Bijbelgedeelte: Numeri
Leestijd: 4 minuten
36. De brand in Tabera1 (Num. 11:1-3)
Op een plek die niet meer te lokaliseren is, mopperde het volk. Misschien ging het weer over voedsel. Een brand verwoestte het kamp en doodde een aantal mensen die de wonderen van de Heer minachtten. Pas nadat Mozes gebeden had, hield de plaag op. Hieruit leren we, dat we niet moeten klagen. “Moppert ook niet, zoals sommigen van hen mopperden …” (1 Kor. 10:10).
37. De melaatsheid van Mirjam (Num. 12; 20:1)
Miriam had het vrouwengezang bij de Rode Zee geleid, wat goed was. Nu leidde ze een opstand van haar familie tegen Mozes (want ze wordt vóór Aäron genoemd). En dat was slecht. De reden voor deze opstand was tweeledig:
1. Omdat Mozes een Cusjitische vrouw had genomen (Zippora).
2. Omdat Mozes een bijzondere positie in het leiderschap bekleedde (en dit was zeker de belangrijkste reden).
God riep Aäron en Mirjam naar de tent van ontmoeting en sprak over Mozes’ bijzondere positie als profeet. En toen werd de eerste vrouw die profetes werd genoemd, getroffen door de afschuwelijke ziekte: melaatsheid. Zij, die de leidster wilde zijn, werd uit het kamp verbannen en op de laagste positie geplaatst. Door haar kon Israël zeven dagen lang niet verder reizen.
38. Het oordeel over de bende van Korach (Num. 16; 26:9-11)
Korach, Dathan, Abiram en On, samen met 250 leiders, kwamen in opstand tegen Mozes en Aäron. Korach stamde uit de Kahathitische stam, de meest bevoorrechte familie onder de Levieten. Maar hij daarmee was hij niet tevreden. Hij wilde het priesterschap hebben. Dat gold ook voor de anderen. Dathan stamde uit de stam van Ruben en droomde van de bijzondere rechten van de eerstgeborene. Misschien beriepen ze zich ook op het Woord van de Heer, dat Israël een koninkrijk van priesters zou zijn (Ex. 19:6). In elk geval kwamen ze met hun wierookvaten naar de tent der samenkomst. Maar het oordeel wachtte hen: de families van Korach, Dathan en Abiram, samen met al hun bezittingen, werden door de aarde verzwolgen – iets wat nog nooit eerder was gebeurd – en een vuur doodde de 250 mannen. Tegen de apostel en hogepriester van onze belijdenis, Jezus, zijn mannen in de christenheid opgestaan (vgl. Hebr. 3:1), maar zij zullen in hun verzet omkomen (Judas vers 11).
39. De staf van Aäron die in bloei stond (Num. 17)
Om een nieuwe opstand tegen Aäron te voorkomen, gaf God een teken, dat Aärons geslacht werkelijk voorbestemd was om het priesterschap te dienen. Twaalf staven, die de twaalf stammen van Israël vertegenwoordigden, werden voor God gebracht. Maar alleen de staf van Aäron ontkiemde en droeg amandelen; alle andere bleven dood. Als bewijs werd de staf van Aäron in de ark van het verbond geplaatst (Hebr. 9:4). Veel mensen hebben een bijzondere plaats in de dingen van God opgeëist, maar alleen Christus is uit de dood opgestaan en door God als Hogepriester begroet.
40. De koperen slang (Num. 21)
De Israëlieten mopperden opnieuw. Ze wilden niet de hele tijd alleen maar manna eten. Ze ergerden zich ook aan een omweg die ze moesten nemen. Daarom stuurde God gifslangen (de slangen werden zo genoemd, hetzij vanwege hun uiterlijk, hetzij omdat hun beet een brandende pijn veroorzaakte). Het volk bekende schuld en vroeg Mozes om voor hen te bemiddelen. Mozes bad voor hen. Maar de slangen werden niet weggejaagd. In plaats daarvan maakte Mozes een slang van koper en plaatste die op een paal. Iedereen die naar deze slang keek, bleef leven. “En zoals Mozes de slang in de woestijn heeft verhoogd, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, <niet verloren gaat maar> eeuwig leven heeft” (Joh. 3:14).
41. De ezel van Bileam (Num. 22:20-35)
Bileam was er niet zo met eens, dat God een streep door zijn rekening gemaakt had door hem te verbieden de deal met Balak te sluiten. Hij was nog steeds van plan het volk te vervloeken om geld. Op weg naar Balak ging de engel van de Heer hem in de weg staan als zijn tegenstander. Bileam zag de engel niet, maar wel de ezelin waarop hij reed. De ezelin liep het veld in en Bileam sloeg haar met de hand. Toen, in een smalle doorgang, week de ezel uit en sloeg Bileam haar opnieuw met de hand. Op een nog smallere plek had de ezel geen andere keus dan te gaan liggen en Bileam sloeg haar met een stok – als hij een zwaard had gehad, zou hij haar hebben gedood. Toen opende God de mond van de ezelin. De ezelin herinnerde Bileam aan haar trouwe dienst – het moet Bileam duidelijk zijn geweest, dat het koppige gedrag van de ezelin een reden gehad moet hebben. Bileam begreep uiteindelijk de reden: de engel van de Heer, die, in tegenstelling tot Bileam, een zwaard had. De engel legt uit, dat hij Bileam zou hebben gedood als de ezel niet aan de kant was gegaan.
Satan had in de hof van Eden een listige slang als spreekbuis gebruikt. God gebruikt een stom lastdier om de dwaasheid van de profeet te bestrijden. God neemt wat niets is, om wat iets is teniet te doen (vgl. 1 Kor. 1). Op deze manier maakte God ook duidelijk, dat Hij de tong beheerst; daarom zou Hij Bileams tong gebruiken om te zegenen en niet om te vervloeken. Petrus, Judas en Johannes spreken in het Nieuwe Testament over Bileam en zijn slechte daden.
42. De overwinning op Midian (Num. 25 en 31)
De Midianieten waren afstammelingen van Abrahams vierde zoon en Ketura. Aanvankelijk waren ze vriendelijk tegenover de Israëlieten, maar later werden ze vijandig en brachten ze Israël tot afgoderij. Mozes kreeg de opdracht een grote aanval op Midian te leiden met 12.000 man, terwijl Gideon de uiteindelijke overwinning moest bewerkstelligen (Richt. 6 en 7). God hielp zijn volk op wonderbaarlijke wijze, zodat ze geen enkele soldaat verloren in de succesvolle strijd (Num. 31:49).
Gerrit Setzer; www.bibelstudium.de;
Online in het Duits sinds 08.09.2015
Geplaatst in: Christendom
© Frisse Wateren, FW