15 jaar geleden

Zendings- en evangelisatieconferentie (V)

Deze toespraken werden in de jaren ’80 van de vorige eeuw gehouden tijdens een zendings- en evangelisatieconferentie. Degenen die ook verlangen om de heerlijke boodschap van “de Heer Jezus Christus en die gekruisigd” uit te dragen, beveel ik dit van harte aan. Velen die deze conferentie bijwoonden, zijn aangespoord en bemoedigd om zich ook in dit opzicht aan de Heer toe te wijden. Hopelijk heb je de eerste vier artikelen in de vorige nummers ook gelezen. Zo niet, dan raad ik je aan dat toch eerst te doen.

Agressieve (of actieve) evangelisatie

Als het gaat om individuele evangelisatie heb ik, hebt u, heb jij een eigen verantwoordelijkheid ten opzichte van God. De apostel Paulus zegt in 1 Korinthe 9 niet “Wee ons, als wij het evangelie niet verkondigen!”, maar “Wee mij, als ik …”. Als we voor de rechterstoel van God zullen staan, dan zal God ons niet gezamenlijk ter verantwoording roepen, voor wat wij gedaan hebben, maar zal God mij persoonlijk ter verantwoording roepen of ik de opdracht die God mij gegeven heeft, heb uitgevoerd. Dus ik denk dat we kunnen zeggen, dat als het gaat om de prediking van het evangelie naar buiten toe, we van onszelf moeten weten of God ook mij, of God ook u, of God ook jou daarvoor opdracht heeft gegeven. Het is weliswaar zo dat we allemaal gezonden zijn om Christus te vertonen op aarde, maar ik denk niet dat we kunnen zeggen dat we allemaal gezonden zijn om op die wijze, zoals de apostel Paulus dat in 1 Korinthe 9 zegt, het evangelie te verkondigen. Het woord zegt niet voor niets dat de Heer Jezus gaven gegeven heeft, en daarbij worden genoemd herders, leraars en evangelisten. En als het gaat om evangelisten zouden we misschien kunnen zeggen met een toespeling op 1 Korinthe 12: “Zijn allen evangelisten?” En dan zou het antwoord moeten luiden: “In die zin niet!” Want anders zouden allen ook het recht hebben om van het evangelie te leven en dat zou een mooie bedoening worden. Dus in die zin heeft God mensen geroepen tot de prediking van het evangelie.

Tussen haakjes: Natuurlijk hoeft een evangelist geen gebruik te maken van dat recht. Maar het blijft een recht, hoewel hij nooit op zijn rechten zal staan. Er is dus de gave van een evangelist.

De apostel zegt toch tegen Timotheüs: “Doe het werk van een evangelist” (2 Timotheüs 4:5). Hoewel dus Timotheüs geen evangelist was, mocht hij (en moest hij) wel het werk doen van een evangelist. En hij zal het ook zeker wel gedaan hebben. In die zin kunnen we misschien zeggen – ik zet het nog even tussen haakjes – mogen wij allemaal het werk van een evangelist doen. Hoewel we ons toch moeten afvragen of dat dan altijd ‘agressief’ moet zijn, er op uit gaan, de deuren langs, straatprediking of allerlei andere zaken. Ik heb dus gezegd dat als het gaat om de gave van evangelist, dit een persoonlijke opdracht is. Maar we mogen ons toch wel afvragen wat dan allereerst het voorrecht is van ons als gelovigen. Ik denk dat we daarover een aanwijzing vinden in de Petrus-brief, waar wij de dienst zien die wij als gelovigen allemaal mogen verrichten. 1 Petrus 2:5 zegt: “U wordt ook zelf als levende stenen gebouwd als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus”. Dat is, denk ik, allereerst iets wat het voorrecht is van iedere gelovige. Hij mag geestelijke offeranden brengen en dat is een heel belangrijke dienst. We mogen dat persoonlijk doen – de lofoffers van onze lippen, voortdurend, niet alleen de eerste dag van de week (vergelijk Hebreeën 13:15) – maar we mogen dat ook gezamenlijk doen. En dat is een geweldig voorrecht!

De tweede dienst die we als gelovigen hebben, lezen we in Romeinen 12 vers 1; daar zegt de apostel: “Ik vermaan u dan broeders door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, dat is uw redelijke dienst”1. Dit is ook iets wat mij en jou en u persoonlijk aangaat.

De derde dienst die we als gelovigen mogen verrichten, lezen we in 2 Korinthe 5:18, waar we lezen: “En alles is uit God, die ons met Zichzelf heeft verzoend door Christus en ons de bediening van de verzoening heeft gegeven”. De persoonlijke bediening van de verzoening. We kunnen ons afvragen of dat ook als gemeente het geval is, als een eenheid.

De vierde dienst lezen we in Jakobus 1:27: “Reine en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen te bezoeken en hun verdrukking en zichzelf onbesmet van de wereld te bewaren”. Dus er zijn verschillende diensten die wij allemaal hebben, verschillende voorrechten die we hebben. Als het daarom gaat hoeven we niet ‘ledig’ te zitten, maar heeft God voor ons ieder persoonlijk een bepaalde opdracht. Geestelijke offeranden, de redelijke dienst van de offerande van mijn lichaam, de dienst van de verzoening (al of niet gezamenlijk), en deze godsdienst voor God en de Vader.

Maar dan is er toch één tekst die misschien lijkt te zeggen, uit 1 Petrus 2:9, dat we ook als volk van God, van de Heer Jezus – als geheel dus – een taak hebben in de verkondiging. Daar lezen we namelijk: “U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht”. We zouden dus uit deze tekst kunnen opmaken, dat wij als volk van God nu de taak hebben gezamenlijk het evangelie te verkondigen. Zo wordt deze tekst dan gelezen. Moeten we dan toch als plaatselijke gemeente – als plaatselijke vergadering – er op uit als geheel om naar buiten-uit het evangelie, of de deugden te verkondigen. Aanvankelijk heb ik dat ook zó gelezen, totdat iemand mij erop attent maakte dat dit woord ‘verkondigen’ niet hetzelfde is als ‘evangeliseren’, zoals dat ook elders in het Nieuwe Testament vertaald wordt. Het Griekse woord ‘evangeliseren’ wordt dus in de Nederlandse vertaling ook vertaald met ‘verkondigen’. Maar dit schijnt niet het woord evangeliseren te zijn; het schijnt een woord te zijn wat maar één keer voorkomt in het Nieuwe Testament en enkele malen in het Oude Testament, in de Septuaginta (de Griekse vertaling van het Oude Testament). En geeft eigenlijk weer naar ik gehoord heb, dat iemand iets meedeelt van wat achter de coulissen van een toneel gezien wordt. Ik ben als het ware degene die op het podium sta, daar is de zaal en ik zie iets gebeuren wat de zaal niet ziet, achter het doek. En wat ik zie, dat vertel ik, laat ik eigenlijk zien aan de mensen in de zaal. En dat zijn de deugden van de Heer Jezus, de voortreffelijkheden van de Heer Jezus. Als ik weg zou lopen van het podium – agressieve evangelisatie – dan zou ik die voortreffelijkheden achter dat doek niet zien. Iedere Christen heeft het voorrecht – ook een moeder in de keuken – om achter dat doek te kijken en Hem te zien die voor de wereld verborgen is en door haar levensopenbaring in het gezin iets ten toon te spreiden van de voortreffelijkheden, de deugden van de Heer Jezus. Dan kunnen we inderdaad zeggen, dat we dit als volk mogen doen. Zoals ook het volk van de Israëlieten vroeger het volk van God waren met dezelfde opdracht om als volk te tonen wie JAHWEH was, zonder dat ze er daar direct op uit trokken in andere landen. Zij waren ook een heilige natie, dat hadden ze moeten zijn maar helaas, dat waren ze niet meer. Maar wij mogen toch gemeenschappelijk iets laten zien van die deugden van Hem die ons uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht. Dat is natuurlijk een geweldig voorrecht!

Dit gedeelte uit 1 Petrus 2:9 is dus niet direct een bewijs dat we als gemeente moeten evangeliseren, naar buiten moeten treden.

Wordt D.V. vervolgd.

NOOT:
1. Of ‘verstandelijke godsdienst’.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW