5 jaar geleden

Twee mannen aan de zijde van Jeremia

Baruch en Ebed-Melech

Jeremia was veel alleen. Maar een trouwe man stond in zijn dienst aan zijn zijde: Baruch, de schrijver. En toen Jeremia in een diep graf de dood in ogen zag, kwam er een man die hem redde: Ebed-Melech. Het is interessant en leerzaam, wat de Schrift over deze beide mannen aan de zijde van Jeremia zegt.

Baruch – ontmoedigd en bemoedigd

(Jer. 36:1-4 en 45:1-5)

Men schrijft het jaar 605 vóór Christus: Koning Jojakim regeert in Juda. Het volk wordt door de Babyloniërs zeer verdrukt en is in grote nood. Daar ontvangt Jeremia een boodschap van God, dat hij door Baruch in een boekrol laat schrijven (Jer. 36:1-4). In deze woorden drukt God Zijn toorn over Zijn volk uit, dat zo zwaar tegen Hem gezondigd had (Jer. 36:7). Onder andere moest Baruch opschrijven: “De koning van Babel zal beslist komen en zal dit land te gronde richten en hij zal mens en dier eruit wegdoen?” (Jer. 36:29).

Toen Baruch deze boodschap van oordeel opschreef, werd hij helemaal ontmoedigd. Hij roept uit: “Wee mij toch, want de HEERE heeft aan mijn leed nog meer verdriet toegevoegd. Ik ben moe van mijn zuchten. Ik vind geen rust” (Jer. 45:3). Zulke gevoelens kennen we ook van Jeremia (Jer. 8:21-23, 9:1; 14:17-18; 15:10,17-18). Maar de zielensmart van Baruch roert zich juist ook daarom, dat de komende catastrofe zijn ambitieus levensplan in de wielen zou rijden: Hij zocht namelijk naar “grote dingen” (Jer. 45:5). God geeft hem door Jeremia een tweeledige boodschap: Hij moet accepteren dat het komende oordeel zwaar en omvangrijk wordt en daarom hoogvliegende gedachten niet passend zijn. Maar hij mag erop vertrouwen, dat hij in de crisis zijn leven niet verliezen zal (Jer. 45:4-5). Deze belofte bemoedigt hem om voor God op te komen en op Zijn bescherming te rekenen.

Baruch moest zijn prioriteiten onderzoeken. Dat zouden wij ook moeten doen en ons afvragen: Willen wij in ons leven het tot “iets brengen”, of zouden wij liever het “werkelijke leven” (het leven met Christus) willen grijpen (1 Tim. 6:17-19)? Dat zou ons inspireren om voor de onvergankelijke kroon te lopen (1 Kor. 9:25) in plaats van naar grote dingen in deze wereld te streven. Wij mogen op de weg van het geloof en trouw op de helpende en bewarende genade van de Heer rekenen.

Onverschrokken en onvermoeibaar

(Jer. 36:5-32)

Jeremia die impopulaire predikingen in de tempel gehouden had (Jer. 7:1-15; 26:1-19), mag de tempel niet meer opzoeken. Daarom wil hij dat Baruch erheen gaat en de opgeschreven boodschap voorleest. Baruch moet daarmee wachten totdat een vasten uitgeroepen wordt en zich mogelijk vele berouwvolle mensen in de tempel verzamelen. Misschien zullen de joden de Heer biddend smeken en zich van hun boze wegen bekeren (vs. 7).

Als de gelegenheid gekomen is, gaat Baruch onverschrokken de tempel binnen en leest de boodschap van oordeel voor (vs. 8 en 10). Een toehoorder, Michaja geheten, wordt door deze boodschap getroffen en zorgt ervoor, dat Baruch de woorden ook de vorsten van het land voorleest. Baruch, die alles exact opgeschreven had, wat God door Jeremia zeggen liet, draagt nu alles zo voor, zoals het in de boekrol staat (Jer. 36:4,15,18). Hij voegt er niets aan toe en laat niets weg. De vorsten zijn geschokt en besluiten, dat ook de koning deze profetie horen moest. Als Jehudi, die ditmaal de voorlezer is, de woorden van de rol voorleest, verscheurt de koning echter hooghartig de rol en gooit de delen na elkander in het vuur. Jeremia en Baruch wil hij gevangen nemen, maar de Heer houdt Zijn beschermende hand boven Zijn beide dienaren (vs. 21-26). Dan ontvangt Jeremia de opdracht, een nieuwe rol te nemen en de woorden daarop te schrijven, die op de vorige rol stonden. Maar niet alleen dat – hij moet ook andere woorden eraan toevoegen. Baruch, de onvermoeibare schrijver, is ter beschikking en voert deze opdracht uit.

Hoe ziet het er met ons getuigenis voor de wereld uit? Geven wij de boodschap verder door? Spreken wij ook van het komende oordeel of maken we om dit ongeliefde thema liever een wijde boog? Zijn wij in onze dienst ook dan onvermoeibaar, wanneer alles vergeefs schijnt? Enkele woorden uit de tweede brief aan Timotheüs sporen ons aan: “Want God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht en liefde en bezonnenheid. Schaam u dan niet voor het getuigenis van onze Heer … Beijver u om uzelf welbeproefd voor God te stellen, als een arbeider die zich niet hoeft te schamen en die het Woord van de waarheid recht snijdt … predik het Woord. Volhard daarin, gelegen of ongelegen … Doe het werk van een evangelist. Vervul uw dienstwerk ten volle.” (2 Tim. 1:7-8; 2:15; 4:2,5).

‘Het vertrouwen waard’ en ‘vol vertrouwen’

(Jer. 32)

Men schrijft het jaar 587 vóór Christus: Het leger van koning Nebukadrezar (= Nebukadnezar) staat voor de muur van Jeruzalem, waar de laatste koning van Juda regeert. De gevangen Jeremia krijgt bezoek van zijn neef Hanameël, die hem zijn akker in Anathoth te koop aanbiedt. Anathoth ligt in het gebied van de stam Benjamin, dat door vijandelijke troepen bezet is. Toch aarzelt Jeremia niet daarop in te gaan, omdat hij weet dat de zaak van God uitgegaan is en dat door de koop profetisch op een betere toekomst gewezen wordt: “Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Er zullen weer huizen en akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land.” (vs. 15). Bij de koop van het stuk land zijn getuigen aanwezig, waaronder ook Baruch behoort. Omdat hij het vertrouwen waard is, worden hem de beide koopbrieven gegeven; en alleen omdat hij vol vertrouwen tot God opziet, is hij dan ook bij deze verwonderingwekkende transactie aanwezig. Baruch weet: Gods Woord komt uit en het volk heeft een toekomst!

Christenen moeten op alle terreinen het vertrouwen waard zijn. “En verder”, schrijft de apostel Paulus, “wordt van de beheerders verlangd dat zij betrouwbaar blijken te zijn” (1 Kor. 4:2). Ook wij moeten vol vertrouwen op de uitspraken van God steunen. Dat mag ons daartoe brengen, dingen te doen die het ongeloof als onlogisch en dom afdoet. De gelovige echter weet, dat het een ‘zich verlaten op God’ is en dat Zijn plannen vervuld zullen worden.

Veracht en ontvoerd

(Jer. 43:1-7)

Ongeveer vier jaar later (583 vóór Christus): Jeruzalem is verwoest, zoals Jeremia en Baruch het aangekondigd hadden. Vele joden zijn in gevangenschap naar Babel weggevoerd. Enkelen van hen, die in Israël gebleven zijn, willen naar Egypte vluchten en vragen aan Jeremia of dit met Gods plannen overeenstemt. Toen Jeremia dit ontkende, werden zij woedend. Zij beweerden dat Jeremia een valse profeet was en dat Baruch hem tegen hen zou hebben opgehitst. Volgens hun mening wilde Baruch hen alleen in het land houden om hen aan de Babyloniërs uit te kunnen leveren. Wat een veronderstelling! Maar daarbij blijft het niet. De mannen die niet naar Jeremia willen luisteren, dwingen Jeremia en Baruch mee naar Egypte te trekken. Daar verdwijnt het spoor van de beide knechten van God.

Wanneer wij trouw voor onze Heer opkomen, kunnen wij niet verwachten dat onze weg over rozen zal gaan.  De Heer heeft gezegd: “Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt, omwille van Mij. Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn” (Matth. 5:11-12). Zijn wij werkelijk bereid verachting en leed om des Heren wil op de koop toe te nemen?

Ebed-Melech – moedig en meelevend

(Jer. 38:1-13)

Ebed-Melech treedt tijdens de heerschappij van Zedekia op, kort voor de vernietiging van Jeruzalem in het jaar 586 vóór Christus: God heeft de Babyloniërs als straf naar Zijn ontrouwe volk gezonden. De joden moesten het erkennen en zich aan de koning van Babel onderwerpen en niet tegen hem strijden, zoals ze dat bij andere vijanden gedaan hadden. Jeremia wordt niet moe om deze ongemakkelijke boodschap te verkondigen. De vorsten zijn woedend, omdat zij de demoralisering van hun troepen vrezen. Zij willen Jeremia doden. De karakterloze koning Zedekia is het daar mee eens! Jeremia wordt met touwen neergelaten in een put zonder water, waar hij jammerlijk verhongeren zal.

Geen Israëliet bekommert zich om de profeten. Maar er is een Ethiopiër {HSV: Cusjiet} Ebed-Melech, die moed en medegevoel toont. Hij gaat naar koning Zedekia en vraagt dapper of hij Jeremia redden mag. God bewerkt dat Zedekia toestemt (verg. Spr. 21:1). Ebed-Melech krijgt 30 man mee ter ondersteuning van zijn actie. Om Jeremia te bergen, heeft hij niet zoveel mannen nodig, maar om onruststokers af te schrikken, is het leger zeker nuttig. Het verdient onze aandacht te zien hoe meevoelend en omzichtig Ebed-Melech te werk gaat. Hij trekt Jeremia niet eenvoudig aan touwen omhoog (zoals hij neergelaten werd), maar verzorgt hem met afgedragen lompen, die hij onder de touwen leggen kan (verg. vs. 6, 12-13). Zo wordt hij omhoog getrokken en gered.

Nemen wij het moedig op voor hen, die op onze hulp aangewezen zijn? Hebben wij medelijden met hen die in de “put van de vertwijfeling” liggen? De lompen en lappen die Ebed-Melech gebruikte, waren op zich waardeloos, maar ze tonen duidelijk zijn vriendelijkheid. Ook vandaag zijn er vaak zeer eenvoudige en toch effectieve mogelijkheden om barmhartigheid te tonen en effectief te helpen. Laten we deze benutten!

Beschroomd en vol vertrouwen

(Jer. 39:15-18)

De inname van Jeruzalem is nu aanstaande. Ebed-Melech is bang voor de wrede soldaten van de Babylonische troepen. Hij krijgt een boodschap van Jeremia, die nog steeds wordt vastgehouden in de gevangenis: Jeruzalem zal vallen, maar hij zal het er levend vanaf brengen omdat hij op God vertrouwd heeft. Deze belofte, die aan de belofte voor Baruch herinnert, bemoedigt de beschroomde Ebed-Melech ongetwijfeld en geeft hem vertrouwen.

Wij weten niet dat op ons afkomt. Dat onze reis naar het hemelse doel gladjes verloopt, is ons in ieder geval niet beloofd. Maar we weten heel zeker, dat wij het doel zullen bereiken. Want niets kan ons van God en Zijn liefde scheiden (Rom. 8:29-29). Deze belofte gaat veel verder dan dat, wat Ebed-Melech beloofd was, en zij zou ons blijdschap moeten geven en ons vol vertrouwen doen zijn. “En de Heere zal mij bevrijden”, schrijft Paulus, “van alle boze opzet en mij verlossen tot de komst van Zijn hemels Koninkrijk. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen” (2 Tim. 4:18).

Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?

“Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere” (Rom. 8:35, 38-39).

Uit: Folge mir nach – Gerrid Setzer

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol