14 jaar geleden

Ruth (11)

Deze doorlopende overdenking is ontstaan uit voordrachten en zijn voor de praktijk bedoeld. Moge de Heer ons door deze eenvoudige overdenking rijkelijk zegenen! – Het ligt mij op het hart daarop te wijzen, dat men uitleg over het Woord van God alleen met de Bijbel en onder gebed leest.

Een herstelde en een nieuw bekeerde

19) Alzo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem inkwamen; en het geschiedde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de ganse stad over haar beroerd werd, en zij zeiden: Is dit Naómi? 20) Maar zij zeide tot henlieden: Noemt mij niet Naómi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. 21) Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeren; waarom zoudt gij mij Naómi noemen, daar de Heere tegen mij getuigt, en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft? (Ruth 1:19-21)

Een dichter zegt: ‘Uw doen is steeds gezegend, al schijnt het soms ook hard’. Wij zullen dit hem zeker nazeggen, want de wegen van God zijn altijd goed en genadig. Mozes, de trouwe knecht van God, zegt aan het eind van zijn leven: “Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gericht. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij” (Deuteronomium 32:4). Maar om dat met volle overtuiging van het hart te kunnen zeggen, daarvoor zijn vaak diepe oefeningen noodzakelijk. Naómi heeft deze moeilijke les geleerd. Ook wij hebben in de school van God veel te leren. Vaak duurt het tientallen jaren voordat wij de opgave kunnen die God ons geeft. Het hele leven blijven wij in Zijn school.

“Alzo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem inkwamen”. Men zou kunnen zeggen: een herstelde en een nieuw bekeerde. In het hart van Naómi zullen ongetwijfeld vele gedachten opgekomen zijn. Toentertijd had zij met haar man en haar twee zonen deze plaats verlaten. Bethlehem – het “broodhuis” – werd nu voor haar weer groot en groot van betekenis.

Een terugkeer van een verkeerde weg is meestal veel moeilijker als een bekering. De vijand zoekt met alle hem ten dienste staande middelen dat te verhinderen. Een bijzondere overwinning kost het zich weer in verbinding te stellen met wie men vroeger gemeenschap had. De eerste gang tot hun samenkomsten is bijzonder zwaar. Maar de Heere geeft hen die alleen op Hem steunen en niet op mensen ziet, de kracht daartoe. “De ganse stad werd over haar beroerd”. Allen in Bethlehem verheugden zich. Naómi, een misschien doodgewaande, keerde terug. Ja, wanneer een verdwaald kind van God in oprecht berouw en belijdenis terugkomt, is er vreugde in de hemel maar ook in de vergadering van de kinderen van God. Niemand denkt geringschattend over de “verloren zoon” maar allen roemen de genade van God. Als iemand bewaard bleef voor een weg naar “Moab” is het slechts Goddelijke genade. Ongetwijfeld zal de omkeer van een broeder of een zuster in menig hart ernstige zelfbeproeving bewerken. Hoe gemakkelijk kan men innerlijk van de Heer afgeraakt zijn zonder dat het naar buiten toe zichtbaar is geworden. Maar de Heer heeft het toch gezien!

Evenzo is het, zoals reeds gezegd, met de totale Christenheid, zij ging de weg af naar Moab. Na eeuwen van zware vervolgingen werd het Christendom door keizer Constantijn tot staatsgodsdienst verheven. De verbinding met de wereld was voltrokken, tegen het Woord van de Heer Jezus in: “Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik van de wereld niet ben” (Johannes 17:16).

In de Reformatie vinden we zoiets als een terugkeer naar “Bethlehem”. God deed grote dingen en stelde de waarheid van de rechtvaardiging door het geloof in het bijzonder in het licht. Christus en Zijn volbracht verlossingswerk op het kruis van Golgotha werd weer centraal gesteld. Gods genade plaatste schijnbaar verloren gegane waarheden van Zijn Woord weer in het volle licht. Velen hebben als gevolg daarvan de grondslag van dode, religieuze belijdenisdenominaties verlaten en zij zijn – geestelijk gezien – naar “Bethlehem-broodhuis” teruggekeerd. Zij kwamen met het “levende brood, dat uit de hemel neergedaald is” in verbinding, met de Heer Jezus Christus Zelf. Bij Hem, het “levende brood” is er geen gebrek, zelfs dan niet wanneer geestelijke gezien de hele wereld verhongert. Bij Hem is brood in overvloed.

Zoals eens Jozef in Egypte gedurende de magere jaren aan een hongerende mensenmassa graan voor brood uitdeelde, zo mogen allen die zich in “Bethlehem” bevinden aan een hongerende, innerlijk versmachtende mensheid het brood van het leven uitdelen. “Werp uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen” (Prediker 11:1). Dit brood is de goede boodschap van de enige Redder en Heiland Jezus Christus, ja, Hij Zelf!

De Prediker zegt niet dat wij het morgen al zouden vinden, nee, na “vele dagen”. Misschien zullen wij pas in de hemel zien wat God door Zijn evangelie heeft bewerkt. Laten wij daarom niet moedeloos worden als wij niet snel vrucht zien. De tijden van grote opwekkingen in de zogenaamde “Christelijke landen” zijn voorbij. Zij worden gekenmerkt door on- en bijgeloof, afval en atheïsme. Ondanks dat redt de Heer nog altijd degenen die dat willen.

In landen waar Gods Woord onbekend was, stellen wij een sterke honger naar het evangelie vast. Men roept om arbeiders die in de rijen intreden van hen die de goede boodschap verkondigen. Zo lang de genadetijd duurt, moet het goede zaad worden uitgestrooid. Mensen moeten naar “Bethlehem” gebracht worden, tot het ware Levensbrood om nooit meer honger te lijden.

Ruth werd door Naómi naar Bethlehem geleid. Zij rekende zich tot de God van Israel en tot Zijn volk. Hier zou zij volle voldoening vinden. Zo kwamen een herstelde en een nieuw bekeerde naar Bethlehem.

“Is dat Naómi?”, zo vroeg men. Het verblijf in Moab en het doorstane leed hadden haar zeker een stempel opgedrukt. “Noemt mij niet Naómi (liefelijke), noemt mij Mara (bittere – bedroefde); want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan …”.

Was het niet eigen schuld dat God aanleiding gaf om tegen haar op te treden? Hoe weinig erkennen wij de wegen van God met ons! Ook wanneer het ons “zeer bitter” moet maken, is het toch Zijn genade en liefde tot ons. “Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de HEERE doen wederkeren”. Ja, God moet vaak “tegen” ons getuigen, ons een halt toeroepen opdat wij voor erger worden bewaard.

Laten wij nooit zeggen: “de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan!”. Verstaan wij hier Zijn wegen niet, boven zullen wij ze erkennen en Hem daarvoor danken!

En lost hier niet het raadsel op
van alle tranen die je hebt geweend,
in het land van het eeuwige zonlicht,
daar zul je zien hoe Hij het heeft gemeend.
Daarom mopper niet en vraag niet veel,
Hij is en blijft je trouwste vriend.
Hij kent de weg, Hij kent het doel,
daar zul je zien hoe Hij het heeft gemeend.

Is er bij u misschien ook een vraagteken opgekomen, geliefde lezer? Bedenk, de vijand zal met allerlei argumenten komen om de liefde van God ter discussie te stellen. Buig u onder de machtige hand van God en denk eraan dat Hij geen fouten maakt! Houd dat vast in geloof en Zijn doen wordt u ten zegen.

Wordt vervolgd D.V.

De Schriftplaatsen van deze overdenkingen zijn aangehaald uit de Statenvertaling 1991 (Oude Testament) en uit de z.g. Voorhoevevertaling 4e druk (Nieuwe Testament), tenzij anders vermeld.

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, FW