3 maanden geleden

Zie omhoog …

Kun je je de scène voorstellen die in de stad Haran moet hebben plaatsgevonden, toen de vijfenzeventigjarige man, genaamd Abram, al zijn aardse bezittingen inpakte om zich op reis naar Kanaän te begeven?

“Abram is een oude dwaas”, zullen de buren hebben gezegd. “Als je op zo’n leeftijd vrijwillig een goed bestaan opgeeft en een prachtig huis verlaat om naar een onherbergzaam land te verhuizen, dat zo ver weg ligt, dan moet het daarboven niet meer helemaal in orde te zijn”.

“Hij neemt ook zijn gezin mee”, heeft misschien een andere ingestemd, “en hij schijnt helemaal niet te weten waar hij eigenlijk terecht komt”.

“Hij zegt dat God hem heeft geboden om te vertrekken en dat God hem zal leiden”.

Zo hebben mogelijk zich de tongen geroerd. De buren zagen hoofdschuddend toe hoe Abram vertrok, hoe hij de stad, de wijngaarden, de geïrrigeerde vlakten de rug toekeerde. “Doldriest”, zeiden ze en konden het gewoon niet begrijpen.

Maar deze man had geloof. Hij geloofde God. Hij wist dat als God hem zei om zijn geboorteplaats te verlaten, Hij iets beters voor hem in petto had. Met stil vertrouwen richtte hij zijn aangezicht naar Kanaän en bereikte dit doel.

Toentertijd leek dit allemaal een groot waagstuk te zijn – maar vandaag de dag ziet dit alles er in een ander licht anders uit. De woorden die Abram tot een groot volk en een grote zegen maakten, waren geen lege dromen. Ook die eeuwige stad waar Abram op zag, was geen illusie. Het was tenslotte de stad die “de fundamenten heeft, waarvan God ontwerper en bouwmeester is” (Hebr. 11:10). Hij was op zoek naar een onwankelbaar koninkrijk.

Maar deze oude wereld zal wankelen. Vroeg of laat zullen de steden van de mensen afbrokkelen en uiteen vallen. Ur en Haran zijn verdwenen. Babylon is gevallen. Ook de wereldsteden van vandaag zullen dit lot ondergaan. In plaats van te schudden van angst en ons geloof op menselijke macht te vestigen, is het noodzakelijk voor ons om op God te vertrouwen. We moeten het anker van onze hoop in de hemelse stad uitwerpen. – Heer, geef ons die blik omhoog!

En toen was daar ook Elisa. Hij bleek ongetwijfeld in een hachelijke situatie te verkeren. De vijand was ’s nachts gekomen en had de plaats omsingeld. Alles wat de dienstknecht van de dienaar kon zien was “een leger met paarden en strijdwagens” om hen heen, hen bedreigend en gevangen houdend (2 Kon. 6). “Ach, mijn heer! Wat moeten wij doen?” (vs. 15), vroeg de dienaar. Hij wrong zijn handen zoals velen vandaag doen als er problemen komen. Let op het specifieke antwoord van de profeet: “Wees niet bevreesd, want die bij ons zijn, zijn méér dan die bij hen zijn” (vs. 16). We mogen ook zeggen: Groter is de Geest van God die in ons, dan de geest van de Antichrist, die in de wereld is.

Elisa bad: “HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet!”. Toen opende God de ogen van de jongeman en hij zag. En toen? “… en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa” (vs. 17). De hemelse heerscharen omringden hen, maar de jongeman wist het niet totdat God zijn ogen opende.

O Heer, open onze ogen! Geef ons geestelijk inzicht. Stel ons in staat om de onzichtbare Kracht te zien, die ons beschermt. Help ons om omhoog te zien!

God opende de ogen van Johannes, en hij zag de stad van God. Vanaf het eiland Patmos, ver weg van de aardse steden, gaf de Heer hem een gezicht van de hemelse stad. Hij zag haar neerdalen. Laten wij ook stilstaan om omhoog te kijken, “in de verwachting de gelukkige hoop en verschijning van de heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Jezus Christus” (Titus 2:13). “… terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast” (2 Petr. 3:12); “… bewaart uzelf in [de] liefde van God en verwacht de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus tot [het] eeuwige leven” (Judas 21). Moge God vandaag en elke dag ons genade schenken om omhoog te zien!

 

© www.haltefest.ch

Jaargang: 1968 – bladzijde 138.
Uit: “Meat in due Season” (“Vlees op het juiste moment”).

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, RM