12 maanden geleden

Rechtvaardiging en aanvaarding bij God (2)

Het volgende gedeelte, dat aangehaald zou kunnen worden om dit feit te bevestigen, brengt ons bij het visioen van de apostel Johannes over de plaats, waar verloste heiligen in de hemel voor de troon van God te zien zijn. “Daarna zag ik, en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en [alle] geslachten en volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam” (Openb. 7:9). Dit is de positie van de heerlijkheid en de triomf voor de troon voor de verlosten, die de heerlijkheid van de verlossing die zij genieten, toekennen aan God en het Lam. En dat Lam is Christus, Die voor hen gestorven is. Maar we worden ook hier niet in het ongewisse gelaten, wat hen het recht op deze plaats geeft, die ze innemen, want met betrekking op de vraag: “Wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen?” geven de oudsten een antwoord, dat het onmiskenbaar duidelijk maakt: “Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze zijn wit gemaakt in het bloed van het Lam. Daarom zijn ​​zij vóór de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel” (Openb. 7:14). Dit laat zien dat zowel de witte klederen als ook hun plaats in de hemel vóór de troon alleen aan de werkzaamheid van het bloed van het Lam toegeschreven kan worden.

Wenden we ons tot Openbaring 5, waar niemand gevonden wordt die waardig is om het verzegelde boek in de rechterhand van Hem, Die op de troon zit, te openen of te bezien, totdat Hij verschijnt, Die als “het Lam als geslacht” beschreven wordt en in het midden van de troon gezien wordt. Dat Hij het boek nam, was het signaal waarop allen in de hemel en tenslotte de hele schepping Zijn waardigheid als het geslachte Lam erkenden, dat wil zeggen als Degene die geleden heeft en gestorven is tot verheerlijking van God. Zo zien we dat Zijn plaats op de troon, evenals het deel van de verheerlijkte heiligen, die door Zijn bloed voor God gekocht zijn, en Zijn recht op alle dingen in hemel en op aarde aan de waarde van Zijn offerdood worden toegeschreven. Dit toont niet alleen de plaats en het handelen van Christus zelf, die als antwoord op de vraag van de engelen: “Wie is waard het boek te openen?” in dit karakter op de troon verschijnt en het boek neemt, maar het wordt daarenboven ook door de lippen van de op tronen gezeten oudsten, alle hemelse wezens, en tenslotte door de hele schepping betuigd. Laten we een moment luisteren naar de zang van de oudsten, terwijl ze met hun harpen en hun gouden schalen vol reukwerken voor Hem neervallen en Zijn waardigheid vieren: “U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht, en hebt voor God gekocht met uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie”. Of de stem van tienduizenden tienduizendtallen van engelen rondom de troon, die de lofprijzing voortzetten, die door de verlosten werd begonnen, toen Hij het boek uit de rechterhand van Hem, Die op de troon zat, aannam: “Het Lam dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en lof”. Hierbij laat de ontvangst van het boek zien, dat Hij dit alles zal ontvangen. De lofprijzing van de schepping antwoordt hierop en beëindigt aldus deze glorieuze erkenning van de aanspraak van Christus, die eens vernederd en verworpen was.

Is het niet merkwaardig dat door zondaars hier op aarde wordt beweerd, dat deze waardigheid, die zodanig erkend en verkondigd wordt en die de hoogste rechten en hoogste plaats in de hemel geeft, helemaal geen recht op de hemel geeft? In het licht van zo’n getuigenis, het getuigenis van God Zelf, Die het Lam dat geslacht is, erkent, doordat Hij Hem het verzegelde boek uit Zijn Eigen rechterhand overgeeft, het getuigenis van alle verloste, verheerlijkte heiligen in de hemel en het getuigenis van alle hemelse heerscharen voor de troon van God, moet iedere weerstand van elke menselijke autoriteit die ooit bestond, onbetekenend ten onder gaan.

Maar Hebreeën 9 werpt nog meer licht op het karakter van onze aanspraak op de hemel. De apostel verwijst naar de Grote Verzoendag, waarop elk jaar de hogepriester tot verzoening voor de zonden van Israël offerde, doordat hij het heilige der heiligen binnenging en het bloed op het verzoendeksel sprenkelde.1 Zo werd de verbinding tussen God en Zijn volk voor een jaar gehandhaafd, maar moest elk jaar weer herhaald worden, omdat het onmogelijk was dat het bloed van stieren en bokken zonden kon wegnemen. De plaats waar het bloed werd gesprengd, toont ons in beeld op een zeer opmerkelijke wijze de waarde die God aan het bloed van Christus toeschrijft. Het verzoendeksel was niets minder dan de troon van God in het midden van Zijn volk, en Aäron mocht het niet zonder bloed naderen, want God had gezegd dat Hij zou verschijnen in de wolk op het verzoendeksel (zie Ex. 25:22). Door deze bepaling toonde God dat Hij voor Zijn ogen en op Zijn troon altijd het bloed moest hebben, als de enige grondslag van Zijn wonen onder het volk en hun omgang met Hem, hoe zwak en onvolmaakt deze omgang in die bedeling dan ook mocht zijn. Het bloed dat op de troon van God gesprengd werd, toont het volgende, namelijk dat het aan alle eisen van de goddelijke heerlijkheid en majesteit tegemoet komt en eraan voldoet. Het moest ook passen bij de plaats waarop het werd gesprengd, anders zou het daar niet gesprengd zijn. Zo was het de grondslag van de betrekkingen tussen God en Zijn volk.

In de brief aan de Hebreeën vertelt de apostel ons dat deze zinnebeeldige handeling door Christus vervuld werd, Die “gekomen als Hogepriester van  de komende2 goederen, door de grotere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt (dat is niet van deze schepping), ook niet door [het] bloed van blokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eens voor altijd is ingegaan in het heiligdom, na een eeuwige verlossing verworven te hebben” (Hebr. 9:11,12). Want het is, zoals ons hetzelfde hoofdstuk leert, de hemel zelf die hierdoor vooraf zinnebeeldig voorgesteld wordt, waarin Christus ingegaan is, “want Christus is niet ingegaan in [het] met handen gemaakte heiligdom, een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons“ (Hebr. 9:24). De verlossing die Christus door Zijn Eigen bloed tot stand gebracht heeft, is, zoals hier gezegd wordt, niet tijdelijk maar eeuwig en heeft dus niet de herhaling nodig, zoals het gebruik van de woorden “eens voor altijd” ook laat zien. Daarom spreekt de apostel in Hebreeën 9 van de weg in het heilige der heiligen, die nog niet bekend gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog bestond, maar die nu voor ons geopend is. En in Hebreeën 10 vraagt Hij ons te naderen tot de genadetroon: “Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus”, door het voorhangsel heen, die door Zijn dood gescheurd is, om ons de ingang mogelijk te maken. Het heiligdom waar Christus door Zijn Eigen bloed ingegaan is en waar Hij voor ons verschijnt, dat is, zoals de apostel zegt, de hemel zelf, die vervolgens de plaats van onze aanbidding en onze omgang met God geworden is. Dus, wanneer de troon van God het bloed van Christus zo beloond heeft en ons op deze wijze de waarde van het bloed verkondigt, doordat God Zelf ons uitnodigt om te naderen, omdat het bloed op de troon en op het geweten gesprenkeld werd, en wanneer wij nu het recht hebben door het geloof de hemel binnen te treden en dáár in de Geest te aanbidden, dan is het duidelijk dat de bewering, dat het bloed geen macht en helemaal geen recht op de hemel geeft een verschrikkelijke vernedering van het heerlijke voorrecht die ons de kostbaarheid van dit bloed in de ogen van God gegeven heeft, en ook een vernedering van de wijze waarop God door dit bloed verheerlijkt is.

Na dit duidelijk en ondubbelzinnig getuigenis van deze schriftplaatsen schijnt het niet meer nodig te zijn om andere passages te citeren, die ons de grondslag tonen waarop wij het recht gekregen hebben op een ​​plaats in de hemel, een plaats dicht in de nabijheid van God, waar een schepsel staan kan; want we zien in de positie van de oudsten in Openbaring 5, dat dit kostbare bloed van Christus geredde zondaars het voorrecht van een dichtere nabijheid tot de troon geschonken heeft dan de hemelse wezens die hebben. Het is terecht opgemerkt, dat de engelen God liefhebben en ook volkomen hun naasten, hoewel niet door een externe wet, maar door de aard van hun natuur. Maar dáár zijn de engelen “rond de troon en de levende wezens en de oudsten”, dat wil zeggen, zij vormen een buitenste cirkel en zijn dus noodzakelijkerwijs verder van de troon verwijderd. Ook zitten zij niet op tronen en dragen geen kronen op hun hoofd als koningen en priesters voor God, want dit zijn onderscheidingen die exclusief voor de verlosten voorbehouden zijn, want de toekomstige wereld wordt ook niet aan engelen onderworpen.

De lezer zal echter tevergeefs zoeken naar bewijzen in het Woord van God, dat de gehoorzaamheid van Christus tegenover de wet de grondslag van onze aanspraak op de hemel vormt. Er is geen dergelijke verklaring. En nadat in Openbaring ons gezegd wordt, dat het de in het bloed gewassen klederen zijn, die de zondaar het recht geeft om voor de troon van God te zijn, welk recht hebben wij dan om te zeggen, dat er nog iets anders nodig zou zijn, terwijl hiertoe geen enkel bewijs in de Schrift bestaat?

Wordt vervolgd.

NOTEN:
1. Deze besprenkeling van het verzoendeksel, die de Ark van het Verbond bedekte, laat zien dat het feit van de tafelen van de wet in de ark niets te maken heeft met de rechtvaardiging van het volk van Israël, want God kon niet verlangen dat verzoening op iets volbracht werd, wat in zichzelf rechtvaardigt. Het was een beeld van Christus, die van Zichzelf zegt: “Uw wet draag Ik diep in mijn binnenste”; en dat verwijst naar dat, wat Hij persoonlijk was en niet op dat, wat Hij in Zijn positie voor God voor anderen was
2. Velen lezen ’toekomstige’.

Online in het Duits sinds 07.10.2017.

Alexander C. Ord, © 2017 bibelstudium.de

Geplaatst in:
© Frisse Wateren, R. Mol