en ook helemaal niet zou kunnen beweren), is een natuurwetenschappelijke beoordeling van de evolutietheorie volgens Darwin respectievelijk van zijn moderne nazaten1. Daarbij moet men er ook rekening mee houden, dat zich deze theorie sinds Darwin verder ontwikkeld heeft – zoals ook de natuurwetenschappelijke kennis over de schepping sindsdien toegenomen is.

Evolutie-theorie versus creationisme

In de evolutietheorie (evolutio = ontwikkeling) gaat men ervan uit dat na een soort oerknal haar herkomst nog te verklaren zou zijn, het universum, daaronder ook de aarde, de hemel en de zon, op de grondslag van natuurwetten en als resultaat van toevallige gebeurtenissen ontstaan is. Het leven op aarde is dus voor ongeveer 4 miljard jaar ontstaan en heeft zich sindsdien in de huidige vormen ontwikkeld. Door de betere bekwaamheid zich aan de toenmalig geldende omstandigheden aan te passen, zijn sommige vormen eerder in staat zich door te zetten. Geleidelijk ontwikkelden zich het universum en ook de soorten verder en wel zowel micro-evolutionair binnen een bepaald kader (soms: genetische veranderingen binnen een diersoort of een grondsoort) als ook macro-evolutionair op meer complexe rangschikking (dat betekent van een ééncellige naar een meercellige, verder bij planten en dieren tot aan de hoogste vorm van het “dier”, de mens). Deze ontwikkeling moet logischerwijze verdergaan en voert tot een voortgaande hogere ontwikkeling. Voorwaarde voor de hogere ontwikkeling van het leven is volgens deze overwegingen de dood van het individu en gehele soorten. God is niet nodig.

In het creationisme1 daarentegen is men van mening, dat de wereld precies zo ontstaan is, zoals het de Bijbel – naar letterlijk begrip – bericht. Dat betekent volgens Genesis één in 7 dagen. En, zoals er niet “de” evolutie-theorie is, zo is er ook niet “het” creationisme. In beide hoofd-stromingen zijn er een veelvoud van afzonderlijke richtingen, die gedeeltelijk met elkaar tegenstrijdig zijn. Bijvoorbeeld denken een aantal creationisten dat de aarde een “jonge aarde” is, maximaal 6.000-14.000 jaar oud. Anderen geloven, dat tussen de schepping van het universum, zoals de Bijbel de schepping in Genesis 1 vers 1 beschrijft, en de vorming van de aarde vanaf Genesis 1 vers 3 een niet bepaalde tussenruimte van tijd ligt {zie de studie in dit nummer over Gen. 1 en 2 – (moet nog gepubliceerd worden)}.

De triomftocht van de evolutie-theorie

Men vraagt zich af hoe het mogelijk was, dat de evolutietheorie vanaf 1858/59 zo succesvol kon zijn. Charles Darwin was absoluut niet de eerste mens die de schepping van de mens door God afwees. Al in het oude Egypte waren er veel van zulke voorstellingen, bijvoorbeeld dat de aarde eerst een chaos uit oerwater was, het “Nun”, waaruit dan een oerheuvel ontstond (scheppingsgeschiedenis van Heriopolis). Dat is uiteindelijk ook niets anders dan een soort evolutie-voorstelling. Maar blijkbaar was de zogenaamde “Verlichting”2 nodig, zodat mensen zich langdurig en op de duur aan een verklaring over het ontstaan van deze aarde en van de mens gewennen konden, die zonder God uitkomt.

De tijdsperiode van de Verlichting hielp de mens aan een zelfbewustzijn, waarin hij met zichzelf tevreden kon zijn en geen “intelligente God” – vandaag zeggen velen: “geen intelligent design”3 – nodig zou hebben, die hem gaven en potentie gaf, om zichzelf en zijn maatschappij verder te ontwikkelen. In een tijd dus, waarin de mens meer en meer in het middelpunt van de gedachten-wereld trad, werd het idee zeer welkom geheten dat niet eens het ontstaan van de materie, het universum en de mens van God afhankelijk was. Alles was vanzelf ontstaan. Voor God was er geen plaats meer.

Wanneer God niet meer als Schepper nodig was, hoefde men zich ook niet voor een hoger wezen te verantwoorden. Zonde was geen probleem meer voor mensen, die van de zijde van gelovige mensen steeds weer voorgehouden werd, dat men een Verlosser nodig had, om van de zonden-schuld bevrijd te worden. Als echter de dood de voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van de mensheid was, dan was dit niet het gevolg van een menselijk falen ten opzichte van God (zondeval), maar gewoon de consequentie van de evolutionaire verandering. Dit heeft de mens niet in volkomen toestand maar als verkeerde wezens met gebreken ontstaan laten, bij wie de onderlinge strijd om het monopolie van de sterkere het algemeen belang – de verdere ontwikkeling – diende.

Dus heeft men geen Jezus, geen Redder, geen kruis van Golgotha, geen belijdenis van zonden, geen bekering, geen verzoening, geen rechtvaardiging, geen vergeving nodig. Dat bevalt de natuurlijke mens wel, die sinds Kaïn door geweld en verderf gevormd wordt (verg. Gen. 6:11), maar daarvoor de schuld bij de andere ziet (vergelijk Gen. 3:12,13) en tegenover niemand verantwoordelijk wil zijn (vergelijk Gen. 4:13,14).

De poging om evolutie-theorie en scheppingsgeloof te verenigen

Met het oog op dit contrast van evolutie-theorie en scheppingsgeloof verbaast het, dat de Evangelische Kirche van Duitsland (EKD) in dit jaar een oriëntatiebrief uitgegeven heeft, waarin de mening uiteengezet wordt, dat christelijk scheppingsgeloof en evolutietheorie elkaar niet uitsluiten, zoals Reinhard Hempelmann, leider van het evangelisch hoofdbureau voor wereldbeschouwelijke vragen kort geleden letterlijk verwoord heeft.

Over dit thema is het boek “Schuf Gott durch Evolutie” van prof. Werner Gitt zeer aanbevelenswaard, dat bij de uitgever van het tijdschrift “Folge mir nach” te verkrijgen is. In dit boek toont Gitt duidelijk aan, hoe het scheppingsgeloof en evolutietheorie wederzijds uitsluiten.

Gronden die tegen een samenspel van schepping en evolutie spreken

a) Formele gronden

Waarom passen evolutietheorie en scheppingsgeloof niet bij elkaar? Enerzijds sluit de bijbel het ontstaan van de schepping door toeval, oerknal of iets dergelijks uit. Genesis 1 vers 1 en vele andere plaatsen zeggen zeer duidelijk, dat een persoonlijke God de hemel en de aarde schiep. Deze God is almachtig, alwetend en alomtegenwoordig. Als er staat dat deze God actief geschapen heeft, dan kan men niet beweren dat zich de dingen zich na een eerste algemene scheppingsdaad vanzelf verder ontwikkeld zouden hebben.

In Exodus 20 vers 11 zegt God: “Want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is …”. Hoe moet men dat, wat ten tijde van Mozes als een 24-uurs-dag verstaan werd, daarmee in overeenstemming brengen, zoals evolutietheorie-aanhangers beweren, dat de aarde in vele miljarden jaren ontstond? Het argument dat de dagen in Genesis 1 geen 24-uurs-dagen waren, past niet bij Genesis 20 vers 11, omdat minstens hier met betrekking tot de schepping over de ons bekende dagtijden gesproken wordt.

De bijbel toont van het begin af aan, dat aan datgene wat God gemaakt heeft, door mensen afbreuk gedaan en ten dele vernietigd werd. God heeft de aarde volmaakt geschapen. “En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed” (Gen. 1:31). Er waren geen ziekten, zoals wij vandaag kennen. De slang kroop niet op de grond, maar was een dier van het veld, dus vermoedelijk met vier poten, zoals andere velddieren (verg. Gen. 3:1). Er waren geen smarten (verg. Gen. 3:16), zoals wij vandaag kennen, en niet alleen bij de geboorte. Er was geen arbeidsvermoeidheid zoals vandaag en ook geen doornen en distelen (verg. Gen. 3:17-18). Dat zijn slechts enkele voorbeelden van het verlies, waarvan in de bijbel steeds weer sprake is. Hoe moet dat in overeenstemming gebracht worden met de opwaartse ontwikkeling, waarvan de vertegenwoordigers van de evolutietheorie spreken?

b) Morele gronden

Daar bovenuit is er een ethisch verschil (tegenstrijdigheid). Terwijl de evolutietheorie beweert dat de sterkere, de meer geschikte zich doorzet bij het ontstaan en haar verdere ontwikkeling, is het goddelijke principe dat Hij het sterke teniet doet en het zwakke verkiest: “Maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen, en het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren, wat niets is, om wat iets is te niet te doen, opdat geen vlees roemt voor God” (1 Kor. 1:27-29). Weliswaar heeft deze uitverkiezing van God betrekking op de toekomst, de hemel. Maar God heeft het zwakke op aarde gekozen, om zich juist met deze zwakke mensen vandaag al te verbinden. De Heer Jezus zei eens: “Zij die gezond zijn, hebben geen arts nodig, maar zij die ziek zijn” (Mark. 2:17).

Er is een nog dieper gaande grond: de evolutietheorie wordt graag op andere terreinen overgedragen, zoals de sociologie, wetenschappelijke studie van de politiek enzovoorts. Als het voorkomt dat op deze terreinen een verdere ontwikkeling ten goede zou zijn – waarom is God dan Mens geworden om verlorenen te redden? Dan zou er niemand zijn die verloren is, maar alleen een voortdurende verdere ontwikkeling ten goede. Niemand is verantwoordelijk voor zonde en falen – er is immers geen God voor Wie men zich zou moeten verantwoorden – alles is min of meer het gevolg van het systeem. Moest er dan een volkomen Mens voor de zonden van anderen sterven, terwijl toch deze zonden helemaal geen zonden, maar slechts gevolgen van de ontwikkelingsprocessen waren? “Dan is Christus zonder reden gestorven” (Gal. 2:21).

De mens moet kiezen tussen evolutietheorie en scheppingsgeloof

Dat betekent in omgekeerde conclusie, dat ieder mens kiezen moet, aan welke versie hij geloof schenken wil. Of de evolutietheorie klopt, of de schepping is zo ontstaan, zoals de bijbel daarover bericht. Iemand die dagelijks met de bijbel leeft, omdat hij weet en beleefd heeft, dat zij het Woord van God is, die heeft al lang gekozen. Hij weet dat God gelijk heeft. In de bijbel heeft Hij veel over Zijn schepping laten weten. Daarop kunnen wij ons verlaten.

Maar er zijn mensen die pas bekeerd zijn, of zulken, die door de schoolse of academische leer onzeker gemaakt zouden kunnen worden. Voor hen heb ik geprobeerd een reeks criteria samen te stellen, welke de overtuiging ondersteunen, dat God de wereld geschapen heeft:

a) We hebben heel praktisch ervaren, dat de bijbel op vele andere plaatsen gelijk heeft, bijvoorbeeld wat de profetieën in het oude testament over het leven van de Heer Jezus betreft, wat de ontwikkeling van het menselijk leven betreft, wat de beschrijving van de menselijke toestand in Romeinen 1 en 2 aangaat, enzovoorts. Een gelovige gelooft in de werkzaamheid van het verlossingswerk, wat in de ogen van de ongelovige mensen de grootste dwaasheid is. Dan valt het niet zwaar eveneeens overtuigd te zijn, dat ook het in de bijbel te vinden scheppingsbericht waar is (verg. Hebr. 11:3).

b) Als de mens het product van toevallige ontwikkelingen is, krijgen moraal en verantwoording een betekenis, die alleen door menselijke normen te definiëren (= nauwkeurig bepalen met woorden) is. Maar wat is er dan met de leugen, de onwaarheid, de kleine en grote zonden in uw leven: zouden zij het gevolg van toeval zijn – of komen zij voort uit het zich bewust afwenden van God?

c) Wanneer u merkt dat in uw hart een bewustzijn voorhanden is, dat er een eeuwigheid is {God “heeft ook de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe” (Pred. 3:11)}, dan zult u op z’n minst bevroeden, dat het na dit leven niet alles voorbij zal zijn. Wat dan? Kan u dan een evolutietheorie nog verder helpen, of de bijbel?

d) Waarom was Jezus Christus, Jezus van Nazareth, op deze aarde? Is er voor Zijn komst een diepere zin?

e) Waarom heeft de evolutietheorie ook na 150 jaar op vele vragen zoals overgangsvormen en verbindingsleden van het ene “stadium“ naar het andere, niet te herleiden ingewikkelde bepaalde organen, die een ontstaan door ontwikkeling onmogelijk maakt, ontbrekende voorbeeldgevallen van een macro-evolutie bij levende of fossiele dieren nog geen antwoorden gevonden?

f) Kan men het wonder van het menselijk wezen {alleen al de complexiteit (= ingewikkeldheid) van het oog of ook de hersenen}, het unieke van elk afzonderlijk wezen ook binnen een soort werkelijk aan het toeval toeschrijven? Wordt niet veelmeer Gods “eeuwige kracht als ook Zijn Goddelijkheid” daarin duidelijk zichtbaar (verg. Rom. 1:20)?

De evolutie-overtuiging kan men vandaag niet natuurwetenschappelijk bewijzen. Daartoe moet men precies weten, welke uiterlijke condities toentertijd voorhanden waren, toen elke afzonderlijke stap van deze evolutie gedaan werd. In het bijzonder het begin is niet experimenteel na te bootsen. Ook wanneer in CERN** onlangs de oerknal gesimuleerd moest worden – wat men simuleren kan, is de voorstelling van de mens van de oerknal, maar niet de (aangenomen) gebeurtenis zelf.

Maar evenzo goed moet u weten, dat de schepping zoals de bijbel over haar bericht, niet bewijsbaar is. Geen mens was daarbij. Nochtans is het natuurwetenschappelijk bewijs niet het middel, waarmee God de mensen overtuigd. Maar Hij overtuigt hen van hun eigen morele toestand en van Zijn eigen Goddelijkheid (verg. Rom. 1:20) – en voert hen zo tot geloof.

Het is belangrijk één ding goed te begrijpen: de bijbel zegt ondubbelzinnig, dat de Schepper-God ook de Redder-God is. Wie dus God als Schepper afwijst, wijst daarmee tenslotte ook de Redder af. Want Diegene, die Redder werd, is niemand anders dan Diegene, die tevoren het universum geschapen heeft. Met andere woorden: zonder Schepper is er ook geen Redder. Want er bestaat slechts die éne God, Die in Christus Jezus Mens geworden is. We zien in Hem als Schepper in het bijzonder Zijn macht en heerlijkheid, in Hem als Redder Zijn liefde en overgave voor mensen. Beiden zijn grandioos – beiden zijn voorwerp van ons geloof.

Manuel Seibel

NOTEN:
1 “Creationisme” wordt afgeleid van het Latijnse “creatio” = schepping. Er zijn weliswaar zeer verschillende scheppingsvoorstellingen; met “creationisme” wordt echter gewoonlijk alleen de zienswijze verbonden, dat God door Zijn machtswoord het heelal en in het bijzonder het levend organisme en de mens direct uit het niets geschapen heeft en dat een algemene evolutie van elk levend organisme uitgesloten is. Meestal wordt met “creationisme” een bijbelgeoriënteerde voorstelling van de schepping verbonden, maar er zijn ook creationistische organisaties in de Islam (vergelijk www.genesisnet.info).
2 De eeuw van de Verlichting is een tijdsperiode van de ontwikkeling van de westelijke maatschappij in het jaar 1700 tot 1800, die in het bijzonder gekenmerkt wordt door het streven, dat denken met de middelen van het verstand van oudsher gebruikte, starre en verouderde voorstellingen, vooroordelen en ideologieën te bevrijden en acceptatie voor nieuw verkregen kennis te scheppen [Wikipedia].
3 De grondgedachte van het “Intelligent Design” (ID) is, dat organismen (eventueel ook de niet levende wereld) eigenschappen hadden, die naar het werken van een intelligente, wilsbeschikkende maker (schepper, designer) heenwijzen en andere mogelijkheden van haar oorsprong (toeval, natuurlijke vooruitgang) uitsluiten. Deze eigenschappen worden hier als “Design-signalen” gekenmerkt. De ID-theorie behelst wetenschappelijke criteria, waarmee zulke Desgn-Signalen herkend worden. Door een natuurwetenschappelijk onderzoek zou verklaard (of tenminste plausibel gemaakt) kunnen worden, of een organische structuur op een intelligente oorzaak teruggaat of niet. Een aantal van vertegenwoordigers van het ID geloven niet in de ene God, zoals wij Hem in de bijbel vinden (vergelijk www.genesisnet.info).
NOTEN VERTALER:
* Hier wordt Duitsland bedoeld, echter ik denk dat we er niet ver naast zitten als we stellen dat dit in Nederland ook zo het geval is.
** CERN is een Europese organisatie die fundamenteel onderzoek doet naar elementaire deeltjes (Wikipedia).

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW