5 maanden geleden

Welk juk draag jij?

God spreekt vaak in Zijn Woord door middel van beelden die voor de mensen van alle tijden begrijpelijk zijn. Vooral voor diegenen die niet kunnen lezen of schrijven, zijn dergelijke illustraties indrukwekkend, omdat ze ze uit het dagelijks leven kennen.

Het juk is zo’n beeld. Hiermee wordt een goed gevormde houten balk bedoeld, die als gerei voor trekdieren – bijvoorbeeld als die een ploeg moeten trekken – kan worden gebruikt. Meestal worden twee dieren in een juk1 gespannen. Mensen gebruiken ook jukken om lasten te dragen.

Het juk toont ons aan de ene kant onderdanigheid en dienstbaarheid, aan de andere kant onderwerping en afhankelijkheid. Ieder mens draagt – vrijwillig of onvrijwillig – een of meer jukken. Het is alleen de vraag welke.

1) Het juk van de mensen

Sinds de zondeval hebben mensen elkaar onderdrukt. Van Ezau en Jakob wordt gezegd: “… en de meerdere zal de mindere dienen”. Ezau moest Jakob dienen. Later rukte hij het juk van zijn nek af (Gen. 25:23; 27:40).

Nadat Rehabeam, de zoon van Salomo, koning was geworden, raadpleegde hij eerst de oudsten en vervolgens de jongeren. De oudsten raadden hem aan het volk als een dienaar te dienen en goede woorden tot hen te spreken. De jongeren, aan de andere kant, raadden hem aan: Vertel het volk: “Mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk nog meer toevoegen” (1 Kon. 12:6-11). De raad van de jongeren was de menselijke raad. Zo zegt David ook terecht: “Laten wij toch in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheid is groot. Laat mij echter niet in de hand van mensen vallen” (2 Sam. 24:14). Zien we wat het betekent als de dichter in Psalm 66:12 zegt: “U had de sterveling over ons hoofd doen rijden?” Of wat het voor de Heer betekend heeft, wat in de woorden van de evangelist wordt uitgedrukt: “Jezus echter leverde hij over aan hun wil” (Luk. 23:25)?

En toch is er een nog moeilijker juk:

2) Het juk van Satan en zonde

De slavernij van Israël aan Farao in Egypte is een treffend beeld van de slavernij van een zondaar onder de heerschappij van Satan, die vanaf het begin een moordenaar was (Joh. 8:44). Aanvankelijk ging het Israël goed in het land Gosen, toen onderwierp Farao hen (Lev. 26:13). Ze moesten zwaar werk doen met leem en bakstenen. Ze hebben een tijdje stro gekregen, daarna moesten ze dit ook zelf verzamelen (Ex. 5:7).

Kennen we dat niet uit het leven? Het “monster” is gratis, voor de “levering” komt dan de rekening. Elke verslaving is gebaseerd op dit principe. Het einde van deze gebondenheid is de dood. “Al de zonen die geboren worden, moet u in de Nijl werpen”“Ieder die de zonde doet, is een slaaf <van de zonde>”“Want [het] loon van de zonde is de dood” (Ex. 1:22; Joh. 8:34, Rom. 6:23). Dit juk kan alleen de Heer Jezus breken. Maar God zij dank, dat Hij degene die in Hem gelooft, bevrijdt en hem het eeuwige leven geeft (Rom. 6:17,18,22)!

3) Het juk van de wet

God gaf de wet aan het volk van Israël op de Sinaï, omdat zij Hem hadden geantwoord: “Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen” (Ex. 19:8). Maar de 1500 jaar van beproeven onder de wet hebben volledig bewezen, dat de mens niet in staat is om de wet te houden. Daarom is Christus het einde van de wet, dat wil zeggen sinds Hij gekomen is, is de wet niet langer het middel om Gods gerechtigheid te bereiken (Rom. 10:4). De Heer Jezus was de enige Persoon Die kon zeggen: “Uw wet draag Ik diep in Mijn binnenste” (Ps. 40:9). Door Zijn leven en sterven heeft Hij alle rechtmatige aanspraken van God op ons vervuld. Wie in Zijn werk gelooft, die rekent God dit werk en zijn resultaten toe; hij is met Christus voor de wet gestorven (verg. Rom. 7:4).

Maar er zijn religieuze mensen die nog steeds proberen dit juk op de nek van anderen te leggen, hoewel zijzelf noch hun vaderen het dragen konden (Hand. 15:10). Het is een juk van slavernij. Christus riep ons echter naar de vrijheid (Gal. 5:1). Daarom zegt Hij: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven” (Matth. 11:28).

4) Het juk van Jezus

Wanneer de Heer Jezus ons tot Zich roept, wil Hij ons eerst iets geven: rust – rust uit het juk van de slavernij van de zonde en de wet. Ten tweede roept Hij ons toe: “Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden” (Matth. 11:29). Terwijl wij ons onder Zijn juk buigen, vinden wij rust in de omstandigheden van het leven. Hijzelf is zachtmoedig en nederig. Als we van Hem leren, zullen we leren dat Zijn juk zacht en Zijn last licht is. In het geval het voor ons ooit te moeilijk wordt, wil Hij ons juk verlichten, zoals Hij in Hosea 11 vers 4 zegt: “Ik was voor hen als zij die het juk van op hun kaken omhoogtillen.” De touwen van Zijn juk, waarmee Hij ons trekt, zijn koorden van liefde!

5) Het juk van mijn overtredingen

Het volk van Israël, die de goede hand van zijn God goed kende, kwam in opstand tegen zijn God. De profeet Jeremia moest getuigen tegen hen en zeggen: “Want van oude tijden af heb Ik uw juk gebroken, en uw banden verscheurd. U zei: Ik wil niet dienen!” (Jer. 2:20). Daarom moest God hen onder het juk van de koning van Babel brengen (Jer. 27:11,12). Ze moesten het juk van hun overtredingen dragen. Maar zelfs tegen deze tucht kwamen zij in opstand. Jeremia moest hen zeggen: “Zo zegt de HEERE: Jukken van hout hebt u gebroken, nu zult u in plaats daarvan jukken van ijzer maken” (Jer. 28:13). God Zelf moest hen het juk van hun overtredingen  aanbinden (Klaagl. 1:14). Aan Gods tucht is geen ontkomen aan. Maar wanneer Israël zijn les geleerd zal hebben en tot zijn God teruggekeerd zal zijn, zal het de belofte van Jeremia 30 vers 8 ervaren: “Want op die dag zal het geschieden, spreekt de HEERE van de legermachten, dat Ik zijn juk van uw nek zal breken en uw banden zal verscheuren. Vreemden zullen zich niet meer door hem laten dienen.”

Israël is hier voor ons een voorbeeld hoe God ons opvoedt, wanneer we ons van Hem afkeren. Hoe bitter is het wanneer we het juk van onze overtredingen moeten dragen! Hoe beschamend wanneer de Heer ons door het juk van Babel, dat betekent het juk van de wereld, opvoeden moet. Jona bijvoorbeeld heeft dit moeten ervaren, toen hij voor het aangezicht van de Heer wegvluchtte en de kapitein hem moest zeggen: “Hoe kunt u zo diep in slaap zijn! Sta op, roep uw God aan!” (Jona 1:6). – Maar God hoort wanneer we terugkeren en Hem aanroepen. Hij hoorde Jona toen hij tot zichzelf kwam in de buik van de vis: “In riep uit mijn benauwdheid tot de HEERE en Hij antwoordde mij. Uit de schoot van het graf riep ik om hulp, U hoorde mijn stem” “Maar ik, met dankzegging zal ik U offers brengen; … Het heil is van de HEERE!” (Jona 2:2,9).

6) Het juk van de arbeid

Het juk is ook een beeld voor het dagelijkse werk. Elisa ploegde met twaalf span runderen toen Elia hem namens God tot de profetendienst riep (1 Kon. 19:16,19). Elisa was geschikt en zeer bekwaam in zijn beroep als akkerbouwer. Ploegen met 24 runderen vereist veel vaardigheid. En gezien het grote aantal vee had hij ook iets bereikt. Hij heeft zich onder de dagelijkse discipline van de arbeid gebogen. Daarom kon God hem in een veeleisende dienst plaatsen. De apostel Paulus heeft ons ook een voorbeeld gegeven van hoe we met eigen handen kunnen werken, zowel voor de eigen behoeften als voor die van de zwakken (Hand. 20:34,35).

Het juk van de arbeid is ook noodzakelijk en goed voor ons. Maar we moeten het werk niet als excuus gebruiken wanneer de Heer ons een opdracht geeft. Eén van de genodigden in de gelijkenis van het grote avondmaal sloeg de uitnodiging van de maaltijd af met de volgende redenen: “ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga die proberen!” (Luk. 14:19). Bij het dagelijkse werk geldt: “Zoekt echter eerst het koninkrijk <van God> … en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden” (Matth. 6:33).

7) Het juk van het bezit

Aardse bezittingen kunnen een juk voor ons worden. Job had onder andere vijfhonderd span runderen. Zoveel dieren vergemakkelijken waarschijnlijk het werk van ploegen. Maar als ze zich zeer vermenigvuldigen en we ons hart erop zetten, worden ze een zwaar juk voor ons! De prediker spreekt van een kwaad, dat zwaar op de mens drukt: “Een man, aan wie God rijkdom, bezittingen en eer geeft, heeft voor zichzelf geen gebrek aan al wat hij verlangt, maar God staat hem niet toe iets ervan te gebruiken. Iemand anders, een onbekende, verbruikt het. Dat is vluchtig. Een bittere kwelling is dat” (Pred. 6:1,2).

8) Een ongelijk juk

Reeds in de wet zegt God, dat je niet tegelijk met een ezel en een rund moet ploegen (Deut. 22:10). Dit heeft allereerst een praktische betekenis: bij een ongelijk span kun je geen rechte voren trekken. Maar de verordening was ook geschreven voor ons, om ons een geestelijke les te geven: “Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk!” (2 Kor. 6:14). De gevolgen van een ongelijk juk zijn zo ernstig, dat gelovigen zo’n verbinding met ongelovigen, zoals een huwelijk, niet moeten aangaan. Paulus stelt vijf vragen om de onverenigbaarheid van deze twee kanten te laten zien:

  • Welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid?
  • Welk gemeenschap heeft licht met duisternis?
  • Welke overeenstemming heeft Christus met Belial?
  • Welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?
  • Welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden?

Het antwoord is altijd: nee. In plaats daarvan wil God voor iedereen die zich tot Hem afzondert, tot Vader zijn. Weegt dat niet aanzienlijk veel meer dan een zogenaamd goede partij?

9) Een slaaf onder het juk

Het dragen van het juk is niet alleen het lot van dieren, maar ook van mensen. Een knecht onder het juk te zijn, geeft de sociale positie van een slaaf aan, wat zeker een zeer zwaar lot is. Paulus vermaant hen om hun meesters alle eer waard te achten, opdat de naam van God en de leer niet wordt gelasterd (1 Tim. 6:1). Maar als gelovige slaven bevrijd zouden kunnen worden, mogen ze die vrijheid gebruiken (1 Kor. 7:21). Zowel ondergeschikten als meerderen hebben de waarschuwing: “U bent voor een prijs gekocht; wordt geen slaven van mensen” (1 Kor. 7:23). Men kan zich in een vrije sociale positie bevinden, maar zich toch – bijvoorbeeld door een kleine lening – een slaaf van de mensen maken.

10) jukgenoten

In de dienst voor de Heer zijn we niet alleen. Hij heeft ons broeders en zusters aan onze zijde gesteld. Hijzelf had Zijn discipelen twee aan twee uitgezonden. Laten we bijvoorbeeld denken aan Johannes en Petrus, die eerst samen vissers waren en die de Heer samen tot vissers van mensen maakte. Of aan Paulus, die vaak samen met Silas optrok, zoals ze beiden in Filippi geslagen en gevangen gezet werden, maar ook samen baden en Gods lof zongen (Hand. 16:23-25). Bij een andere gelegenheid diende Paulus met Titus, die hij zijn deelgenoot noemt (2 Kor. 8:23). Paulus spreekt bijzonder lieflijk over Epafroditus, die hij zijn metgezel (letterlijk: mijn jukgenoot) noemt (Fil. 4:3). Niemand ontvangt zoveel titels als hij: mijn broeder, mijn medearbeider, mijn medestrijder, uw gezant en bedienaar in mijn behoeften (Fil. 2:25). Ze werkten samen op hetzelfde arbeidsveld. Ze deden dit in dezelfde gezindheid en imiteerden de Heer Jezus. Ze wandelden in hetzelfde spoor, in hetzelfde tempo en met hetzelfde gezichtspunt naar een gemeenschappelijk doel – Christus – (Fil. 3:16,14).

Wanneer we de betekenis van al deze beelden beschouwen, wordt ons duidelijk, dat God ons nooit met een zwaar juk wilde belasten. Zwaar te dragen lasten zijn een uitvinding van Satan en de mensen. Daarom heeft Hij ons Christus gezonden. Hij heeft ons bevrijd van elke slavernij, zodat we Zijn zachte en lichte juk kunnen dragen. Is het niet de moeite waard om dit juk vanaf de jeugd te dragen (Klaagl. 3:27)?

NOOT:
1. Een juk met twee emmers water is in Nederland het traditionele beeld.

 

Markus Furrer; © www.haltefest.ch

Jaargang: 2002 – bladzijde 225.

Geplaatst in: ,
© Frisse Wateren, FW