3 jaar geleden

Werken en woorden van Jezus (12)

Bijbelcursus

Afscheid

 

Na de voetwassing, verlaat Judas de bovenzaal waar de Paasmaaltijd gehouden werd. Hij verdwijnt in de duisternis van de nacht om het verradersloon te verdienen. De Heer Jezus blijft met de elf discipelen in de zaal. Zij blijven trouw aan de Meester. Nu is de tijd gekomen, dat de Heer Jezus iets heel belangrijks tegen Zijn discipelen zeggen moet. En aangezien Judas er niet meer is, kan Hij er vrijuit met hen daarover spreken. Wat Hij hen te zeggen heeft, zal hen bedroeven, maar ze moeten het toch weten.

 

* * *

 

Vooraf: Geef in de antwoorden – voor zover mogelijk – ook aan in welke bijbelteksten of bijbelgedeelte u het antwoord gevonden hebt. Het liefst de antwoorden in eigen woorden weergeven.

 

1. We lezen Johannes 13 vers 33-38.

Hoe spreekt Jezus Zijn discipelen aan?

…………………………………………………………………………………………………

Als een vader die al zijn kinderen bij zich heeft, voordat hij sterft om hen nog iets te zeggen, zo spreekt de Heer Jezus nog eenmaal met Zijn discipelen.

2. Hij zegt: “Kinderen, nog een korte tijd ben Ik bij u. U zult Mij ​​zoeken”, en: “Waar Ik heenga kunt u niet komen”, en: “Een nieuw gebod geef Ik u: dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u heb liefgehad, dat ook u elkaar liefhebt.” Wat!? Gaat jullie Meester weg? Wat vraagt Simon Petrus ​​met angst en afgrijzen:

…………………………………………………………………………………………………………………………..

3. Het antwoord van de Meester is:

…………………………………………………………………………………………………………………………..

Spoedig zou de Heer in de heerlijkheid terugkeren, op een weg waar niemand Hem kon vergezellen. Later zouden gelovigen Hem in heerlijkheid volgen, velen zelfs door de marteldood, maar niet door de dood, die de Heer Jezus als loon voor de zonde sterven moest. Dat was een weg, waarvan de Heer zeggen kon: “Waar Ik heenga kunt u niet komen”.

4. Petrus zou wil graag weten, waarom hij zijn Meester nu niet volgen kan. Als het nodig is, wil hij zelfs zijn leven inzetten. Maar helaas, Simon zegt dit met goede bedoelingen, omdat hij zijn Meester liefheeft, maar hij kent zichzelf nog erg slecht. Als zijn leven echt in gevaar komt, wat zal hij dan doen voordat de haan kraait?

…………………………………………………………………………………………………………………………..

5. Zoals we hierboven al hebben opgemerkt, kon alleen de Heer Jezus voor onze zonden sterven. Desalniettemin mocht Petrus aan het einde van zijn leven de marteldood sterven. Daarom zegt de Heer Jezus tegen Hem: “… maar je zult Mij

……………………………………………………………………………………………………

6. Petrus zei, dat hij zelfs zijn leven wilde geven voor de Heer. Maar hij vertrouwde op zijn eigen kracht. En daarom ging alles mis. Wat zegt de grote apostel Paulus later (Fil. 4:13)?

……………………………………………………………………………………………………

Onze kracht is klein en we overschatten die vaak. Aan de andere kant is de kracht van de Heer Jezus groot, en we onderschatten die altijd.

7. In Johannes 21 vers 18, na Zijn opstanding, spreekt de Heer Jezus opnieuw met Petrus over ‘volgen’. Uzelf ‘omgorden’ betekent uw eigen beslissingen nemen. Als iemand anders u omgordt, neemt hij de leiding over. Wie zou in ons leven moeten regeren?

…………………………………………………………………

Lees nu eerst Johannes 14.

8. De woorden van de Meester maken de discipelen erg verdrietig en ontmoedigd. Ze zijn diep ontroerd. Ze hadden gedacht, dat ze voor altijd bij Hem konden blijven en al spoedig met Hem konden regeren in Zijn koninkrijk, en nu dit! Maar wees nu stil, de Heer, die uw gedachten kent, begint weer te spreken. Met welke woorden begint Johannes 14?

…………………………………………………………………………………………………………………………..

9. “Laat uw hart niet ontroerd worden!” Deze bijzondere woorden en de belofte die daarop volgt, geven duizenden troost en moed als ze afscheid nemen van iemand, die ze in de hemel weer zullen zien. Welk afscheid bedoelen we?

…………………………………………………………………………………………………………………………..

10. Ja, de discipelen geloofden in God die ze niet hadden gezien (vs. 1). Wat moeten ze doen als ze de Heer Jezus binnenkort niet meer zien?

…………………………………………………………………………………………………

“Gelukkig zij die gezien en [toch] geloofd hebben” (Joh. 20:29) Is dat nog steeds waar? (Zie ook 2 Kor. 5:7)

…………………………………..

11. Petrus vroeg: “Heer, waar gaat U heen?” Wat is daarop het antwoord, dat u in Johannes 14 vinden kunt?

…………………………………………………………………………………………………………………………..

…………………………………………………………………………………………………………………………..

12. Lees Johannes 14 vers 1-3. Het is noodzakelijk dat de Heer hen verlaat om naar Zijn Vader te gaan. Wat zal Hij daar doen voor Zijn discipelen en voor allen die in Hem geloven?

………………………………………………………………………………………………………

13. Hij verlaat hen. Maar Hij belooft weer terug te komen. Wat zal Hij dan doen?

………………………………………………………………………………………………………

14. Lees nu vers 18. Wat is een wees?

…………………………………………………………………………………………………………………………..

15. Zullen de discipelen als wezen achterblijven?

…………………………………………………………………………………………………………………………..

16. Neen, Hij gaat weg, maar Wie komt naar hen toe en blijft bij hen? (vs. 16 en 17)

…………………………………………………………………………………………………………………………..

17. Weet u Wie er wordt bedoeld met “Voorspraak” of “Trooster”? (vs. 26):

……………………………………………………………………………………………………

18. Weet u hoe de Trooster kwam en waar vindt u dit?

…………………………………………………………………………………………………………………………..

…………………………………………………………………………………………………………………………..

© www.bibelkurs.com

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW