15 jaar geleden

Spreek, want uw knecht hoort!

Hier volgt een checklist om praktische vragen op te lossen (1 Korinthe 10:23-11:1). Zullen we samen deze “cheklist” eens volgen en onszelf onderzoeken? Het is daarbij zeker geoorloofd als ook nuttig, verstandig en opbouwend om de woorden van David uit Psalm 139:23 en 24 ter harte te nemen.Als een monteur wil weten of bijvoorbeeld een auto in orde is, dan neemt hij vaak een “checklist” (controlelijst) ter hand. Dat geeft hem de zekerheid dat hij bij zijn controle geen punten vergeet; anders zou het gevaarlijk kunnen worden.

Het hierboven genoemde gedeelte uit de Korinthebrief geeft – naast ander onderwijs – ook zulk een “checklist”. Zij is voor die oprechte Christenen bedoeld die zeker willen weten of een beslissing werkelijk in overeenstemming met de wil van de Heer Jezus genomen wordt.Nu verschilt deze Bijbelse “checklist” fundamenteel met die van de automonteur: hij is niet “mechanisch” toepasbaar. Zonder gebed, zonder geestelijke oefeningen gaat het niet.

Daar is een eenvoudig oog voor nodig, dat wil zeggen: een oog dat slechts een voorwerp ziet, namelijk de Heer Jezus. Dat zal ons licht geven (zie Mattheüs 6:22). Men moet ook daadwerkelijk Zijn gedachten willen volgen, anders “klopt” er iets niet (zie bijvoorbeeld Johannes 7:17).Wie aan deze voorwaarden voldoet, zal er dankbaar voor zijn een zeker “beslissingskader” in het Woord te vinden (andere teksten geven ons overigens nog meer aanwijzigingen).

Ons gedeelte noemt een voorbeeld van een praktische vraag die ook door ons vaak gesteld kan worden: een ongelovige nodigt mij uit – mag ik daarop ingaan? Ik vind nergens in de Bijbel een algemeen geldend antwoord. Maar toch kan ik de volgende punten stuk-voor-stuk nalopen:

  1. Is het geoorloofd (vers 23)? Als hier staat “alles is geoorloofd”, dan geldt dat uiteraard in de samenhang met dit hoofdstuk. Ook het Nieuwe Testament noemt veel dingen die niet geoorloofd zijn (bijvoorbeeld Markus 6:18; 1 Korinthe 14:34; 1 Timotheüs 2:12). Voor de morele principes van God zijn er geen alternatieven mogelijk voor de Christen. Juist de van alle wetticisme bevrijde Christen buigt zich blij onder de geboden van de Heer Jezus. Als mijn probleem hier reeds is opgelost, hoef ik al niet meer verder te vragen.
  2. Is het nuttig (vers 23)? Brengt het mij dichter bij de Heer Jezus? Of blijft mijn verstand vruchteloos, schaadt het mijn lichaam, de tempel van de Heilige Geest, of zelfs mijn ziel? Wanneer is iets nuttig? Als het het doel wat God voor ogen heeft, dient! Nu, Hij wil dat wij opgebouwd worden en groeien in de kennis van Zijn Zoon. Waarom? Opdat wij dan Zijn heerlijkheid gaan zien en Hem en God de Vader zullen lofprijzen en aanbidden. Daarom is de tweede vraag: is het in Gods ogen nuttig? Is het in overeenstemming met Zijn plannen met ons?
  3. Bouwt het op (vers 23)? Opbouwen heeft twee kanten: ten eerste dienen we onszelf op te bouwen (Judas 1:20) en ons zo te gedragen dat de ander opgebouwd wordt. Daarom: is het goed voor mij? Wordt mijn geestelijk leven daardoor gediend? Of bewerkt het eerder afbraak? Belemmert het mijn geestelijke groei? En ten tweede: help ik anderen ermee? Drijft de liefde mij – tot verlorenen en tot gelovigen? Zoek ik het beste voor de ander (zie vers 24)?
  4. Kan ik ervoor dankzeggen (vers 30)? Hoort het bij “elke goede gave en elk volmaakt geschenk” dat van onze God en Vader komt (Jakobus 1:17)? Kunnen we er oprecht en volkomen dankbaar voor zijn? Of bespeur ik er belemmeringen bij? Heb ik misschien al lang om een gelegenheid gebeden en mag ik die nu dankbaar waarnemen? Of ben ik tijdens mijn danken een beetje onrustig?
  5. Doe ik het tot eer van God (vers 31)? Dat gaat ver, en roept tot zelfonderzoek op van mijn motieven! Allereerst: is het werkelijk mijn verlangen om God te eren? Ook als dat mij iets kost? En dan, in dit geval: wordt Hij daardoor geeerd? Als ik dat doe, zullen de mensen om mij heen dan zeggen: “Tjonge, dat is tenminste een echte Christen; die heeft principes en heeft daarvoor alles over; die is consequent”? Dat is tot eer van God. Of zullen ze zeggen: “Pfff, dat is een echte zondags-Christen! Als zijn geloof zo weinig voor hem betekent, dan kan het nooit veel waard zijn”? Daardoor wordt God onteerd.
  6. Zou ik er een ander tot ergernis mee zijn (vers 32)? Deze overweging moet zeer ernstig genomen worden. Hoe zeer het te veroordelen is als men een ander tot zonde verleidt (door een ergernis, een steen des aanstoots), toont 1 Korinthe 8:11,12. Het kan dus zo zijn dat ik na alle hiervoor genoemde punten (1-5) de vrijheid kan hebben om iets te doen, en er toch afstand van moet doen op grond van dit punt (6). Heb ik nog die bereidheid om iets voor een ander te doen?
  7. Ben ik een navolger van Christus (hoofdstuk 11:1)? Hoe zou de apostel Paulus, ja hoe zou de Heer Jezus Zelf ZIch in deze situatie, met het oog op deze vraag, gedragen? Hoe meer ik Hem door Zijn Woord ken en bovenal liefheb, des te gemakkelijker zal voor mij het antwoord te herkennen zijn, en dat beslist tenslotte alles!

In de praktijk samen met de Heer je weg te gaan, is iets wat je moet leren, soms door vallen en opstaan. Ook Samuel als jongeling onderkende tot drie keer toe niet dat de Heer tegen hem sprak (1 Samuël 3:1-10). De Heer verdraagt dat in Zijn genade. Dat Eli als oude man en dienstknecht van God ook pas de derde keer begreep dat de Heer sprak, is veel kwalijker. Toch kon hij dan als oude man de jonge Samuël daarin een hulp zijn. Laten ook wij op adviezen letten van oudere brusters die hun weg met de Heer gaan. En mochten we tevens de gezindheid van Samuël vertonen en het biddend tot Hem zeggen: “Spreek, want uw knecht hoort!”

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW